Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 152 153 154 155 156 157 158 159 160 ... 178
Перейти на страницу:

De kale man, die Jurah Haret heette, ging hen zelf voor naar hun kamers. Blijkbaar hadden het zijden gewaad van Moiraine en de wijze waarop ze haar gezicht verborg, samen met Lans harde gezicht en zwaard, hen in zijn ogen tot een vrouwe met haar lijfwacht gemaakt en dus hoog genoeg om hen zijn persoonlijke aandacht te schenken. Perijn was volgens hem waarschijnlijk een dienaar en van Zarine was hij blijkbaar niet zeker – tot haar zichtbare ergernis – en Loial was per slot van rekening een Ogier. Hij gaf enkele mannen opdracht een paar bedden aaneen te schuiven voor Loial en bood Moiraine desgewenst een eigen kamer voor haar maaltijden aan. Ze nam het elegant aan. Al die tijd bleven ze bij elkaar, waardoor er een kleine stoet door de bovenste gangen liep, totdat Haret zich met een boog en een zucht terugtrok, hen achterlatend waar het allemaal begonnen was, voor de deur van Moiraines kamer. De muren waren witgepleisterd en Loials hoofd streek langs het plafond.

‘Verschrikkelijke kerel,’ mompelde Zarine, die verwoed met beide handen het stof van haar nauwe rokken afsloeg, ik geloof dat hij dacht dat ik uw meid was, Aes Sedai. Dat neem ik niet!’

‘Hou je tong in bedwang,’ zei Lan zachtjes. ‘Als je die titel gebruikt waar anderen hem kunnen opvangen, zal het je berouwen, kind.’ Ze keek of ze ruzie wilde maken, maar ditmaal bracht zijn ijzige blik haar tot zwijgen, al keek ze niet minder woest.

Moiraine negeerde hen. Ze stond in de verte te staren, langs haar mantel strijkend alsof ze hem gladstreek. Ze besefte niet wat ze aan het doen was, bedacht Perijn.

‘Hoe pakken we het aan om Rhand te vinden?’ vroeg hij, maar ze leek hem niet te horen. ‘Moiraine?’

‘Blijf in de buurt van de herberg,’ zei ze even later. ‘Tyr kan een gevaarlijke stad zijn voor mensen die de gewoonten niet kennen. Hier kan het Patroon gescheurd worden.’ Het laatste werd zacht gezegd, alsof ze in zichzelf sprak. Iets harder zei ze: ‘Lan, laten we eens zien wat we kunnen ontdekken zonder aandacht te trekken. Jullie: blijf in de buurt van de herberg!’

‘Blijf in de buurt van de herberg!’ smaalde Zarine zachtjes toen de Aes Sedai met haar zwaardhand de trap afliep. Ze zei het wel zo zacht dat het tweetal niets kon horen. ‘Die Rhand... Hij is toch diegene die jij...’ Als ze op dat ogenblik al op een valk leek, was het een heel ongeruste valk. ‘En we zijn hier in Tyr, waar in het Hart van de Steen... En de Voorspellingen zeggen... Het Licht verzenge me, ta’veren, wil ik wel in dit verhaal meedoen?’

‘Het is geen verhaal, Zarine.’ Heel even voelde Perijn zich net zo mismoedig als de herbergier had geklonken. ‘Het Rad verweeft ons in het Patroon. Je hebt er zelf voor gekozen jouw draad met die van ons te verstrengelen, en nu is het te laat om die streng door te hakken.’

‘Licht!’ mopperde ze. ‘Je praat al net als zij.’

Hij liet haar bij Loial achter om zijn spullen in zijn kamer neer te zetten. Er stond een laag bed, gemakkelijk maar klein, zoals volgens stadsmensen gepast was voor een dienaar, een wastafel, een krukje en enkele haken aan de gebarsten witte muur. Toen hij weer naar buiten liep, waren beiden verdwenen. Het gerinkel van een hamer op een aambeeld lokte hem.

Er waren zoveel dingen in Tyr die er vreemd uitzagen dat het een opluchting was om een smederij binnen te lopen. Op de begane grond was het een grote ruimte, zonder achterwand, behalve twee hoge deuren die wijd open stonden en uitzicht boden op een erf waar de paarden en ossen beslagen werden. De hamers lagen op hun plank, allerlei soorten tangen in elke grootte hingen aan muurplanken, hoefmessen en andere gereedschappen van een hoefsmid lagen netjes naast elkaar op houten werkbanken met gutsen, klauwhamers, zadelblokken en alles wat een smid nodig had. Er stonden bakken met stukken ijzer en staal van verschillende dikten. Vijf schuurschijven van verschillende ruwheid stonden tussen de zes aambeelden her en der op de harde zandvloer. Bij drie stenen muren bevonden zich de smidsvuren met hun blaasbalgen, hoewel er slechts in één kolen gloeiden. Koelwater stond in vaten gereed.

De smid liet zijn hamer gestaag neerkomen op geelheet ijzer dat hij met een zware tang vasthield. Hij droeg een ruime broek en had bleekblauwe ogen, maar het lange leren vest en de voorschoot verschilden weinig van wat Perijn en baas Lohan in Emondsveld hadden gedragen en zijn dikke armen en schouders getuigden van vele jaren werken met metaal. Zijn donkere haren vertoonden bijna evenveel grijs als Perijn zich van meester Lohan herinnerde. Er hingen nog meer vesten en voorschoten aan de muur, alsof de man leerlingen had, maar die waren nu nergens te zien. Het smidsvuur rook net als thuis. Het hete ijzer rook net als thuis.

De smid draaide zich om en stak het stuk waaraan hij stond te werken in de kolen en Perijn liep erheen om de blaasbalg te bedienen. De man wierp hem een blik toe, maar zei niets. Perijn haalde de handvatten van de balg op en neer met trage, gelijkmatige slagen, waardoor hij de kolen op de juiste hitte hield. De smid ging weer verder met zijn werk aan het ijzer, ditmaal op de ronde hoorn van het aambeeld. Perijn dacht dat hij een vatenkrabber aan het maken was. De hamer galmde van de scherpe, snelle slagen.

Zonder op te zien van zijn werk vroeg de smid: ‘Leerling?’

‘Ja,’ antwoordde Perijn even kort.

De smid bleef een tijd doorwerken. Het was inderdaad een vatenkrabber, om de binnenkant van houten vaten schoon te schrapen. Zo nu en dan nam hij Perijn nadenkend op. Hij legde zijn hamer enkele tellen neer en pakte een stuk onbewerkt ijzer dat hij in Perijns handen duwde, waarna hij zijn hamer oppakte en zijn werk hervatte. ‘Laat maar zien wat je daarmee kunt,’ zei hij.

Zonder verder na te denken, stapte Perijn naar een aambeeld aan de andere kant van het vuur en sloeg het stuk ijzer tegen de zijkant van het aambeeld. Het gaf een mooie klank. Het ijzer was niet lang genoeg in het vuur geweest om veel koolstof op te nemen. Hij stak het bijna geheel in de gloeiende kolen, proefde het water in de twee tonnen om uit te zoeken welke van de twee het zoute water bevatte – in het derde zat olijfolie – en trok toen zijn jas en hemd uit, waarna hij een leren vest uitkoos dat hem zou passen. De meeste Tyreense jongens waren kleiner dan hij, maar hij vond er een die wel ging. Een voorschoot vinden was gemakkelijker.

Toen hij zich omdraaide, zag hij de smid nog steeds met zijn hoofd over zijn werk gebogen, knikkend en in zichzelf glimlachend. Maar dat hij de weg in een smidse wist, betekende nog niet dat hij vaardig was in het smeden. Dat moest nog blijken.

Toen hij terugkwam bij het aambeeld, met twee gewone hamers, een puntige zethamer en een paar platte tangen met lange stelen, was het ijzer donkerrood gaan gloeien. Alleen het stuk dat niet onder de kolen zat had nog zijn normale kleur. Hij werkte met de blaasbalg en zag de kleur van het metaal lichter worden tot het bleekgeel was, op het randje van wit. Hij trok het stuk er met de tang uit, legde het op het aambeeld en pakte de zwaarste van de twee hamers. Tien pond, schatte hij, en met een langere steel dan leken nodig vonden. Hij hield hem aan het eind vast. Heet metaal vonkte soms en hij herinnerde zich de littekens van de smid van Rondheuvel, een onvoorzichtige vent.

Hij wilde niet iets ingewikkelds of fijns maken. Een eenvoudig voorwerp leek hem nu het beste. Hij begon de rand af te ronden, hamerde toen het middenstuk uit tot een breed blad, bijna zo dik als het uiteinde van het oorspronkelijke stuk, maar ongeveer anderhalve hand lang. Van tijd tot tijd stopte hij het metaal terug in de hete kolen om het bleekgeel te houden en na een tijdje ging hij over op de andere hamer, die half zo zwaar als de eerste was. Het stuk achter het blad maakte hij dunner en daarna boog hij het op de aambeeldhoorn in een krul omlaag naar het blad. Daar zou later een houten steel in bevestigd kunnen worden. Hij zette de scherpe beitel vast in het gat van de hoorn en legde het gloeiende metaal erbovenop. Met een scherpe tik van de hamer sloeg hij het gereedschap eraf dat hij had gemaakt. Of bijna gemaakt. Het zou een canneleermes kunnen worden, waarmee je hoepels van vaten kon afwerken. Zodra hij er klaar mee was. De vatenkrabber van de smid had hem op het idee gebracht. Zodra hij de hete breuk had afgevlakt, gooide hij het gloeiende metaal in het zoute water, dat het metaal hard liet schrikken. Zout water was geschikt voor het hardste metaal, terwijl olie het zachtste was, voor goede messen. En voor een zwaard, had hij gehoord, maar dat had hij nog nooit gesmeed.

1 ... 152 153 154 155 156 157 158 159 160 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)