Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Reanne zelf keek vragend om bevestiging naar de zusters bij de deur, en kreeg die ook. Merililles gezicht was meer ijzig dan waardig, en Sareitha grimaste voor ze zich kon beheersen. Vandene en Careane hadden hun lippen op elkaar geperst, en zelfs Adeleas scheen het te bevestigen. De laatste liet haar ogen langs de vrouwen voor de muur glijden alsof ze onbekende insecten bestudeerde. Wat Reanne zag en wat er werkelijk aan de hand was, was natuurlijk niet hetzelfde. Ze hadden allemaal Elaynes beslissing aanvaard, maar al hun ‘Ja, Elayne...’ betekende nog niet dat ze het leuk vonden. Ze hadden hier al veel eerder kunnen zijn als er niet zoveel tegenwerpingen geweest waren. Leiding geven was soms drijven.
Reanne viel niet flauw, maar haar gezicht was een en al vrees en ze hief haar handen smekend op. ‘Bent u van plan de Kinne te vernietigen? Waarom nu, na zo’n lange tijd? Wat hebben we gedaan dat u ons nu zo bedreigt?’
‘Niemand zal jullie vernietigen,’ zei Elayne. ‘Careane, aangezien niemand anders die twee helpt, wil je zo goed zijn?’ Door de hele kamer sprongen vrouwen blozend op en voor Careane in beweging was gekomen, hadden twee vrouwen zich over elk slachtoffer gebogen, haar overeind geholpen en vlugzout onder haar neus geduwd. ‘Het is de wens van de Amyrlin Zetel dat iedere geleidster een band met de Toren heeft,’ ging Elayne door. ‘Dat aanbod geldt voor ieder van de Kinne die het wenst te aanvaarden.’
Als ze stromen Lucht om elke vrouw had geweven, zouden ze niet stiller hebben gestaan. En als ze die stromen strak had aangetrokken, zouden hun ogen nooit zo hebben uitgepuild als nu. Een van de flauwgevallen vrouwen zuchtte en hoestte opeens. Ze duwde het flesje met vlugzout weg dat veel te lang onder haar neus was gehouden. Dat verbrak de stilte in een baaierd van stemmen.
‘Kunnen we toch nog Aes Sedai worden?’ vroeg de Tyreense in de goudsmid jas opgewonden, terwijl een vrouw met een rode riem, die minstens tweemaal zo lang was als de riemen van de anderen, losbarstte: ‘Ze zullen toestaan dat wij leren? We kunnen weer les krijgen?’ Een orkaan van pijnlijk gretige stemmen. ‘Kunnen we echt...?’ en: ‘Zullen ze ons...?’
Reanne sprak hen woest aan. ‘Ivara, Sumilo, jullie allemaal, jullie vergeten jezelf! Je spreekt in het bijzijn van Aes Sedai. Het... bijzijn... van... Aes Sedai!’ Ze streek met een bevende hand over haar gezicht. Er viel een beschaamde stilte. Ogen werden neergeslagen, wangen kleurden rood. Ondanks al die gerimpelde gezichten, al dat grijze en witte haar, moest Elayne toch denken aan een groep novices die na het klinken van Volgong bij een kussengevecht betrapt waren door de Meesteres. Aarzelend keek Reanne haar over haar vingertoppen aan. ‘We zullen werkelijk terug mogen naar de Toren?’ vroeg ze bedeesd achter haar handen.
Elayne knikte. ‘Wie kan leren Aes Sedai te worden krijgt daarvoor de kans, en er is plaats voor iedereen. Voor iedere vrouw die kan geleiden.’
Reannes ogen blonken van tranen. Elayne meende haar te horen fluisteren: ‘Ik kan een Groene zuster worden.’ Het was moeilijk niet meteen naar haar toe te rennen en de armen om haar heen te slaan.
Geen andere Aes Sedai liet iets van enig gevoel blijken, en Merilille was beslist van strenger makelij. ‘Als ik zo vrij mag zijn, Elayne? Reanne, hoeveel van... jullie zullen we opnemen?’ Ongetwijfeld dekte die aarzeling een verandering van ‘wilders en mislukkelingen’ in ‘jullie’.
Wellicht merkte of vermoedde Reanne het, maar ze negeerde het of gaf er niet om. ‘Ik kan niet geloven dat iemand dit aanbod zal weigeren,’ zei ze ademloos. ‘Het zal tijd kosten om iedereen te berichten. We zijn nog steeds overal verspreid, ziet u, zodat’ – ze lachte, ietwat zenuwachtig en nog steeds niet ver van tranen af – ‘zodat de Aes Sedai ons niet opmerken. Vandaag de dag staan er eenduizend, zevenhonderd en drieëntachtig namen op de rol.’
De meeste Aes Sedai leerden hoe ze hun schok konden verbergen achter veel vertoon van uiterlijke kalmte, en alleen Sareitha’s ogen werden groter. Ze mompelde ook iets geluidloos, maar Elayne kende haar goed genoeg om haar lippen te kunnen lezen. Tweeduizend wilders! Het Licht helpe ons! Elayne hield zich druk bezig met het schikken van haar rok tot ze er zeker van was dat ze haar eigen gezicht kon beheersen. Het Licht mocht hun inderdaad helpen.
Reanne begreep de stilte verkeerd. ‘U had op meer gerekend? Er gebeuren elk jaar ongelukken, of men sterft een natuurlijke dood. Ik vrees dat de Kinne de laatste duizend jaar in aantal is afgenomen. Misschien zijn de vrouwen die de Witte Toren verlieten, al te voorzichtig benaderd, maar we leefden altijd in angst dat een van hen zou verklappen dat ze ondervraagd waren, en... en...’
‘Wij zijn in het geheel niet teleurgesteld,’ verzekerde Elayne haar, en ze wuifde kalmerend. Teleurgesteld? Ze begon bijna als een zottin te giechelen. Er waren bijna twee keer zoveel Kinsvrouwen als Aes Sedai! Egwene zou nooit kunnen beweren dat zij geen aandeel had gehad in het binnenbrengen van nieuwe geleidsters voor de Toren. En als de Kinne daarbij ook nog wilders weigerde... Ze moest zich bij het onderwerp houden. Het opnemen van de Kinne was slechts van zijdelings belang. ‘Reanne,’ zei ze vriendelijk, ‘denk je dat je je nu misschien kunt herinneren waar de Schaal der Winden is?’
Reanne bloosde als een zonsondergang. ‘We hebben ze nooit aangeraakt, Elayne Sedai. Ik weet niet waarom ze hier zijn opgeslagen. Ik heb nog nooit gehoord van die Schaal der Winden, maar er is een voorraad, zoals u heeft beschreven...’
Beneden geleidde een vrouw kort. Iemand krijste in zuiver afgrijzen. Elayne kwam in een flits overeind, evenals de anderen. Ergens onder haar veren vond Birgitte een dolk.
‘Dat moet Derys zijn,’ zei Reanne. ‘Zij is de enige andere hier.’
Elayne schoot naar voren en greep haar bij de arm toen ze naar de deur wilde gaan. ‘Je bent nog geen Groene zuster,’ mompelde ze, en ze werd beloond met een lieve glimlach met kuiltjes, zowel tevreden als beschroomd. ‘Wij handelen dit wel af, Reanne.’
Merilille en de anderen stelden zich aan beide zijden van de deur op, klaar om Elayne naar buiten te volgen, maar Birgitte was al bij de deur.
Ze grinnikte en stak haar hand uit naar de klink. Elayne slikte en zei niets. Dat was het voorrecht van de zwaardhand, zoals de gaidin zeiden: als eerste naar binnen, als laatste naar buiten. Maar toch vulde zij zichzelf met saidar, bereid om iedereen te verpletteren die haar zwaardhand bedreigde.
De deur ging open voor Birgitte de klink kon optillen.
Mart slenterde naar binnen en duwde het slanke meisje dat Elayne zich nog kon herinneren, voor zich uit. ‘Ik dacht al dat jullie hier weieens konden zitten...’ Hij grinnikte onbeschaamd, negeerde Derys’ boze blikken en ging door: ‘... toen ik een flink zootje zwaardhanden zag drinken in mijn minst geliefde taveerne. Ik ben net terug uit de Rahad. Ik heb een vrouw gevolgd. Naar de bovenste verdieping van een huis waar niemand woont, om precies te zijn. Na haar vertrek kon ik onmiddellijk zien naar welke kamer ze was gegaan, zo stoffig was de vloer. Er zit een vervloekt groot roestig slot op de deur, maar ik wed duizend kronen tegen een schop onder m’n kont dat die Schaal van jou erachter ligt.’ Derys probeerde hem te schoppen, en hij duwde haar weg en trok een mes uit zijn riem, waarmee hij op zijn handpalm kletste. ‘Wil een van jullie zo vriendelijk zijn deze wilde kat duidelijk te maken aan welke kant ik sta? Vrouwen met messen maken me tegenwoordig ongerust.’
‘We weten er al alles van, Mart,’ zei Elayne. Nou ja, ze hadden op het punt gestaan om er alles over te horen, en zijn verbijsterde blik was onbetaalbaar. Ze voelde iets van Birgitte, die haar uitdrukkingsloos aankeek, maar die kleine knot van gevoelens ergens in Elaynes hoofd straalde afkeuring uit. Aviendha zou het ook niet geweldig gevonden hebben. Haar mond weer open doen was een van de moeilijkste dingen die Elayne ooit gedaan had. ‘Maar ik moet je bedanken, Mart. Het is helemaal aan jou te danken dat we het gezochte hebben gevonden.’ Zijn wijd open mond van verbazing was de pijn bijna waard. Mart deed haastig zijn mond dicht en zei toen: ‘Laten we dan een boot huren en die verdraaide Schaal oppikken. Met een beetje geluk kunnen we Ebo Dar vannacht nog verlaten.’