De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Ik weet niet wat dat betekent,’ zei Moiraine langzaam. ‘Perijn, waarom zit je zo te fronsen?’
Hij had dat onbewust gedaan, ik zat aan die Aiel in Remen te denken. Hij zei dat als de Steen valt, de Aiel het Drievoudige Land zullen verlaten. Dat is toch de Woestenij, niet? Hij zei dat het een voorspelling was.’
‘Ik heb ieder woord en iedere vertaling van de Voorspellingen van de Draak gelezen,’ zei Moiraine zachtjes, ‘maar nergens worden de Aiel genoemd. We struikelen rond in den blinde, terwijl Be’lal zijn netten weeft en het Rad rond ons zijn Patroon weeft. Maar zijn de Aiel een weefsel van het Rad of van Be’lal? Lan, je moet zo snel mogelijk uitzoeken hoe ik de Steen binnen kan komen. Wij. Zoek snel een weg naar binnen.’
‘Zoals u beveelt, Aes Sedai,’ zei hij, maar zijn stem klonk eerder warm dan vormelijk. Hij verdween de gang op. Moiraine keek fronsend naar de tafel, de ogen versluierd in gedachten.
Zarine stapte naar de tafel toe en keek scheef neer op Perijn. ‘En wat ga jij doen, smidje? Het lijkt erop dat ze ons willen laten wachten en toekijken terwijl zij op avontuur gaan. Maar ik zal niet klagen.’ Dat laatste betwijfelde hij. ‘Allereerst,’ zei hij tegen haar, ‘ga ik iets eten. En vervolgens ga ik nadenken over een hamer.’ En proberen uit te zoeken wat ik voor jou voel, Valk.
51
Aas voor het net
Vanuit haar ooghoeken meende Nynaeve een eind verderop in de zonverlichte straat een lange man te zien, met rossig haar en een wapperende bruine mantel. Toen ze zich echter omdraaide om nog eens goed te kijken, vanonder de brede rand van de blauwe strooien hoed die Alhuin haar had gegeven, hotste er al een ossenwagen tussen hen door. Toen die voorbij was gesukkeld, was de man nergens meer te zien. Ze wist bijna zeker dat hij een houten fluitkistje op zijn rug had gedragen en dat zijn kleren niet Tyreens waren geweest. Het kan Rhand niet zijn. Ik droom dan misschien wel steeds van hem, maar dat betekent nog niet dat hij helemaal van de Vlakte van Almoth hierheen is gekomen. Een van de blootsvoetse mannen die zich langs haar heen haastten, had een mand op zijn rug waaruit de sikkelvormige staarten van een tiental grote vissen staken. Toen hij opeens struikelde, schoten tijdens zijn val alle zilverkleurige vissen als pijlen over zijn hoofd. Hij kwam met zijn knieën in de modder terecht en bleef naar de vissen voor hem op de grond staren. Elke vis stond rechtop, met de bek in de modder, in een keurig ronde cirkel. Zelfs de monden van enkele voorbijgangers vielen open. Langzaam kwam de man overeind, hij leek zich niet bewust te zijn van de modder op zijn kleren. Hij slingerde de mand van zijn rug af en begon hoofdschuddend en mompelend de vissen erin terug te leggen.
Nynaeve knipperde met haar ogen, maar ze had iets af te handelen met de boef met de koeienkop die haar in de deuropening van zijn winkel stond aan te kijken. Aan de haken achter hem hingen bloederige stukken vlees. Ze gaf een felle ruk aan haar vlecht en keek de kerel strak aan.
‘Goed dan,’ zei ze scherp, ik neem het, maar als u zoveel geld vraagt voor zo’n armzalig stukje vlees, zoek ik wel een andere beenhouwer.’ Terwijl hij haar geld aanpakte, haalde hij onbewogen zijn schouders op. Het vette schapenvlees wikkelde hij in de doek uit haar mandje. Toen ze het verpakte vlees in haar mandje legde, keek ze hem boos aan, maar het leek hem niet te deren.
Ze draaide zich op haar hielen om en viel bijna. Ze was deze klompen nog steeds niet gewend. Ze bleven steeds in de modder vastzitten en ze kon maar niet ontdekken hoe de andere mensen het klaarspeelden. Ze hoopte dat de modder in deze zon snel zou drogen, maar ze had het gevoel dat er in de Maule altijd modder lag. Voorzichtig stappend liep ze zacht mopperend terug naar Alhuins huis. Alle prijzen waren waanzinnig, de kwaliteit was even beroerd en het leek niemand te kunnen schelen, de kopers niet en de verkopers evenmin. Het was een opluchting langs een vrouw te lopen die een winkelier uitschold en met een beurse roodgele vrucht zwaaide. Nynaeve wist niet wat voor vrucht het was; ze hadden hier veel groenten en vruchten waar ze nog nooit van gehoord had. De vrouw riep iedereen aan om te zien wat voor afval de man verkocht, maar de winkelier keek slechts vermoeid en nam niet eens de moeite zijn mond open te doen. Ze wist dat er een goede verklaring voor die hoge prijzen was. Elayne had het allemaal uitgelegd. Dat de ratten het graan in de pakhuizen opvraten, omdat niemand in Cairhien de prijzen kon betalen en hoe omvangrijk de Cairhiense graanhandel sinds de Aiel-oorlog was geworden. Maar zij vond het onvergeeflijk dat iedereen er zich maar bij neerlegde en het opgaf. Ze had in Tweewater de verloren oogsten gezien na hagelstormen, de kale akkers na een zwerm sprinkhanen, dode schapen als gevolg van zwarttong en door roodvlek aangetaste tobak, zodat er niets te verkopen viel als de kooplui uit Baerlon kwamen. Ze kon zich twee opeenvolgende jaren herinneren waarin er weinig te eten was, afgezien van wat knolletjessoep en oude gerst, en waarin het een zeldzame bof was als jagers met een mager konijn thuiskwamen. Maar het volk van Tweewater krabbelde overeind als het werd gevloerd en ging weer aan de slag. Deze mensen hadden maar één slecht jaar achter de rug en hun visserij en handel schenen te bloeien. Ze kon geen geduld voor hen opbrengen. Het probleem was dat ze wist dat enig geduld op zijn plaats was. Het waren vreemde mensen met vreemde manieren. Zaken die zij om te huilen vond, zagen de mensen van deze stad, zelfs Alhuin en Sandar, als heel gebruikelijk. Ze zou toch in staat moeten zijn enig geduld op te brengen.
Als ik het voor hen kan, waarom dan niet voor Egwene? Ze schoof dat terzijde. Het kind gedroeg zich verschrikkelijk, snauwde de simpelste voorstellen weg en had tegen de redelijkste argumenten bezwaren. Zelfs als het duidelijk was wat ze moesten doen, wilde Egwene overtuigd worden. Nynaeve was niet gewend om mensen te overtuigen, en zeker geen mensen die ze als kind nog verschoond had. Dat ze feitelijk maar zeven jaar ouder was dan Egwene telde niet. Het zijn al die boze dromen, bedacht ze. Ik begrijp niet wat ze betekenen en nu hebben Elayne en ik ze ook, en ik weet ook niet wat ik daarvan moet maken. Sandar wil niets zeggen, behalve dat hij nog steeds zoekt en ik voel me zo geërgerd dat ik... dat ik wel kan spugen. Ze trok zo hard aan haar vlecht dat het pijn deed. Ze had Egwene gelukkig kunnen overhalen die ter’angreaal niet meer te gebruiken en het ding in haar beurs te doen, in plaats van hem voortdurend op haar huid te dragen. Als de Zwarte Ajah in Tel’aran’rhiod was... Ze wilde niet aan die mogelijkheid denken. We zullen ze vinden! ‘Ik krijg ze te pakken,’ mompelde ze. ‘Mij proberen te verkopen als een schaap! Jacht op me maken als een beest! Ditmaal ben ik de jager en niet de prooi! Die Moiraine! Als zij nooit in Emondsveld was verschenen, had ik Egwene meer dan genoeg kunnen bijbrengen. En Rhand... ik had... ik had iets kunnen doen.’ Ze wist heel goed dat het allebei onwaar was, maar dat hielp niet, maakte het alleen maar erger. Ze haatte Moiraine bijna even erg als Liandrin en de Zwarte Ajah, bijna even erg als de Seanchanen.
Ze sloeg de hoek om en Juilin Sandar moest opzij springen om niet omver te worden gelopen. Hoewel hij eraan gewend was, struikelde hij nu over zijn eigen klompen en alleen zijn stok voorkwam dat hij met zijn gezicht in de modder belandde. Dat bleke geribbelde hout werd bamboe genoemd, had ze gehoord, en het was sterker dan het eruitzag.
‘Vrouw... eh... vrouw Maryim,’ zei Sandar, die zijn evenwicht hervond, ik was... eh, op zoek naar u.’ Hij gaf haar een korte nerveuze glimlach. ‘Bent u boos? Waarom kijkt u me zo fronsend aan?’ Haar gezicht ontspande zich. ‘Dat was niet voor jou, baas Sandar. De beenhouwer... Het doet er niet toe. Waarom zoek je me?’ Haar adem stokte. ‘Heb je ze gevonden?’
Hij keek om zich heen alsof hij verwachtte dat de voorbijgangers hen probeerden af te luisteren. ‘Ja. Ja, u moet met me mee terug. De anderen wachten op u. De anderen. En moeder Guenna.’