Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een Kroon van Zwarden
Een Kroon van Zwarden - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een Kroon van Zwarden

Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:

Een Kroon van Zwarden
1 ... 155 156 157 158 159 160 161 162 163 ... 217
Перейти на страницу:

‘Nee!’ zei ze streng, ‘Ik wil mijn maag in bedwang houden, niet van streek raken.’ De boot begon langzaam heen en weer te deinen. Ze probeerde al haar aandacht bij haar kleren te houden. Ze was niet geobsedeerd door kleren zoals Elayne soms leek te zijn, maar denken aan kant en zijde kalmeerde haar.

Alles was met zorg gekozen om indruk te maken op de Vrouwe der Schepen en iets van het verloren terrein terug te winnen, al zouden ze er weinig mee opschieten. De rok was van groene zijde en had gele splitten. De mouwen en het lijfje waren met gouddraad geborduurd. De zoom en polskragen toonden goudgele kant, net als de halslijn. Misschien had die wat hoger gekund, om ernstig genomen te worden, maar ze had niets wat hoger sloot. Ach, gezien de dracht van het Zeevolk was dit uiterst beschaafd. Nesta zou haar maar moeten nemen zoals ze was; Nynaeve Almaeren ging zich voor niemand anders gedragen.

De gele, van opalen voorziene spelden in haar vlecht waren van haarzelf- een geschenk van niemand minder dan de panarch van Tarabon – maar Tylin had gezorgd voor de gouden ketting, waarvan de saffieren en parels tot op haar boezem vielen. Ze had nooit kunnen dromen dat ze ooit zo’n kostbaar sieraad zou bezitten. Een geschenk voor het brengen van Mart, had Tylin gezegd. Daar snapte ze helemaal niets van, maar misschien had de koningin gemeend dat ze voor zo’n waardevol geschenk een voorwendsel moest geven. De twee armbanden van goud en ivoor kwamen van Aviendha, die een verbazingwekkende kleine schat aan sieraden bezat voor een vrouw die zelden meer dan dat ene zilveren halssieraad droeg. Nynaeve had gevraagd of ze die mooie ivoren armband met doornige roosjes mocht lenen, die Aviendha nooit droeg. Tot haar verbazing drukte de Aielvrouw hem tegen haar borst, alsof die haar kostbaarste bezitting was, waarna Elayne haar zowaar begon te troosten. Het zou Nynaeve niet verbaasd hebben als die twee elkaar huilend om de hals gevallen zouden zijn.

Er was iets raars aan de hand, en als ze niet had geweten dat die twee veel te verstandig waren voor dat soort onzin, zou ze hebben gedacht dat het om een man ging. Nou ja, Aviendha was verstandig; Elayne verlangde nog steeds naar Rhand, hoewel Nynaeve haar dat nauwelijks kwalijk kon nemen....

Plotseling voelde ze enorme weefsels saidar bijna boven op haar en... — lag ze in zilt water te spartelen. Ze sloeg wild om zich heen om lucht te vinden en verstrikte zich in haar rokken. Haar hoofd kwam boven water en ze snakte naar adem. Tussen ronddrijvende kussens staarde ze verbijsterd om zich heen. Het duurde even, maar toen herkende ze de schuine vorm boven haar als een kajuitbank en een stukje van de wand. Ze zat in een luchtbel. Niet zo’n grote; ze kon beide kanten aanraken zonder haar armen te strekken. Maar hoe...? Een hoorbare bons gaf aan dat ze de rivierbodem had bereikt; de omgekeerde kajuit slingerde en kantelde wat. Ze meende dat de luchtbel kleiner was geworden.

Het eerste dat haar te doen stond, was hieruit te ontsnappen voor ze alle lucht had opgebruikt. Vragen kwamen later wel. Ze kon zwemmen, thuis had ze vaak genoeg in de poelen van het Waterwold gesparteld. Alleen als water haar heen en weer deed deinen had ze er problemen mee. Ze haalde diep adem, dook voorover en zwom naar de plek waar de deur moest zijn. Haar benen werden gehinderd door haar rok. Ze kon het gewaad beter uittrekken, maar wenste niet boven te komen in slechts haar hemd, kousen en juwelen. Ze was ook niet van plan om die achter te laten. Bovendien kon ze niet uit haar kleren komen zonder haar beurs te verliezen, en ze verdronk liever dan kwijt te raken wat daar in zat.

Het water was zwarten donker. Haar uitgestrekte vingers voelden hout en ze streek langs het opengewerkte snijwerk tot ze de deur vond. Ze krabde langs de rand... en vond een scharnier. Inwendig verwensingen mompelend dreef ze tastend naar de andere kant. Daar! De klink! Ze lichtte hem op en duwde. De deur bewoog misschien een handbreedte... en zat vast.

Haar longen gierden en ze zwom terug naar de luchtbel, maar bleef slechts lang genoeg om haar longen te vullen. Ditmaal vond ze deur sneller. Ze stak haar vingers door de spleet om erachter te komen waardoor de deur bleef steken. Ze zonken in de modder. Misschien was het een heuveltje dat ze weg kon halen of... Ze voelde hoger. Meer modder. Jachtig ging ze met haar vingers van onder rot boven aan de spleet en toen, omdat ze het weigerde te geloven, van de bovenkant weer terug naar beneden. Modder, taaie vette modder. Overal. Toen ze weer naar de luchtzak zwom, greep ze de rand van de bank boven zich en bleef er hijgend met wild kloppend hart aan hangen. De lucht voelde... zwaarder aan.

‘Ik ga hier niet dood,’ mompelde ze. ‘Ik ga hier niet dood!’

Ze hamerde met een vuist tegen de bank tot ze voelde hoe haar hand kneusde. Ze vocht om woede, de woede waardoor ze kon geleiden. Ze wilde niet doodgaan. Niet hier. Niet alleen. Niemand zou weten waar ze gestorven was. Geen graf, slechts een lichaam dat wegrotte in de rivier. Haar arm viel spetterend omlaag in het water. Zwoegend haalde ze adem. Er dansten zwarte en zilveren vlekken voor haar ogen; ze leek door een koker naar beneden te kijken. Geen boosheid, besefte ze vaag. Ze bleef proberen naar saidar te reiken, maar nu zonder enige hoop die aan te kunnen raken. Ze zou hier dan toch doodgaan. Geen hoop. Geen Lan. En met het verdwijnen van haar hoop, flakkerend als een sputterende kaarsvlam aan de rand van haar bewustzijn, deed ze iets wat ze nooit eerder in haar leven had gedaan. Ze gaf zich volledig over. Saidar vloeide in haar, vervulde haar.

Ze besefte maar half dat het hout boven haar plotseling naar buiten boog en in stukken brak. Ze dreef in een stroom van luchtbellen naar boven, door het gat in de romp, de duisternis in. Ergens wist ze dat ze iets moest doen. Ze kon het zich bijna herinneren. Ja. Haar voeten trappelden zwakjes en haar armen trachtten de beweging van zwemmen te maken. Ze schenen alleen maar te drijven.

Iets greep haar kleren vast en de schrik ontlokte gedachten aan haaien en leeuwvissen en het Licht mocht weten welke andere monsters in deze donkere diepten huisden. Een vonkje bewustzijn dacht aan de Kracht, maar ze spartelde wanhopig met vuisten en voeten en voelde haar knokkels op iets hards belanden. Helaas ging ze ook schreeuwen, tenminste ze poogde het. Een enorme hoeveelheid water stroomde haar keel in en verdronk haar schreeuw, saidar, en bijna haar laatste restje bewustzijn.

Iets trok aan haar vlecht, en toen nog eens, en ze werd... ergens naartoe gesleept. Ze was al te ver heen om tegen te stribbelen, of zelfs maar erg bang te zijn om opgevreten te worden.

Ineens brak haar hoofd door het wateroppervlak. Handen grepen haar van achteren vast – handen; gelukkig geen haai – en drukten hard op haar ribben. De aanraking kwam haar buitengewoon bekend voor. Ze hoestte en het water spoot uit haar neus. Ze hoestte weer, pijnlijk, en haalde beverig adem. Heel haar leven had ze nog nooit zoiets heerlijks geproefd.

Een hand ondersteunde haar kin en plotseling werd ze weer voortgetrokken. Ze werd overspoeld door een golf van vermoeidheid. Het enige dat ze kon doen, was op haar rug drijven, ademhalen en naar de lucht staren. Zo blauw. Zo mooi. Het prikken van haar ogen kwam helemaal niet door het zoute water.

En toen werd ze omhooggeduwd, tegen de zijkant van een boot aan. Een ruwe hand onder haar achterwerk schoof haar omhoog, tot twee slungelige kerels met koperen ringen in hun oren haar oppakten en aan boord sleurden. Ze hielpen haar een paar passen te lopen, maar zodra ze haar loslieten om haar redder te helpen, begaven haar benen het als torentjes van natte pap.

Ze staarde niets ziend op beverige handen en knieën naar een zwaard en laarzen en een groene mantel die iemand op het dek had gegooid. Ze deed haar mond open – en het leek wel of ze de hele Elbar-rivier uitspuwde, met inbegrip van haar ontbijt en middagmaal. Het zou haar niet verbaasd hebben een paar vissen of haar muiltjes te zien. Ze veegde haar lippen met de rug van haar hand schoon. Toen pas hoorde ze stemmen.

1 ... 155 156 157 158 159 160 161 162 163 ... 217
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)