De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Nynaeves zwarte hengst werd net op de kade neergezet. Bemanningsleden hadden hun paardentuig al van de boot afgedragen en alles domweg op de natte stenen laten vallen. Nynaeve wierp een blik op de paarden en deed haar mond open – Egwene wist zeker dat ze hun wilde opdragen de paarden te zadelen – maar klemde toen haar lippen stijf op elkaar alsof het haar grote moeite kostte. Ze gaf een harde ruk aan haar vlecht. Voor de draagsingel los was, gooide Nynaeve de blauwgestreepte zadeldeken over de rug van het zwarte dier en tilde haar hoogbomige zadel erop. Ze keek niet eenmaal naar de andere twee vrouwen.
Egwene was er nier echt happig op om meteen weg te rijden – de beweging van het paard zou voor haar maag te veel lijken op de beweging van de Schicht, maar een tweede blik op de modderige straten overtuigde haar. Haar schoenen waren sterk, maar ze zou het verwijderen van de modder vervelend werk vinden en ze had evenmin zin haar rokken op te houden. Voor ze tot het besluit zou komen dat modder eigenlijk niet zo erg was, zadelde ze Mist vlug op en klom op haar rug, haar rokken goed schikkend. Wat naaiwerk op de Schicht - ditmaal had Elayne het alleen gedaan, de erfdochter kon heel fijn naaien – had ervoor gezorgd dat ze schrijlings konden rijden.
Nynaeves gezicht verbleekte even toen ze zich in het zadel zwaaide en de hengst begon te bokken. Met samengeknepen mond hield ze zichzelf in bedwang en haar stevige hand aan de teugels zorgde ervoor dat hij spoedig weer kalmeerde. Tegen de tijd dat ze langzaam voorbij de pakhuizen waren gereden, was ze weer in staat iets te zeggen. ‘We moeten uitzoeken waar Liandrin en de anderen zitten zonder dat zij horen dat we naar hen vragen. Ze weten zeker dat wij of iemand anders eraan komen, maar ik zou graag hebben dat ze niet weten dat we hier zijn voor het voor hen te laat is.’ Ze haalde diep adem. ‘Ik moet bekennen dat ik niet over de manier heb nagedacht. Nog niet. Heeft een van jullie misschien een voorstel?’
‘Een dievenvanger,’ zei Elayne prompt. Nynaeve keek haar fronsend aan.
‘Bedoel je iemand als Hurin?’ vroeg Egwene. ‘Maar Hurin was in dienst van de koning. Zou zo’n dievenpakker hier niet in dienst van de hoogheren zijn?’
Elayne knikte en even benijdde Egwene haar om haar sterke maag. ‘Ja, vast wel. Maar dievenpakkers zijn geen Andoraanse gardisten of Tyreense Verdedigers van de Steen. Ze dienen de heerser, maar mensen die bestolen zijn, betalen hen soms om gestolen waar terug te krijgen. Ze nemen soms ook geld aan om mensen te vinden. Dat doen ze tenminste in Caemlin. Ik kan me niet indenken dat het in Tyr anders is.’
‘Dan nemen we kamers in een herberg,’ zei Egwene, ‘en vragen aan de herbergier of hij een dievenpakker kent.’
‘Geen herberg,’ zei Nynaeve even ferm als ze haar hengst stuurde; ze leek het dier voortdurend en altijd te beheersen. Even later matigde ze haar stem een beetje. ‘Liandrin kent ons in ieder geval en we moeten dat ook van de anderen aannemen. Ze zullen de herbergen zeker in de gaten houden en iedereen opwachten die hun spoor volgt. Ik wil dat hun val midden in hun gezicht ontploft, maar niet met ons erin. We nemen geen onderdak in een herberg.’
Egwene weigerde door te vragen, dat gunde ze Nynaeve niet. ‘Waar dan?’ Elaynes wenkbrauwen trokken zich samen. ‘Als ik mijn naam vertel – en erin slaag hen in deze kleren en zonder begeleiding te overtuigen – zullen we door de meeste adellijke huizen worden verwelkomd en zeer waarschijnlijk in de Steen zelf – er bestaan goede betrekkingen tussen Caemlin en Tyr – maar dan kunnen we het niet stilhouden. De hele stad zou het voor het vallen van de nacht weten. Ik kan niets beters bedenken dan een herberg, Nynaeve. Tenzij je een boerderij of zo op het platteland wilt zoeken, maar daar zullen we ze nooit vinden.’
Nynaeve wierp een blik op Egwene. ‘Ik zal het weten als ik het zie. Laat me het even aanzien.’
Elaynes gefronste blik schoot heen en weer tussen Nynaeve en Egwene. ‘Snij je oren niet af als je oorbellen je niet aanstaan,’ mompelde ze. Egwene richtte haar aandacht op de straat waar ze doorheen reden. Ik brand liever dan haar te laten denken dat ik me ook maar iets afvraag!
Vergeleken met de straten van Tar Valon bevonden zich niet veel mensen op straat. Misschien werden ze door de dikke modderlaag ontmoedigd. Karren en wagens kraakten toen ze langs hen reden, de meeste getrokken door ossen met lange brede hoorns. De koetsier of wagenvoerder liep ernaast met een lange stok van een lichte, geribbelde houtsoort. Door deze straten kwamen weinig koetsen of draagstoelen. Het rook overal sterk naar vis en de meeste mannen die zich langs hen heen haastten, droegen enorme manden vol vis op hun rug. De winkels zagen er niet welvarend uit. Buiten lag geen koopwaar uitgestald en Egwene zag maar zelden iemand naar binnen gaan. De winkels hadden borden – naald en stof van de kleermaker, mes en schaar van de messenmaker, een weefgetouw van de wever en dergelijke – maar op de meeste was de verf afgebladderd. Ze zag enkele herbergen met borden in een even schamele staat, die evenmin druk leken. De kleine huizen die tussen herbergen en winkels geperst stonden, bezaten vaak daken waaraan pannen of leien ontbraken. En uit wat ze op de gezichten las, gaven de mensen hier maar weinig om. Ze gingen ergens heen, waren aan het werk, maar de meesten hadden het opgegeven. Maar heel weinig mensen wierpen een blik op de drie vrouwen, die reden waar zoveel anderen liepen.
De mannen droegen ruime pofbroeken die meestal rond de enkel waren dichtgesnoerd. Slechts een handvol bezat een jas, een lang, donker kledingstuk dat strak om de armen en borst sloot en onder het middel veel ruimer viel. Er waren meer mannen met lage schoenen dan met laarzen, maar de meesten liepen blootsvoets door de modder. Veel meer mannen droegen helemaal geen hemd of jas, en hun broek werd omhoog gehouden door een brede buikband, soms in kleur, vaak heel vuil. Sommigen droegen een wijde, kegelvormige strooien hoed of een pet van stof die schuin op het hoofd werd gedragen. De kleren van de vrouwen vertoonden hoge halzen, helemaal tot aan de kin, en hun rok viel tot op de enkels. Velen droegen korte schorten in lichte tinten, soms twee of drie, de grootste onder, en de meesten droegen dezelfde stromutsen als de mannen, maar in de kleur van hun schort.
Bij een vrouw zag ze voor het eerst hoe mensen met schoenen met de modder omsprongen. De vrouw had lage houten blokken aan de zolen van haar schoenen vastgebonden, waardoor ze twee handen boven de modder bleef. Ze liep net zo stevig als op vaste grond. Daarna zag Egwene er nog meer met zulke plankjes, zowel mannen als vrouwen. Sommige vrouwen liepen op blote voeten, maar niet zoveel als mannen.
Ze vroeg zich net af wat voor soort winkel dat soort plankjes verkocht, toen Nynaeve opeens haar zwarte hengst een steeg instuurde tussen een lang smal huis van één hoog en de winkel van een pottenbakker met stenen muren. Egwene wisselde blikken uit met Elayne – de erfdochter schokschouderde – en ze volgden maar. Egwene wist niet waarom Nynaeve hierheen reed en ze was niet van plan haar daarover aan te spreken – maar ze wilde ook niet alleen achterblijven. De steeg eindigde onverwachts op een klein erf achter een huis dat werd omringd door gebouwen. Nynaeve was al afgestegen en bond de teugels vast aan een vijgenboom, waardoor de hengst met bij de jonge, groene plantjes kon komen in een moestuin die de helft van het erf besloeg. Een rij stenen vormde een pad naar de achterdeur. Nynaeve beende naar die deur toe en klopte aan.
‘Wat is dit?’ wilde Egwene ondanks zichzelf weten. ‘Waarom houden we hier stil?’
‘Heb je de kruiden in de ramen niet gezien?’ Nynaeve klopte opnieuw aan.
‘Kruiden?’ vroeg Elayne.
‘Een Wijsheid,’ maakte Egwene haar duidelijk toen ze uit het zadel klom en Mist naast het zwarte paard vastbond. Gaidin is geen naam voor een paard. Denkt ze echt dat ik niet weet wie ze daarmee bedoelt? ‘Nynaeve heeft uitgemaakt dat wij een Wijsheid of een Zoekster, of hoe ze hier ook heten, nodig hebben.’