Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Het had geen zin om Harnan en de overige Roodarmen te waarschuwen. Die propten zich allemaal vol met witte pap en kleine zwarte worstjes, terwijl ze elkaar lachend aanporden vanwege de dienstmeisjes in het paleis. Ze hadden gehoord dat die allemaal gekozen waren om hun schoonheid en dat ze opmerkelijk vrij waren in het verlenen van gunsten. Echt waar, verzekerden zij elkaar.
Het werd er niet beter op toen hij de keuken in ging, op zoek naar vrouw Anan om de rekening te betalen. Caira was er, maar haar slechte bui van de vorige avond was dubbel zo erg. Haar onderlip stak narrig naar voren; ze keek hem nijdig aan en stampte naar buiten, het erf op, onderwijl haar handen aan de achterkant van haar rok afvegend. Misschien had ze zich ergens in de nesten gewerkt, maar hoe ze Mart Cauton daarvan de schuld kon geven, ging hem boven zijn pet.
Blijkbaar was vrouw Anan weg – ze was altijd bezig met het regelen van soepkeukens voor vluchtelingen en andere goede daden – maar Enid zwaaide een lange houten pollepel naar haar bedrijvige helpsters en was bereid om zijn geld aan te nemen. ‘U voelt te veel aan meloenen, jonge heer. Dan moet u niet verbaasd zijn als een slechte in uw handen uiteenspat,’ zei ze somber. ‘Of twee,’ voegde ze er na een moment knikkend aan toe. Ze boog zich naar hem toe en keek hem doordringend aan met haar zwetende dikke gezicht vlak voor hem. ‘U maakt het alleen maar moeilijk voor uzelf als u iets zegt. Doet u dat niet.’ Het klonk niet als een vraag.
‘Geen woord,’ zei Mart. Waar had ze het in Lichtsnaam over? Maar het was blijkbaar het juiste antwoord, want ze knikte en schommelde weg terwijl ze tweemaal zo heftig met haar pollepel zwaaide. Even had hij gedacht dat ze hem ermee wou slaan. De zuivere waarheid was dat alle vrouwen een gewelddadig trekje hadden, niet slechts een paar van hen.
Alles bij elkaar was het een opluchting toen Nerim en Lopin ruzie kregen over welke tassen van welke meester het eerst zouden worden overgebracht. Het kostte hem en Nalesean behoorlijk wat tijd om alles glad te strijken. Een beledigde lijfknecht kon je het leven zuur maken. Vervolgens moest hij beslissen welke Roodarmen de eer werd vergund om de kist met goud naar de overkant te slepen, en wie de paarden moest meenemen. Gelukkig hoefde hij daardoor minder tijd in dat rottige Tarasin-paleis door te brengen.
Eenmaal in zijn nieuwe vertrekken vergat hij even zijn moeilijkheden. Hij had een grote zitkamer, een kleine kamer, die ze hier een poederkamertje noemden, en een enorme slaapkamer met het grootste bed dat hij ooit gezien had. De zware bedstijlen waren rood geschilderd en versierd met kunstig vervlochten bloemen. De meeste meubels waren felrood en helderblauw, de rest was verguld. Een kleine deur bij het bed leidde naar een benauwd vensterloos kamertje voor Nerim, dat de man voortreffelijk vond, ondanks de blinde muren en het smalle bed. Marts vertrekken hadden veel hoge boogramen met smeedijzeren balkons die uitkeken op het Mol Haraplein. De staande lampen waren verguld, net als de spiegellijsten; in het poederkamertje stonden er twee, drie in de zitkamer en viér in de slaapkamer. De klok – een klok! – op de marmeren schoorsteenmantel boven de haard in de zitkamer glinsterde ook al van het verguldsel. De wasbak en de kan waren van rood Zeevolkporselein. Hij was bijna teleurgesteld dat de kamerpot onder het bed slechts van gewoon wit aardewerk was. In de zitkamer was bovendien een plank met wel tien boeken. Niet dat hij veel las.
Zelfs met de vloekende kleuren van muren, plafonds en vloertegels schreeuwden deze vertrekken rijkdom uit. Op elke andere dag zou hij de hop hebben gedanst. Maar nu was hij zich maar al te zeer bewust van de vertrekken verderop in de gang, van een vrouw die hem in heet water wilde stoppen en met een blaasbalg het vuur zou aanwakkeren. Als Teslyn of Merilille of een van dat stel dat niet eerst zouden doen, ondanks zijn zegel. Waarom tolden de dobbelstenen in zijn hoofd niet meer rond, zodra Elayne die stomme kamers had genoemd? Nieuwsgierigheid. Van thuis kende hij nog een spreekwoord dat vrouwen in de mond bestorven lag, meestal wanneer hij iets had uitgespookt wat vooraf erg leuk geleken had. ‘Mannen kunnen katten nieuwsgierigheid leren, maar katten houden hun wijsheid voor zichzelf.’
‘Ik ben geen vervloekte kat,’ mopperde hij en beende van de slaapkamer de zitkamer in. Hij moest het gewoon weten; dat was alles. ‘Natuurlijk ben je geen kat,’ zei Tylin. ‘Jij bent een lekker kuikentje, dat ben je.’
Mart veerde op en staarde haar aan. Een kuiken? En nog wel een kuikentje. Die vrouw kwam niet eens tot aan zijn schouders. Ondanks zijn verontwaardiging lukte het hem een sierlijke buiging te maken. Zij was tenslotte de koningin; dat kon hij maar beter goed beseffen. ‘Majesteit, dank u voor deze prachtige vertrekken. Ik zou graag met u praten, maar ik moet weg en...’
Ze glimlachte en kwam met ritselende blauwe en witte zijden onderrokken over de rood-groene tegels dichterbij. Haar donkere ogen staarden hem recht aan. Hij voelde niet de minste aandrang om een blik te werpen op de trouwdolk die in haar ruime inkijk genesteld lag. Of naar de grotere, met juwelen bezette dolk in een riem die al evenzeer met juwelen bezaaid was. Hij schoof achteruit.
‘Majesteit, ik heb een belangrijke...’
Ze begon te neuriën. Hij herkende het wijsje; hij had het onlangs nog voor een paar meisjes geneuried. Hij was verstandig genoeg om met de stem die hij bezat niet te gaan zingen. Bovendien kreeg hij rode oren van de woorden die ze hier gebruikten. Hier noemden ze het liedje ‘Met mijn kussen beneem ik je de adem’.
Hij lachte zenuwachtig en probeerde een met lazuur ingelegd tafeltje tussen hen in te krijgen, maar zij schuifelde er als eerste omheen zonder dat ze een stap sneller leek te lopen. ‘Majesteit, ik...’
Ze legde een vlakke hand op zijn borst, duwde hem achteruit een stoel met een hoge rug in en sprong op zijn schoot. Hij zat gevangen tussen haar en de armleuningen. Hij had haar natuurlijk gemakkelijk op kunnen tillen en haar weer naast zich neer kunnen zetten. Maar zij bezat die vervloekt grote dolk in haar riem, en hij betwijfelde of zij zijn lijfelijke aanpak even aanvaardbaar zou vinden als haar aanpak van hem. Dit was tenslotte Ebo Dar, waar een vrouw die een man doodde in haar recht stond, tenzij het tegendeel werd bewezen. Hij kon haar er gemakkelijk af zetten, maar...
In de stad had hij visboeren gezien die heel vreemde beesten verkochten, die ze inktvis en achtarm noemden – Ebodaranen aten die dingen ook nog! – maar tegen Tylin legden zij het af. Die vrouw bezat wel tien handen. Hij kronkelde heen en weer, probeerde haar tevergeefs tegen te houden, en ze lachte zachtjes. Tussen haar kussen door voerde hij ademloos aan dat er iemand binnen kon lopen, maar ze lachte slechts klokkend. Hij brabbelde wat over eerbied voor haar kroon, en ze stikte van het lachen. Hij beweerde beloofd te zijn aan een meisje thuis, dat zijn hart had omvat, en daar moest ze nog harder om lachen. ‘Wat niet weet, wat niet deert,’ mompelde ze, en haar twintig handen vertraagden geen moment.
Iemand klopte aan.
Hij wist zijn mond vrij te krijgen en riep: ‘Wie is daar?’ Nou ja, het was een schreeuw. Heel hoog, piepend. Per slot van rekening was hij buiten adem.
Tylin was zo snel van zijn schoot en drie passen van hem af dat het in een oogwenk gebeurd leek te zijn. De vrouw had nog de moed om hem verwijtend aan te kijken! Waarna ze hem een kushandje toewierp.