De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Ik vind dat we dit deel van de stad maar beter kunnen vergeten, Thom,’ riep hij. ‘Jij ziet Nynaeve of Egwene – laat staan Elayne – toch ook niet uit eigen wil hier in die modder en visstank blijven? Vrouwen houden van nette, keurige dingen die schoon ruiken!’
‘Misschien, kerel,’ mompelde Thom en hoestte toen. ‘Het zou je verbazen waar vrouwen genoegen mee willen nemen. Maar misschien wel.’
Terwijl hij zijn mantel goed dichthield om het vuurwerk droog te houden, stapte Mart nog sneller door. ‘Vooruit, Thom! Ik wil Comar of de meisjes vanavond nog vinden, het een of het ander!’ Thom hinkte achter hem aan, zo nu en dan hoestend. Ze beenden de brede stadspoorten door – niet bewaakt in deze regen – en Mart voelde opgelucht dat hij weer straatstenen onder zijn voeten had. Nog geen vijftig pas verder stond een herberg. Uit de vensters van de gelagkamer viel licht op straat en er drong muziek naar buiten. Zelfs Thom legde het laatste stuk in de regen sneller af, hinkend en wel.
De Witte Maansikkel had een herbergier wiens gordel ervoor zorgde dat zijn lange blauwe jas zowel boven als onder strak paste, wat niet gold voor de meeste mannen op de lage stoelen rond de tafels. Mart bedacht dat die uitstaande broekspijpen van de baas, die vlak boven lage schoenen bij de enkel waren dichtgebonden, groot genoeg waren voor twee gewone mensen, ieder in een pijp. De dienstmeiden droegen kleren die tot aan de hals waren dichtgeknoopt, en korte witte schorten. Tussen de twee haarden speelde een man op een hamerhakkebord. Thom hoorde de kerel kritisch aan en schudde zijn hoofd. De dikke herbergier met de naam Cavan Lopar wilde hun maar al te graag kamers verstrekken. Hij keek fronsend naar hun bemodderde laarzen, maar wat zilver uit Marts beurs – het goud werd snel minder – en de lapjesmantel van Thom deden zijn gezicht opklaren. Toen Thom zei dat hij tegen een kleine vergoeding best enkele avonden wilde optreden, blubberden Lopars onderkinnen van genoegen. Hij had niets gehoord van een grote man met wit haar in zijn baard, en evenmin van drie vrouwen die aan Marts beschrijving voldeden. Mart liet alles behalve zijn mantel en vechtstok in de herberg achter en nam nauwelijks de moeite naar zijn bed te kijken. Het was verlokkelijk re gaan slapen, maar hij onderdrukte die gedachte en sloeg zo snel mogelijk een pittige visstamppot naar binnen. Toen hij zich de regen weer in haastte, zag hij verbaasd dat Thom meeliep, ik dacht dat je droog wilde blijven, Thom?’
De speelman tikte tegen het fluitkistje onder zijn mantel. Zijn andere spullen lagen op zijn kamer. ‘Mensen maken een babbeltje met een speelman, kerel. Misschien vang ik iets op wat jij niet hoort. Ik wil net zo min als jij dat er iets met de meisjes gebeurt.’ Ondanks de neerstortende regen was een honderd pas verder een tweede herberg zichtbaar, tweehonderd pas verder was er weer een en daarachter nog andere. Mart werkte ze een voor een af; hij hing binnen rond terwijl Thom zijn mantel rondzwierde en een verhaal vertelde, waarna hij iemand de kans gaf een beker wijn voor hem neer te zetten. Mart deed dan de ronde en vroeg naar een lange man met een witte pluk haar in zijn korte zwarte baard en drie vrouwen. Hij won een paar munten met dobbelen, maar hoorde niets nieuws, en Thom evenmin. In elke herberg zag hij tot zijn opluchting dat de speelman slechts enkele teugen wijn nam. Op de boot was Thom bijna geheel van de drank afgebleven, maar Mart had niet zeker geweten of de speelman dat in Tyr kon volhouden. Tegen de tijd dat ze een twintigtal gelagkamers hadden afgewerkt, dacht Mart dat er gewichten aan zijn oogleden hingen. De regen was wat minder geworden, maar er vielen toch nog gestaag grote druppels neer en toen de regen verminderde, was de wind aangewakkerd. De lucht toonde het donkergrijs van de komende dageraad.
‘Kerel,’ mopperde Thom, ‘als we niet naar De Witte Maansikkel terugkeren, val ik hier in de regen in slaap.’ Hij bleef staan om te hoesten. ‘Besef je wel dat je straal langs drie herbergen bent geschuifeld? Licht, ik ben zo moe dat ik niet eens meer kan denken. Beschik je soms over een mij onbekende lijst van waar je heen wilt?’ Mart staarde met dikke ogen de straat in toen een lange man in een mantel zich de hoek om haastte. Licht, ik bén moe. Rhand is vijfhonderd roede uit de buurt en speelt dat hij die vervloekte Draak is. ‘Wat? Drie herbergen?’ Ze stonden juist vlak voor een andere, De Gouden Beker volgens het in de wind piepende uithangbord. Het leek totaal niet op een dobbelbeker, maar hij besloot het toch maar te proberen. ‘Nog één, Thom. Als we ze hier niet vinden, gaan we terug en naar bed.’ Slapen klonk beter dan een dobbelspel met een inzet van honderd goudmark, maar hij dwong zich naar binnen te stappen. Mart was nog geen twee stappen binnen of hij zag hem. De grote man droeg een groene jas met blauwe banen op zijn pofmouwen, maar het was echt Comar, met zijn korte zwarte baard en de witte haren op zijn kin. Hij zat achterin aan een tafeltje, op een van die vreemd lage stoelen, liet een dobbelbeker rammelen en glimlachte naar de man tegenover hem. Die man droeg een lange jas en een pofbroek, maar hij glimlachte niet. Hij staarde naar de munten op tafel, alsof hij wenste dat ze weer in zijn beurs terug waren. Bij Comars elleboog stond nog een dobbelbeker. Comar zette de leren beker omgekeerd neer en begon al bijna te lachen voor de stenen waren uitgerold. ‘De volgende graag,’ riep hij luidkeels en schoof de inzet naar zich toe. Er stond al een aanzienlijke stapel zilverstukken voor hem. Hij schepte de stenen terug in de beker en rammelde. ‘Er is toch zeker nog wel iemand die zijn geluk wil beproeven?’ Het leek erop dat niemand wilde, maar hij bleef doorrammelen en lachen.
De herbergier was gemakkelijk te vinden, hoewel ze in Tyr geen schorten leken te dragen. Zijn jas had dezelfde donkerblauwe tint als die van de andere herbergiers waarmee Mart had gepraat. Een gezette man, hoewel hij bijna de helft kleiner was dan Lopar en half zoveel onderkinnen bezat. Hij zat in z’n eentje aan een tafeltje driftig een tinnen pul te poetsen en wierp woedende blikken op Comar, hoewel hij ervoor zorgde dat zijn gast het niet zag. Enkele andere mannen loerden eveneens stiekem naar de man. Maar niet als hij keek. Mart onderdrukte de drang op Comar af te schieten, hem met zijn vechtstok op zijn hoofd te timmeren en hem te dwingen om te zeggen waar Egwene en de anderen waren. Er was hier iets mis. Comar was de eerste die hij een zwaard zag dragen, maar de manier waarop de mannen hem begluurden, duidde op iets anders dan hun angst voor een zwaardvechter. Zelfs de dienstmeid die Comar een nieuwe beker wijn voorzette – en als dank in de billen werd geknepen – schonk hem een zenuwachtige glimlach.
Bekijk het van alle kanten, dacht Mart vermoeid. De helft van de problemen waar ik in verzeild raak, komt omdat ik dat niet doe. Ik moet nadenken. Zijn vermoeidheid leek zijn hoofd te hebben volgepropt met wol. Hij gaf Thom een seintje en ze slenterden naar de tafel van de herbergier, die hen achterdochtig opnam toen ze gingen zitten. ‘Wie is die man met die witte haren in zijn baard?’ vroeg Mart. ‘Je bent niet van hier, hè?’ zei de herbergier. ‘Hij is ook een vreemdeling. Ik zie hem vanavond voor het eerst, maar ik weet dat hij dat is. Een of andere buitenlander die hierheen is gekomen en in de handel zijn fortuin heeft gemaakt. Een koopman die rijk genoeg is om een zwaard te dragen. Maar dat is nog geen reden om ons zo te behandelen.’
‘Als u hem nooit eerder hebt gezien,’ zei Mart, ‘hoe weet u dan dat hij een koopman is?’
De herbergier keek hem aan of hij achterlijk was. ‘Zijn jas, man, en zijn zwaard. Als hij van buiten komt, kan hij geen heer of soldaat zijn, dus hij moet een rijke koopman zijn.’ Hij schudde zijn hoofd, dat vreemdelingen zo stom konden zijn. ‘Ze komen hierheen om uit de hoogte op ons neer te kijken en vlak voor onze neus aan de meisjes te friemelen, maar dat is wat anders dan zich zo te gedragen. Als ik naar de Maule ga, speel ik niet om de paar munten van een visser. Als ik naar de Tavar ga, dobbel ik niet met de boeren die hun oogst komen verkopen.’ Hij poetste nog feller door. ‘Die man heeft zo’n geluk! Op die manier zal hij zijn fortuin wel hebben gewonnen.’