Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Waarom niet?’ wilde Nalesean weten.
‘Geen koperen ring om zijn pink,’ zei Beslan. ‘Hij zit niet in het gilde.’
‘Licht,’ zei Mart, ‘kan een man in deze stad niet eens bedelen zonder tot een gilde te behoren?’ Misschien kwam het door zijn toon. De bedelaar sprong hem naar de keel en in zijn smerige knuist verscheen een mes.
Zonder nadenken greep Mart diens arm, draaide door en slingerde de man de menigte in. Er werd wat gescholden, op Mart of op de bedelaar, die op de grond was gevallen. Een paar mensen gooiden de kerel zelfs een muntje toe.
Vanuit zijn ooghoek zag Mart een tweede magere kerel in vodden, die Birgitte opzij probeerde te duwen om hem met een lang mes neer te steken. Het was een dwaze vergissing om haar vanwege haar kostuum te onderschatten; ergens tussen haar veren viste ze een mes op en stak de man onder zijn arm door in de borst.
‘Kijk uit!’ schreeuwde Mart haar toe en trok tegelijk een mes uit zijn mouw. Het wapen scheerde langs haar heen en verdween in de keel van een andere bedelaar, voordat die zijn ontblote staal in haar ribben kon doen verdwijnen.
Plotseling waren er overal bedelaars met messen en van punten voorziene knotsen. Gillende en schreeuwende mensen in maskers en kostuums trachtten weg te komen. Nalesean gaf een man in vodden een jaap in zijn gezicht, waarna die wegwankelde. Beslan stak een ander midden in diens lijf, terwijl zijn gevederde vrienden een stel andere bedelaars bevochten.
Mart had geen tijd om er meer van op te vangen. Hij stond opeens rug aan rug met Birgitte en oog in oog met zijn eigen tegenstanders. Hij voelde haar bewegen, hoorde haar vloeken, maar hij was zich er nauwelijks van bewust. Birgitte kon het zelf af, en bij het zien van twee kerels vóór hem was hij er niet zo zeker van of hij dat ook kon. De kromme kerel met de tandeloze grijns had slechts één arm en een leeg gat met littekens op de plek van zijn linkeroog, maar zijn vuist hield een twee voet lange knots vast, met ijzeren banden waaraan stalen stekels ontsproten. Zijn kleine maat met het rattengezicht had nog allebei zijn ogen en een paar van zijn tanden, en ondanks ingevallen wangen en armen die alleen uit botten en pezen schenen te bestaan, bewoog hij als een slang. Hij likte zijn lippen af en liet een roestige dolk van hand tot hand gaan. Mart wees met het korte mes in zijn eigen hand eerst naar de een en vervolgens naar de ander. Het wapen was lang genoeg om ingewanden te raken en de aanvallers sprongen heen en weer, elk wachtend tot de ander als eerste op hem af sprong.
‘Cullie zal dit niet leuk vinden, Spar,’ gromde de grote man, en het rattengezicht dook naar voren terwijl zijn roestige wapen van de ene naar de andere hand flitste.
Hij had niet gerekend op het mes dat plotseling in Marts linkerhand verscheen en zijn pols openhaalde. De dolk kletterde op het plaveisel, maar de kerel wierp zich toch op Mart. Marts andere lemmet werd in zijn borst gestoken en hij piepte. Zijn ogen werden groot en zijn armen sloegen zich schokkend om Mart heen. De spottende grijns van de andere kerel werd groter. Hij stapte naar voren en zijn knots ging omhoog.
De grijns verdween toen twee bedelaars zich sissend en stekend op hem stortten.
Mart keek ongelovig toe en schoof het lichaam van het rattengezicht weg. Over een lengte van vijftig pas was de straat helemaal leeg, op de vechters na. Overal rolden bedelaars over de grond. Twee of drie, en soms vier, staken er een neer of sloegen hem met knotsen of stenen. Beslan trok aan Marts arm. Er zat bloed op zijn gezicht, maar hij grinnikte. ‘Laten we verdwijnen; de Broederschap van de Bedelnap handelt zijn eigen zaakjes wel af. Er is geen eer te behalen met het bevechten van bedelaars. Bovendien zal het gilde geen enkele bedrieger in leven laten. Volg me.’ Nalesean stond te vloeken. Net als Beslans vrienden zag hij kennelijk ook geen eer in een gevecht met bedelaars. Bij sommigen zat het kostuum in de war en eentje had zijn masker afgezet, zodat een vriend de snee in zijn voorhoofd kon deppen. Beiden grinnikten. Birgitte had geen schrammetje opgelopen, voor zover Mart kon zien, en haar kostuum zag er even fraai uit als in het paleis. Ze liet haar mes verdwijnen. Het was een raadsel hoe ze het onder die veren kon verbergen, maar het lukte haar toch.
Mart stribbelde niet tegen toen hij werd meegetrokken, maar hij gromde: ‘Willen bedelaars hier in deze... deze stad altijd mensen aanvallen?’ Beslan zou het misschien niet waarderen wanneer hij het een bloedstad noemde.
De man lachte. ‘Je bent ta’veren, Mart. Er is altijd opwinding rond ta’veren.’
Mart glimlachte terug tussen opeengeklemde tanden. Stomme dwaas, stomme stad en stomme ta’veren. Nou ja, als een bedelaar zijn keel afsneed, hoefde hij niet terug naar het paleis, zodat Tylin hem niet ‘haar peertje’ kon noemen. Wat een rotzooi!
De straat tussen de looierswinkel en De Roos van Elbar kende ook veel feestvierders, maar slechts weinigen waren spaarzaam gekleed. Kennelijk had je geld nodig om bijna naakt rond te lopen. Hoewel... de buitelaars voor het koopmanshuis op de hoek kwamen er dichtbij. De mannen droegen geen schoeisel, hadden hun borst ontbloot en waren gekleed in strakke, felgekleurde broeken. De broeken van de vrouwen, onder uiterst dunne hemdjes, zaten nog strakker. Ze hadden allemaal een paar veren in hun haren, net als de rondhuppelende muzikanten voor het kleine paleis op de andere hoek. Het waren een vrouw met een fluit, een andere vrouw die op een grote, kronkelige zwarte buis vol kleppen blies, en een kerel die als bezeten op een trommel sloeg. Het huis dat ze wilden bespieden, leek volkomen gesloten. De thee bij De Roos was nog even slecht, wat inhield dat die beter was dan de wijn. Nalesean hield zich bij het zure, plaatselijke bruine bier. Birgitte bedankte, zonder te zeggen voor wat, en Mart liet het zwijgend langs zich heen glijden. Ze grijnsden elkaar toe en klonken met hun tinnen bekers. De zon steeg. Beslan zat er rustig bij en hield eerst zijn ene laars in evenwicht op de tenen van de andere en vervolgens andersom. Maar zijn kameraden werden onrustig, hoe vaak hij ze ook uitlegde dat Mart ta’veren was. Een straatgevecht met bedelaars was nauwelijks de moeite waard, de straat was te smal voor een voorbijtrekkend tafereel, de vrouwen waren er niet zo mooi als elders en zelfs kijken naar Birgitte begon te vervelen zodra ze doorkregen dat ze niet van zins was een van hen te kussen. Ze betuigden hun spijt dat Beslan niet mee wilde komen, en haastten zich verder om elders wat meer vertier te vinden. Nalesean maakte een ommetje door het steegje naast de looier en Birgitte verdween in het schemerige binnenste van De Roos, naar haar zeggen om te kijken of er in een vergeten hoekje iets drinkbaars te vinden was.
‘Ik had nooit gedacht dat ik een zwaardhand zo gekleed zou zien,’ zei Beslan, terwijl hij zijn laarzen weer verwisselde.
Mart knipperde met de ogen. Die jongen had een scherpe blik. Ze had niet één keer haar masker afgedaan. Nou ja, zolang hij niet wist van...
‘Ik denk dat jij goed voor mijn moeder zult zijn, Mart.’
Mart verslikte zich en besproeide de voorbijgangers met thee. Een paar keken hem boos aan, en een slanke vrouw met een mooie kleine boezem schonk hem van achter een blauw masker een verlegen glimlach. Hij dacht dat ze een winterkoninkje moest voorstellen. Toen hij haar lachje niet beantwoordde, stampte ze met haar voet en beende kwaad weg. Gelukkig was er verder niemand zo lichtgeraakt, maar lieten ze het bij een boze blik en liepen eveneens verder. Misschien was dat wel niet zo gelukkig. Juist nu zou hij het niet erg hebben gevonden als hij er door zes of acht was aangevallen.
‘Wat bedoel je?’ zei hij hees.
Beslan keek hem met grote ogen aan. ‘Niks anders dan dat zij jou als haar liefje heeft uitverkoren. Waarom is je gezicht zo rood? Ben je boos? Waarom...?’ Plotseling sloeg hij tegen zijn voorhoofd en lachte. ‘Je denkt dat ik boos ben. Vergeef me, ik vergeet dat je een vreemdeling bent. Mart, ze is mijn moeder, niet mijn vrouw. Vader is al tien jaar dood en sindsdien heeft ze altijd beweerd dat ze het te druk heeft. Ik ben gewoon blij dat ze iemand gekozen heeft die ik aardig vind. Waar ga je heen?’