Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Bent u in orde, heer? U was lang onder water, heer.’
‘Laat me, man,’ zei een lage stem. ‘Haal iets om de vrouwe in te wikkelen.’ De stem van Lan, die ze elke nacht in haar dromen had gehoord.
Nynaeve kon nog net een kreet onderdrukken. De gruwel die ze had gevoeld toen ze vreesde te zullen sterven was niets vergeleken bij wat er nu door haar heen flitste. Niets! Dit was een nachtmerrie. Niet nu! Niet op deze manier! Niet als een verdronken rat te midden van haar braaksel!
Zonder na te denken omhelsde ze saidar en geleidde. Het water verdween pijlsnel uit haar kleren en haren, en spoelde elk bewijs van haar ongelukje door een spuigat weg. Ze kwam haastig overeind, trok snel haar ketting recht en deed haar best om kleren glad te strijken en haar haren goed te schikken. Het zoutwaterbad en het snelle drogen hadden echter een aantal vlekken en vouwen op de zijde achtergelaten, die alleen door een bekwame hand en een heet ijzer konden verdwijnen.
Haarsliertjes wilden rechtop gaan staan en de opalen in haar vlecht leken de dikke staart van een nijdige kat op te sieren.
Het maakte niet uit. Ze was de kalmte zelf, koel als een vroege lentebries, beheerst als... Ze draaide zich op haar hakken om voor hij haar onverhoeds van achteren kon vastpakken en haar voor gek kon zetten.
Ze besefte pas hoe snel ze gehandeld had toen ze zag dat Lan net zijn tweede stap van het hekwerk deed. Hij was de knapste man die ze ooit had gezien. Hij was doornat, gekleed in hemd, broek en kousen, en hij was geweldig, met zijn druipende haar dat tegen zijn hoekige gezicht plakte, en... Een purperen bloedende kneuzing kwam op zijn gezicht opzetten, alsof hij een klap had gekregen. Ze sloeg een hand voor haar mond en herinnerde zich dat haar vuist iets had geraakt.
‘O nee! O Lan, het spijt me zo! Ik had het niet zo bedoeld!’ Ze besefte niet echt dat ze naar hem toe snelde. Opeens stond ze vlak voor hem en ging op haar tenen staan om haar vingers zachtjes op zijn verwonding te leggen. Een kundige weving van alle Vijf Krachten, en aan zijn gebruinde huid was niets meer te zien. Maar misschien had hij nog meer verwondingen. Ze spon het weefsel om hem te Schouwen. Inwendig kromp ze ineen toen ze nieuwe littekens vond, en er was iets vreemds, maar hij leek even gezond als een jonge stier. Hij was ook heel erg nat. Ze droogde hem op dezelfde manier als bij haarzelf en het water spatte op aan zijn voeten. Ze bleef hem voortdurend aanraken. Haar handen streelden zijn harde wangen, zijn prachtige blauwe ogen, zijn sterke neus, zijn stevige lippen, zijn oren. Ze kamde met haar vingers zijn zijdezachte zwarte haar goed en verschikte de gevlochten leren band die het bijeenhield. Haar tong scheen ook een eigen leven te leiden. ‘O Lan,’ mompelde ze, ‘je bent echt hier.’ Er giechelde iemand. Zij niet – Nynaeve Almaeren giechelde niet – maar iemand giechelde. ‘Het is geen droom. O Licht, je bent hier. Hoe?’
‘Een bediende van het Tarasin-paleis zei me dat je naar de rivier was gegaan, en een kerel bij de kade zei welke boot je genomen had. Als Mandarb geen hoefijzer had verloren, was ik gisteren al hier geweest.’
‘Dat kan me niet schelen. Je bent hier nu. Je bent hier.’ Ze giechelde niét.
‘Misschien is ze een Aes Sedai,’ mompelde een roeier, net niet zacht genoeg. ‘Maar ik blijf erbij dat dit kuikentje zich in de muil van die wolf wil proppen.’
Nynaeves gezicht werd vuurrood en ze trok haar handen snel terug.
Haar hielen bonsden op het dek. Op een ander tijdstip zou ze de kerel zonder mankeren wat hebben laten horen. Een andere keer, als ze kon nadenken. Lan verdreef elke andere gedachte. Ze greep zijn arm. ‘We zijn meer onder ons in de kajuit.’ Grinnikte daar een roeier?
‘Mijn zwaard en...’
‘Ik neem het mee,’ zei ze, en ze greep zijn spullen met stromen Lucht van het dek. Een van die pummels had staan grinniken. Een tweede stroom Lucht maakte de kajuitdeur open en ze duwde Lan met zijn zwaard en al het andere naar binnen en sloeg de deur dicht.
Licht, ze betwijfelde of Kalle Kopin thuis ooit zo driest was geweest als zij nu, en haar moedervlekken waren bij koopmanswachten even bekend als haar gezicht. Maar dit was niet hetzelfde. Helemaal niet! Het zou echter geen kwaad kunnen als ze iets minder... geestdriftig was. Haar handen gingen weer naar zijn gezicht – om zijn haar wat netter te schikken, alleen daarvoor – maar hij greep haar polsen voorzichtig met zijn grote handen.
‘Mijrelle houdt mijn binding nu,’ zei hij rustig. ‘Ze leent mij aan jou uit tot je een eigen zwaardhand hebt.’
Kalm trok ze haar rechterhand los en gaf hem zo hard als ze kon een klap in zijn gezicht. Zijn hoofd bewoog nauwelijks, dus maakte ze haar andere hand los en sloeg hem nog harder. ‘Hoe durf je?’ Om het te onderstrepen verkocht ze hem nog een oplawaai. ‘Je wist dat ik op je wachtte!’ Er scheen er nog een nodig te zijn, om haar standpunt duidelijk te maken. ‘Hoe kon je zoiets doen? Hoe kon je dat mens haar gang laten gaan?’ Nog een klap. ‘Bloedvuur, Lan Mandragoran! Bloedvuur en drakenvuur! Dat je mag branden in de Doemkrocht!’
De man – die vreselijke man! – zei geen woord. Dat kon hij natuurlijk ook niet; wat viel er te zeggen? Hij bleef kalm staan en liet de regen van slagen op zich afkomen. Hij bleef gewoon onbeweeglijk staan, met die vreemde, starende blik. Dat mocht ook wel, nu zij ervoor zorgde dat zijn wangen rood werden. Haar slagen mochten dan weinig indruk op hem maken, maar haar handpalmen begonnen behoorlijk pijn te doen.
Grimmig maakte ze een vuist en dreef die met al haar kracht in zijn buik. Hij gromde. Een heel klein beetje.
‘We zullen dit kalm en verstandig bespreken,’ zei ze, en ze deed een stap terug. ‘Als volwassenen.’ Lan knikte slechts, ging zitten en trok zijn laarzen naar zich toe. Met haar linkerhand veegde ze een paar haar-slierten uit haar gezicht en ze stak de rechter achter haar rug, zodat ze haar gekneusde vingers kon strekken zonder dat hij het zag. Hij had niet het recht om zo hard te zijn, niet als zij hem wilde raken. Het was te veel om te hopen dat ze misschien een van zijn ribben had gebroken. ‘Je zou haar moeten bedanken, Nynaeve.’ Hoe kon de man zo kalm blijven!? Hij stampte zijn voet stevig in een laars en bukte zich om de ander op te rapen. Hij keek haar niet aan. ‘Je zou niet willen dat ik aan je gebonden was.’
Een stroom Lucht greep een handvol haar en trok zijn hoofd pijnlijk overeind. ‘Waag het niet! Als je het waagt om die onzin te blubberen dat je me niet het weduwenzwart wilt geven, Lan Mandragoran, dan... dan...’ Ze kon niets bedenken wat grof genoeg was. Hem schoppen was bij lange na niet genoeg. Mijrelle. Mijrelle met haar zwaardhanden. Bloedvuur! Hem stropen en zijn vel in reepjes snijden was nog niet genoeg!
Hij had net zo goed zijn hoofd gebogen kunnen houden. Hij sloeg zijn armen op zijn knieën over elkaar, keek haar met die vreemde blik aan, en zei: ik heb erover gedacht om het je niet te vertellen, maar je hebt het recht om het te weten.’ Toch begon hij te aarzelen. Lan aarzelde nooit. ‘Toen Moiraine stierf... als de binding van een zwaardhand met zijn Aes Sedai verbroken wordt... zijn er veranderingen.’
Tijdens zijn verhaal sloeg ze haar armen om zich heen zodat ze niet zou huiveren. Haar kaken deden pijn van het stijf dichtklemmen. Ze liet de stroom los die hem vasthield en liet saidar gaan, maar hij ging enkel wat rechter zitten en vertelde zijn gruwelverhaal. Hij haperde geen enkele keer, maar bleef haar aankijken. Plotseling begreep ze die ogen, kouder dan het hart van de winter. Het waren de ogen van een man die wist dat hij dood was en die het niet kon opbrengen daar iets tegen te doen. De ogen van een man die bijna gretig op zijn lange slaap wachtte. Haar eigen ogen prikten, maar ze huilde niet.
‘Begrijp je het?’ eindigde hij, met een glimlach die slechts om zijn mond speelde, een glimlach dat hij het had aanvaard. ‘Wanneer het voorbij is, zal ze nog ruim een jaar pijn lijden, en ik zal toch dood zijn. Dat blijft jou bespaard. Mijn laatste geschenk aan jou, Mashiara.’ Mashiara. Zijn verloren geliefde.