De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Toen het metaal genoeg was afgekoeld, tot een dofgrijs, haalde hij het uit het water en nam het mee naar de slijpstenen. Een beetje traag werk met de voetpedalen sleep een glans op het blad. Voorzichtig maakte hij een deel van het blad weer heet. Ditmaal werden de kleuren donkerder, strogeel, bronsgeel. Toen de bronskleur over het blad vlamde, legde hij het opzij om af te koelen. De laatste rand kon nu gescherpt worden. Als hij het weer zou laten schrikken, zou dat de harding bederven die hij zojuist had verkregen.
‘Een keurig stukje werk,’ prees de smid. ‘Geen overbodige bewegingen. Zoek je werk? Mijn leerlingen zijn er net alledrie vandoor gegaan, waardeloze dwazen, en ik heb genoeg werk voor je liggen.’ Perijn schudde het hoofd, ik weet niet hoelang ik hier in Tyr blijf. Ik zou nog graag wat andere dingen willen doen, als u het niet erg vindt. Het is al weer zo lang geleden en ik mis het. Misschien kan ik wat werk van uw leerlingen overnemen.’
De smid snoof luid. ‘Je bent een heel stuk beter dan die schavuiten, die maar liepen te kniezen en te staren, en over nachtmerries mompelden. Alsof niet iedereen soms een nachtmerrie heeft. Ja, je mag hier best werken, zolang je wilt. Licht, ik heb bestellingen voor een dozijn haalmessen en drie kuipersbijlen, en de timmerman verderop heeft een moker nodig, en... Te veel om op te noemen. Begin maar met de haalmessen, we zien wel hoever we vóór vanavond komen.’ Perijn ging helemaal op in het werk en vergat een tijdlang alles, behalve de hitte van het metaal, zijn rinkelende hamer en de kleur van het smidsvuur, maar opeens was het tijd en toen hij opkeek, zag hij de smid, die Dermid Ajala heette, zijn vest uitdoen en was het hoeferf donker. Het enige licht kwam van het vuur en enkele lampen. En op een van de aambeelden zat Zarine naast een koud smidsvuur naar hem te kijken.
‘Dus je bent echt smid, smidje,’ zei ze.
‘Dat is hij, vrouwe,’ zei Ajala. ‘Leerling, zegt hij, maar wat hij vandaag deed, is een meesterstuk, als je het mij vraagt. Mooie slag en uiterst regelmatig.’ Perijn stond bij deze lofprijzingen met zijn voeten te schuifelen en de smid gaf hem een grijns. Zarine staarde hen beiden vol onbegrip aan.
Perijn ging zich omkleden, hing vest en voorschoot aan de haak, maar toen hij ze uit had, leek hij opeens Zarines ogen op zijn rug te voelen.
Het leek wel of ze hem even aanraakte, de kruidige geur leek overweldigend. Snel trok hij zijn hemd over zijn hoofd, frommelde het in zijn broek en schoot zijn jas aan. Toen hij zich omdraaide, vertoonde Zarine een van die kleine heimelijke glimlachjes die hem steeds zo zenuwachtig hadden gemaakt.
‘Dus dit is je hartenwens?’ vroeg ze. ‘Heb je die hele reis gemaakt om weer smid te worden?’ Ajala stopte het afsluiten van de erfpoort om even te luisteren.
Perijn pakte de zware hamer op die hij had gebruikt, met een kop van tien pond en een steel zo lang als zijn onderarm. Hij lag lekker in de hand. Hij voelde goed aan. De smid had eenmaal naar Perijns ogen gekeken en zelfs niet met de zijne geknipperd. Het was het werk waar het op aankwam, de kunde met metaal, niet de kleur van iemands ogen. ‘Nee,’ zei hij droef. ‘Ooit, hoop ik. Maar nu nog niet.’ Hij wilde de hamer weer op zijn plekje aan de muur terughangen. ‘Neem hem mee.’ Ajala schraapte zijn keel. ‘Gewoonlijk geef ik geen goed gereedschap weg, maar... Het werk dat je vandaag hebt gedaan, is veel meer waard dan de kosten van zo’n hamer en misschien zal hij je helpen voor die andere dag. Man, als ik ooit iemand heb gezien die een is met een smidshamer, ben jij het. Dus pak aan. Hou hem.’ Perijn omklemde de steel met zijn hand. Het voelde inderdaad juist aan. ‘Bedankt,’ zei hij. ‘Ik kan je niet zeggen wat dit voor mij betekent.’
‘Denk gewoon maar aan dat ooit, man. Vergeet het niet.’ Toen ze weggingen, keek Zarine naar hem op en zei: ‘Heb jij wel enig idee hoe vreemd mannen zijn, smidje? Nee, ik dacht al van niet.’ Ze schoot vooruit en liet hem achter met de hamer in zijn ene hand, terwijl de andere peinzend aan zijn hoofd krabde.
Niemand in de gelagkamer gunde hem een tweede blik; een man met gouden ogen die een smidshamer vasthield. Hij ging naar boven, naar zijn kamer, en bedacht ditmaal dat hij een waskaars aan moest steken. Zijn pijlkoker en bijl hingen aan dezelfde haak in de gekalkte muur. Hij woog de bijl met zijn ene hand, de hamer met de andere. Wat het gewicht aan metaal betrof, was de bijl met zijn halvemaanvormige blad en dikke piek wel vijf of zes pond lichter dan de hamer, maar hij voelde minstens tienmaal zwaarder. Hij liet de bijl terugglijden in de lus aan zijn riem en plaatste de hamer op de vloer onder de haak, met de steel tegen de muur. De bijl en de hamer raakten elkaar bijna aan, twee stelen van hout die bijna even dik waren. Twee stukken gereedschap die bijna hetzelfde wogen. Hij zat er lange tijd op zijn kruk naar te staren. Hij zat nog steeds te kijken toen Lan zijn hoofd om de deur stak.
‘Kom, smid. We hebben dingen te bespreken.’
‘Ik bén een smid,’ zei Perijn en de zwaardhand keek hem fronsend aan. ‘Laat de winter je hoofd niet op hol brengen, smid. Als je je eigen gewicht niet langer aankunt, kun je ons allemaal de diepte in sleuren.’
‘Ik zorg voor mijn eigen gewicht,’ bromde Perijn. ‘Ik doe wat gedaan moet worden. Wat wil je?’
‘Jou, smid. Heb je niet geluisterd? Kom mee, boerenknul.’ Die titel, waarmee Zarine hem zo vaak aansprak, deed hem boos overeind komen, maar Lan had zich al omgedraaid. Perijn haastte zich de gang in en volgde hem naar de voorkant van de herberg, met de bedoeling de zwaardhand te vertellen dat hij het zat was telkens met ‘smid’ of ‘boerenknul’ te worden aangesproken. Hij heette Perijn Aybara. De zwaardhand verdween in hun eigen eetkamer aan de straatkant.
Perijn volgde hem. ‘Luister goed, zwaardhand... Ik...’
‘Jij moet luisteren, Perijn,’ zei Moiraine. ‘Wees stil.’ Haar gezicht stond effen, maar haar ogen keken even grimmig als haar stem klonk. Het drong tot Perijn door dat er in het vertrek meer mensen waren dan hij en de zwaardhand, die nu tegen de mantel van de koude haard leunde. Moiraine zat aan de tafel in het midden van de kamer, een eenvoudig meubelstuk van zwart eiken. Geen van de andere stoelen met hun hoge, met de hand gesneden rugleuningen was bezet. Aan de andere kant van de kamer, tegenover Lan, leunde Zarine woest kijkend tegen de muur, en Loial was op de vloer gaan zitten omdat hij niet echt goed in de stoelen paste.
‘Ik ben blij dat je besloot erbij te komen, boerenknul,’ zei Zarine spottend. ‘Moiraine wilde niets zeggen zolang jij er niet bij was. Ze kijkt ons alleen maar aan alsof ze wil beslissen wie van ons gaat sterven. Ik...’
‘Wees stil,’ beval Moiraine haar scherp. ‘Een van de Verzakers bevindt zich in Tyr. Hoogheer Samon is Be’lal.’ Perijn huiverde. Loial kneep zijn ogen dicht en kreunde, ik had in de stedding kunnen blijven. Ik was er waarschijnlijk volmaakt gelukkig geweest, getrouwd met iemand die mijn moeder gekozen had. Mijn moeder is een lieve vrouw, ze zou geen slechte vrouw voor me uitgekozen hebben.’ Zijn oren leken zich volledig in zijn warrige haardos verborgen te hebben.