De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Ik denk het niet,’ zei Egwene en ze keek Elayne woest aan toen die opnieuw in schaterlachen uitbarstte.
‘Goed,’ zei de grijze vrouw. ‘De mensen die ik daarvan genees, hebben de neiging mij daarna als stekelkruid in hun netten te ontwijken, tenzij ze echt ziek worden, en ik vind het prettig dat jullie hier zijn. De meeste klanten die tegenwoordig verschijnen, willen een middeltje tegen nachtmerries en ze worden giftig als ik zeg dat ik er niets tegen heb.’ Heel even knepen haar wenkbrauwen zich samen en wreef ze langs haar slapen. ‘Fijn om drie gezichten te zien die niet kijken alsof er niets anders op zit dan overboord te springen. Wanneer jullie wat langer in Tyr blijven, moet je me nog eens opzoeken. Ik hoorde dat jij Maryim wordt genoemd? Ik ben Alhuin. De volgende keer maken we een babbeltje en drinken lekkere thee van het Zeevolk en niet iets waar je tong van gaat krullen. Licht, wat heb ik een hekel aan de smaak van moerasmargrieten, zelfs moddervis smaakt zoeter. Maar als jullie nog tijd hebben, zet ik een pot Tremalkin zwart. Het is ook al gauw tijd om te eten. Het is gewoon brood, soep en kaas, maar jullie zijn welkom.’
‘Dat zou heel aardig zijn, Alhuin,’ zei Nynaeve. ‘Feitelijk... Alhuin, als je een slaapkamer over hebt, zou ik die voor ons drieën willen huren.’ De grote vrouw nam hen alledrie zwijgend op. Ze ging staan, zette de pot kruidenthee weg in de kruidenkast en pakte toen een rode theepot en een buideltje uit een andere kast. Ze sprak niet meer totdat ze een pot Tremalkin zwart had gezet, vier schone bekers en een kom honing op tafel had neergezet, tinnen lepels had neergelegd en zich weer in haar stoel had laten zakken.
‘Ik heb boven drie lege slaapkamers, nu mijn dochters allemaal getrouwd zijn. Mijn man, het Licht schijne op hem, bleef op zee in een storm in de Drakenvingers, bijna twintig jaar geleden. Ik wil niets over geld horen als ik besluit dat jullie ze mogen gebruiken. Als, Maryim.’ Ze roerde de honing door de thee en nam hen opnieuw op. ‘Waardoor komt u tot een besluit?’ vroeg Nynaeve kalm. Alhuin bleef roeren alsof ze vergat te drinken. ‘Drie jonge vrouwen op mooie paarden. Ik weet niet veel van paarden, maar het lijken me even mooie paarden als edele heren en vrouwen berijden. Jij, Maryim, weet al zoveel van wijze zaken dat je je kruiden al in je eigen venster had moeten hangen of een goede keus voor de juiste plek had moeten maken. Ik heb nooit eerder gehoord van een vrouw die ver van haar geboorteplaats met wijze zaken bezig was, maar aan je spraak te horen is die hier ver vandaan.’ Ze wierp een blik op Elayne. ‘Er zijn niet zoveel streken waar mensen zulk haar hebben. Andor, neem ik aan, aan je spraak te horen. Dwaze kerels hebben het altijd over het vinden van een goudharige Andoraanse. Wat ik zou willen weten: waarom? Op de vlucht voor iets? Op jacht naar iemand? Ik denk niet dat jullie dieven zijn en ik heb nog nooit gehoord van drie vrouwen die samen achter een man aangaan. Dus vertel me het waarom en als je verhaal me aanstaat, zijn de kamers van jullie. Als jullie iets willen betalen, koop dan nu en dan wat vlees voor me. Vlees is duur nu de handel met Cairhien stil ligt. Maar eerst het waarom, Maryim.’
‘We zijn op jacht naar iets, Alhuin,’ zei Nynaeve. ‘Of liever naar bepaalde mensen.’ Egwene hield zich stil en hoopte dat ze het even goed deed als Elayne, die thee dronk alsof ze naar een gesprekje over kleding luisterde. Egwene nam niet aan dat Alhuin Guenna’s ogen veel misten. ‘Ze hebben enkele dingen gestolen, Alhuin,’ vervolgde Nynaeve. ‘Van mijn moeder. En moorden gepleegd. We zijn hier voor gerechtigheid.’
‘Mijn ziel mag branden,’ zei de grote vrouw, is er geen mansvolk bij jullie? Mannen zijn alleen nuttig voor zware lasten en voor het je voor de voeten lopen – en voor kussen en zo – maar als er moet worden gevochten of als er een dief moet worden gepakt, zeg ik: laat het aan hen over. Andor is even beschaafd als Tyr. Jullie zijn geen Aiel.’
‘Wij waren de enigen die beschikbaar waren,’ zei Nynaeve. ‘Degenen die eigenlijk zouden gaan, werden vermoord.’
De drie vermoorde Aes Sedai, bedacht Egwene. Die konden niet bij de Zwarte Ajah horen. Maar als ze niet vermoord waren, had de Amyrlin hen niet kunnen vertrouwen. Ze probeert zich aan die vervloekte Drie Geloften te houden, maar ze gaat wel langs het randje. ‘Ach,’ zei Alhuin bedroefd. ‘Zij hebben jullie mannen gedood? Broers? Vaders? Echtgenoten?’ Er verschenen rode vlekjes op Nynaeves wangen en de oudere vrouw legde dat verkeerd uit. ‘Nee, vertel het me maar niet, kind. Ik wil geen oud leed ophalen. Laat het maar op de bodem liggen tot het is vergaan. Kom, kom, blijf maar rustig.’ Het kostte Egwene moeite niet te grommen van afkeer, ik moet je wel dit vertellen,’ zei Nynaeve met een strakke stem. Nog steeds zagen haar wangen rood. ‘Die moordenaars en dieven zijn Duistervrienden. Het zijn vrouwen, maar ze zijn even gevaarlijk als een zwaardvechter, Alhuin. Als je je afvraagt waarom we geen herberg gekozen hebben, dan is het daarom. Misschien weten ze dat wij hen volgen en misschien kijken ze naar ons uit.’
Alhuin wuifde het allemaal snuivend terzijde. ‘Van de vier gevaarlijkste mensen die ik ken, zijn er twee mannen, waarvan één een zwaardvechter. De andere twee zijn vrouwen die zelfs geen mes bij zich hebben. Wat Duistervrienden betreft... Maryim, als je zo oud bent als ik, leer je dat valse Draken gevaarlijk zijn, dat leeuwvissen gevaarlijk zijn, evenals haaien en onverwacht opstekende zuiderstormen; maar Duistervrienden zijn dwazen. Walgelijke dwazen, maar niettemin dwazen. De Duistere is opgesloten waar de Schepper hem gestopt heeft, en geen enkele Grijper of vangvis waar je kinderen mee bang maakt, kan hem eruit krijgen. Dwazen maken me niet bang, tenzij ze aan het roer staan van de boot waarop ik vaar. Ik neem aan dat jullie geen bewijzen hebben die je aan de Verdedigers van de Steen kunt tonen? Het zou jullie woord tegen het hunne zijn.’
Wat is een Grijper? vroeg Egwene zich verwonderd af. Of een vangvis?
‘We hebben het bewijs als we ze vinden,’ zei Nynaeve. ‘Zij hebben de gestolen waar en die kunnen we beschrijven. Hun buit is oud en voor niemand van enige waarde, behalve voor ons en onze vrienden.’
‘Je zult nog versteld staan van wat oude dingen waard kunnen zijn,’ zei Alhuin droogjes. ‘Ouwe Leuse Mulan haalde vorig jaar in zijn net drie hartstenen kommen en een beker op, ergens in de Drakenvingers. Nu bezit hij in plaats van een visserssmak een handelsschip op de rivier. Die ouwe dwaas wist niet eens wat hij bezat, tot ik het hem vertelde. Heel waarschijnlijk ligt er op die plek nog veel meer, maar Leuse kon zich de juiste plek niet meer herinneren. Ik weet niet hoe hij nog vis in zijn net kon krijgen. De helft van de vissersvloot was daarna nog maanden aan het slepen naar cuendillar in plaats van naar knorvis of platvis. Sommigen hadden heren aan boord die hun zeiden waar ze het net moesten uitzetten. Zoveel kunnen oude dingen waard zijn, als ze maar oud genoeg zijn. Nou, ik heb besloten dat jullie hier een man bij nodig hebben, en ik ken precies de goede.’
‘Wie?’ zei Nynaeve snel. ‘Als u aan een heer denkt, een hoogheer, denk er dan aan dat we geen enkel bewijs bezitten tot we ze hebben gevonden.’
Alhuin lachte tot ze piepte. ‘Meisje, in de Maule kent niemand een hoogheer of wat voor heer dan ook. Moddervis zwemt op andere plekken dan zilverbuik. Ik zal de gevaarlijkste man halen die ik ken, geen zwaardvechter, maar wat dat aangaat toch de gevaarlijkste van de twee. Juilin Sandar is een dievenvanger. De beste. Ik weet niet hoe het in Andor is, maar hier werkt een dievenvanger net zo goed voor jou of mij als voor een heer of koopman, en ze vragen er minder voor. Als ze gevonden kunnen worden, kan Juilin die vrouwen van jullie vinden. Hij brengt jullie eigendommen terug zonder dat jullie in de buurt van die Duistervrienden hoeven te komen.’