De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
De grote man lag met gespreide benen boven op de tafel, de rest van zijn lijf hing omlaag, met zijn hoofd op de vloer. De mannen die aan die tafel hadden gezeten, stonden inmiddels handenwringend op veilige afstand en keken elkaar zenuwachtig aan. Een zacht, bezorgd gemompel vulde de gelagkamer, niet het lawaai dat Mart verwacht had. Comars zwaard lag binnen zijn bereik, maar hij bewoog zich niet. Hij staarde Mart wel aan, toen die het zwaard wegschopte en op een knie naast hem neerknielde. Licht! Ik denk dat zijn rug gebroken is! ik heb het je gezegd, Comar. Je had moeten vertrekken. Je geluk is helemaal op.’
‘Dwaas,’ zuchtte de man. ‘Denk je... dat ik... de enige ben... die jacht op ze maakt? Ze leven... geen dag langer... dan...’ Zijn ogen staarden Mart aan en zijn mond stond open, maar hij zei niets meer. Zou nooit meer iets zeggen.
Mart keek lang in de glazige ogen alsof hij daardoor nog meer woorden uit de dode man kon wringen. Wie nog meer, bloedvuur? Wie? Waar zijn ze? Mijn geluk. Bloed en as, wat is er met mijn geluk gebeurd? Hij werd zich bewust van de herbergier, die heftig aan zijn arm stond te trekken.
‘U moet weg. U moet. Voor de Verdedigers komen. Ik zal ze de dobbelstenen laten zien. Ik zal ze vertellen dat het een buitenlander was, maar wel een lange. Met rossig haar en grijze ogen. Niemand zal daar last mee krijgen. Een man waar ik vannacht van droomde. Geen echte man. Niemand zal me tegenspreken. Hij stal ieders geld met zijn stenen. Maar u moet vertrekken. Dat moet!’ Alle anderen in het vertrek keken druk de andere kant op.
Mart liet zich van de dode wegtrekken en naar buiten duwen. Thom wachtte al in de regen. Hij greep Mart bij zijn arm en hinkte haastig de straat af, Mart struikelend meetrekkend. Marts kap hing op zijn rug; de regen doorweekte zijn haren en stroomde over zijn gezicht en langs zijn hals, maar hij merkte er niets van. De speelman bleef omkijken en zocht de straat achter hen af.
‘Slaap je, kerel? Daarnet binnen leek je niet te slapen. Vooruit, kerel. De Verdedigers zullen iedere buitenlander in deze buurt oppakken, ongeacht de beschrijving van de herbergier.’
‘Het is het geluk,’ mompelde Mart. ‘Ik heb het eindelijk door. Mijn geluk werkt het best als dingen... toevallig zijn. Zoals met dobbelstenen. Helpt niet veel bij kaarten. Helpt weinig bij Steen. Zit te veel patroon in. Het moet toevallig zijn. Zelfs het vinden van Comar. Ik bezocht niet meer elke herberg. Ik liep die herberg per ongeluk binnen, Thom. Als ik Egwene en de anderen op tijd wil vinden, zal ik zonder patroon moeten werken.’
‘Waar heb je het over? De man is dood. Als hij ze al gedood heeft... Nou, dan heb je ze gewroken. Zo niet, dan heb je ze gered. Wil je nu harder lopen, bloedvuur! Die Verdedigers zullen er binnen de kortste keren zijn en die hebben andere manieren dan de koninginnengarde.’ Mart schudde zich los en begon onzeker sneller te lopen, waarbij hij de vechtstok meesleepte. ‘Hij liet zich ontvallen dat hij ze nog niet had gevonden. Maar hij zei dat hij niet de enige was. Thom, ik geloof hem. Ik keek hem recht in de ogen en hij vertelde de waarheid. Ik moet ze nog steeds vinden, Thom. Nu weet ik zelfs niet meer wie er achter hen aanzit. Ik moet ze vinden.’
Terwijl Thom met zijn vuist een geeuw onderdrukte, trok hij Marts kap omhoog. ‘Vannacht niet meer, kerel. Ik heb slaap nodig en jij ook.’ Nat. Mijn haren druppen in mijn gezicht. Zijn hoofd leek wazig. Hij had slaap nodig, besefte hij even later. En hij besefte ook hoe vermoeid hij was, als hij al moest nadenken om daar achter te komen, in orde, Thom. Maar zodra het licht is, ga ik weer zoeken.’ Thom knikte hoestend en ze gingen door de regen op weg naar De Witte Maansikkel. De dageraad was niet ver meer toen Mart zich zijn bed uit hees, waarna hij en Thom vertrokken om iedere herberg binnen de muren van Tyr af te lopen. Mart zwierf doelloos rond, liep zoals het uitkwam en waar de volgende straathoek hem bracht. Hij zocht helemaal niet meer naar herbergen en gooide een munt op om te beslissen of hij naar binnen zou stappen. Hij deed dat drie dagen en nachten en al die tijd regende het onophoudelijk. Soms was er een onweer, soms was het gewoon regen, maar het bleef gieten.
Thoms gehoest werd erger, waardoor hij moest stoppen met fluitspelen en verhalen vertellen en door de regen nam hij zijn harp niet mee. Toch stond hij erop om mee te gaan, want de mensen praatten graag met een speelman. Marts geluk met de stenen leek zelfs nog groter sinds hij zijn zoektocht begonnen was, hoewel hij nooit lang genoeg in een taveerne of herberg bleef om meer dan enkele munten te winnen. Ze hoorden geen van beiden iets nuttigs. Geruchten over oorlog met Illian. Geruchten over een inval in Mayene. Geruchten over een inval vanuit Andor, over het Zeevolk dat geen handel meer dreef, over de legers van Artur Haviksvleugel die uit de dood waren opgestaan. Geruchten over de komst van de Draak. De dobbelaars waar Mart mee speelde, waren even somber over het ene gerucht als over het andere. Mart kreeg de indruk dat ze op de grimmigste geruchten afgingen die er te horen waren en ze geloofden er meer dan de helft van. Maar zelfs geen fluistering kon hem naar Egwene en de anderen leiden. Geen enkele herbergier had vrouwen gezien die bij de beschrijving pasten.
Hij begon naar te dromen, ongetwijfeld door al zijn zorgen. Over Egwene en Elayne en Nynaeve en een of andere kerel met kortgeknipt wit haar die een jas met gestreepte pofmouwen droeg, net als Comar, en die lachend een net rond hen weefde. Maar soms was het Moiraine voor wie hij een net weefde en soms hield hij in plaats daarvan een kristallen zwaard vast, een zwaard dat vlamde als de zon zodra hij het aanraakte. Soms was het Rhand die het zwaard vasthield. Om de een of andere reden droomde hij heel vaak over Rhand. Mart wist zeker dat het allemaal kwam doordat hij niet genoeg slaap kreeg en onvoldoende at, behalve wanneer hij er toevallig aan dacht, maar hij wilde niet met zijn zoektocht ophouden. Hij moest een weddenschap winnen, zei hij tegen zichzelf, en hij ging deze winnen, al zou het zijn dood betekenen.
50
De hamer
De middagzon van Tyr blikkerde heet op de afmerende veerboot. Er stonden plasjes op de dampende stenen van de haven en de lucht leek Perijn bijna even vochtig warm als in Illian. De lucht rook naar pek en hout en touw en even verder naar het zuiden zag hij scheepswerven langs de rivier. Hij rook kruiden en ijzer en gerst, parfums en wijnen en honderden aroma’s die hij in die mengeling niet kon onderscheiden. De meesten kwamen uit de pakhuizen aan de haven. Toen de wind een moment naar het noorden draaide, ving hij ook de geur van vis op, maar die verflauwde toen de wind weer ruimde. Nergens de geur van prooi. Zijn geest reikte reeds rond om de wolven te voelen voor het tot hem doordrong wat hij aan het doen was en hij zijn scherm weer optrok. Hij had dit de laatste tijd al te vaak gedaan. Er waren natuurlijk geen wolven geweest. Niet in een stad als deze. Hij wou alleen maar dat hij zich niet zo... eenzaam voelde. Zodra de loopplank van de bark was neergelaten, leidde hij Stapper achter Moiraine en Lan aan de kade op. De enorme massa van de Steen van Tyr rees links van hen omhoog. Het gebouw stond tussen hen en de ondergaande zon in, zodat de burcht ondanks de enorme banier op de hoogste spits op een berg leek. Hij wilde niet naar de Steen kijken, maar het leek onmogelijk om de stad te zien en de Steen te vermijden. Is hij er al? Licht, als hij heeft geprobeerd zoiets binnen te dringen, kan hij al dood zijn. En dan zou het allemaal voor niets zijn geweest. ‘Wat zoeken we hier?’ vroeg Zarine achter hem. Ze had onophoudelijk vragen lopen stellen, al vroeg ze de zwaardhand en de Aes Sedai niets. ‘In Illian troffen we grijzels en de Wilde Jacht. Wat is er in Tyr dat... dat iemand het zo graag uit jullie handen wil houden?’ Perijn keek om zich heen. Niemand van de havenwerkers die met de lading in de weer waren, leek haar te hebben gehoord. Als ze het hadden opgevangen, zou hij zeker angst hebben geroken. Hij slikte de scherpe opmerking in die op het puntje van zijn tong lag. Ze had een scherpere tong dan hij, en een rappere.