Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een Kroon van Zwarden
Een Kroon van Zwarden - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een Kroon van Zwarden

Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:

Een Kroon van Zwarden
1 ... 142 143 144 145 146 147 148 149 150 ... 217
Перейти на страницу:

Daarna kwamen de andere paarden van de reservekudde, tien aan een lijn, onder het waakzame oog van knechten van Dobraines landgoed. Hij nam aan dat die wist wat ze van plan waren. Perijn kon er Draver, die alleen liep, zo uitpikken. De vrouw die voor hem zorgde, kon haar klus maar beter goed doen. Een groot aantal karren op hoge wielen kwam erdoorheen. De voerlui trokken schreeuwend aan de teugels, alsof ze bang waren dat de poort onverhoeds zou dichtklappen. Er waren heel wat karren, omdat die minder konden vervoeren dan wagens. Ze waren uitgekozen, omdat een wagenspan niet door de poort kon. Blijkbaar konden Neald en Gradi niet zo’n grote poort maken als Rhand of Dashiva.

Nadat de laatste kar eindelijk met piepende assen door de doorgang was gedenderd, wilde Perijn al bevelen de poort te sluiten maar Neald hield hem open en bevond zich nog aan de andere kant in Cairhien. Even later was het te laat.

Berelain schreed erdoorheen, een merrie leidend die even wit was als Zwaluw zwart. Inwendig prevelde hij wat dankwoorden dat de grijze rij kleding tot boven aan haar nek gesloten was. Daarentegen zat het lijfje even strak als een Taraboons gewaad. Perijn kreunde. Met haar kwamen Nurelle en Bertain Gallenne, de kapiteinheer van haar Vleugelgarde, een grijze kerel die zijn zwarte ooglap droeg zoals een andere man een veer in de hoed. Daarop volgde de Vleugelgarde in de rode wapenrusting, meer dan negenhonderd man. Nurelle en de anderen die in Dumais Bron hadden gestreden, droegen een geel koord om de bovenarm.

Berelain steeg op en reed opzij, terwijl Nurelle de Vleugelgarde tussen de bomen opstelde. Ze moest op ruim vijftig pas afstand van Faile zijn geweest, met tientallen bomen tussen hen in, maar ze zocht een plekje waar ze Faile kon aanstaren. Zo vlak en effen dat Perijns huid kriebelde. Hij had bedacht Berelain in de achterhoede te plaatsen, zo ver mogelijk uit de buurt van Faile, maar dit zou hij verder elke avond onder ogen moeten zien. Bloedvuur, Rhand!

Nu kwam Neald door de poort naar buiten, terwijl hij over zijn malle snorretje streek, loerend naar iedereen of ze wel zagen hoe goed hij de doorgang liet verdwijnen. Niemand keek en hij klom met een misnoegd gezicht op zijn paard.

Perijn stapte ook op en reed Stapper naar een lage heuvel. Niet iedereen kon hem tussen de bomen zien, maar ze hoefden hem alleen maar te horen. Er rimpelde een beweging door de groep toen hij de teugels aantrok, en mensen stapten opzij om hem beter te kunnen zien.

‘Voor zover ieders ogen-en-oren in Cairhien nu weten,’ zei hij luid, ‘ben ik verbannen, is de Eerste van Mayene op weg naar huis en zijn alle anderen gewoon verdwenen als ochtendmist in de zon.’

Tot zijn verbazing werd er gelachen. Een roep van ‘Perijn Guldenoog’ steeg op en niet alleen van het volk uit Tweewater. Hij wachtte tot het stil werd en dat duurde even. Faile lachte en schreeuwde niet; Berelain evenmin. Beide vrouwen schudden het hoofd. Ze vonden allebei dat hij niet zoveel moest vertellen als hij van plan was te doen. Toen zagen ze elkaar en verstarden hun hoofden, alsof ze in amber waren gevat. Ze hadden er een hekel aan het eens te zijn. Het was geen verrassing dat de twee paar ogen zich met dezelfde uitdrukking op hem richtten. Er was een oud spreekwoord in Emondsveld, maar hoe je het zei en wat je bedoelde, hing af van de omstandigheden en van wie je was. ‘Het is altijd de schuld van de man.’ Hij had één ding wel geleerd, vrouwen waren er beter in dan wat dan ook: een man leren zuchten.

‘Sommigen van jullie zullen zich afvragen waar we zijn en waarom,’ vervolgde hij toen het eindelijk weer stil was. Er werd hier en daar een beetje gelachen. ‘Dit is Geldan.’ Gemompel van bewondering en misschien ongeloof nu ze met één stap zo’n vijftienhonderd span hadden afgelegd. ‘Als eerste dienen we koningin Alliandre ervan te overtuigen dat we dit land niet willen veroveren.’ Berelain werd geacht met AIliandre te praten, maar Faile zou hem haar aanwezigheid niet in dank afnemen. ‘Daarna dienen we een man te vinden die zich de Profeet van de Drakenheer noemt.’ Ook dat zou niet erg prettig zijn. Masema was al geen zonnetje geweest voor hij een tik van de molen kreeg. ‘Deze profeet heeft wat moeilijkheden veroorzaakt, maar we gaan hem zeggen dat Rhand Altor niet wil dat iemand wordt gedwongen hem te volgen. Daarna nemen we hem mee, en iedereen die terug wil naar de Drakenheer.’ En jagen we zo nodig de vrees van het Licht in Masema’s botten, dacht hij grimmig.

Ze juichten. Ze riepen en schreeuwden dat ze die Profeet voor de Drakenheer terug naar Cairhien zouden brengen, tot Perijn hoopte dat deze plek toch verder van elk dorp af lag dan werd aangenomen. Zelfs de voerlui en paardenknechten sloten zich erbij aan. Nog meer hoopte hij bij het Licht dat alles vlot en soepel verliep. Hoe sneller hij een grote afstand kon scheppen tussen Berelain en Faile, hoe beter. Hij had liever geen verrassingen op hun tocht naar het zuiden. Dat hij ta’veren was moest onderhand toch eens wat goeds opleveren.

28

Brood en kaas

Vanaf de dag dat hij zijn intrek in het Tarasin-paleis nam, wist Mart dat hij in moeilijkheden verkeerde. Hij had kunnen weigeren. Dat die rottige dobbelstenen begonnen of ophielden, hoefde nog niet te betekenen dat hij iets moest dóén. Als ze met tollen ophielden was het gewoonlijk te laat om iets te laten. De moeilijkheid was dat hij wilde weten waarom. Meestal wenste hij al binnen enkele dagen dat hij zijn nieuwsgierigheid meteen de keel had afgesneden.

Nadat Nynaeve en Elayne zijn kamer verlaten hadden, en hij erin slaagde overeind te komen zonder dat zijn hoofd eraf viel, gaf hij het nieuws aan zijn mannen door. Niemand leek de nadelen te zien. Hij wilde hen er alleen maar op voorbereiden, maar niemand luisterde.

‘Zeer goed, heer,’ mompelde Nerim, en hij wist Marts voet in diens laars te wurmen. ‘Mijn heer krijgt eindelijk behoorlijke vertrekken. O ja, zeer, zeer goed.’ Heel even scheen hij zijn droevige uitdrukking kwijt te raken. Heel even. ‘Ik zal de rode zijden jas voor mijn heer afborstelen; mijn heer heeft behoorlijk wat wijn op de blauwe geknoeid.’ Mart wachtte ongeduldig, schoot de jas aan en liep de gang op.

‘Aes Sedai?’ mompelde Nalesean, terwijl zijn hoofd uit de hals van een schoon hemd schoot. Lopin, zijn dikbuikige bediende, stond afwachtend achter hem. ‘Drakenvuur, ik heb het niet op Aes Sedai, maar... het Tarasin-paleis, Mart.’ Mart kromp ineen; het was al erg genoeg dat de man een vat brandewijn achterover kon slaan zonder dat het hem de volgende ochtend deerde, maar moest hij daarbij zo grijnzen? ‘Fijn Mart, nu kunnen we de dobbelstenen vergeten en kaartspelen. Onder ons.’ Hij doelde op de edelen, de enigen die het zich konden veroorloven om te spelen, op de welgestelde kooplieden na, die overigens niet veel trek zouden hebben in de inzetten waaraan de edelen gewend waren. Nalesean wreef zich in zijn handen, terwijl Lopin het kant trachtte vast te haken. Zelfs zijn baard stak vol verwachting naar voren. ‘Zijden lakens mompelde hij. Zijden lakens? Wie had daar ooit van gehoord? Oude herinneringen kwamen bij Mart op, maar hij weigerde ernaar te luisteren.

‘Het barst er van de edelen,’ gromde Vanin beneden aan de trap, en hij tuitte zijn lippen voor een vette kwak speeksel. Zijn zoekende blik naar vrouw Anan was al werktuiglijk geworden; hij besloot een slok te nemen van de goedkope wijn die zijn ochtendmaal vormde. ‘Maar het zal goed zijn om vrouwe Elayne weer te zien,’ peinsde hij. Zijn vrije hand kwam omhoog om zijn knokkels tegen zijn voorhoofd te tikken; hij leek het niet eens te beseffen. Mart kreunde. Die meid had een goede man verpest. ‘Moet ik weer achter Carridin aan?’ ging Vanin door, alsof de rest onbelangrijk was. ‘Er zitten zoveel bedelaars in zijn straat dat dingen niet zo opvallen, maar hij krijgt een hoop volk op bezoek.’ Mart zei hem dat het goed was. Geen wonder dat het Vanin niet kon schelen dat het paleis vol edelen en Aes Sedai zat; hij zou de hele dag zwetend in de zon doorbrengen en door menigten worden voortgeduwd. Veel plezieriger.

1 ... 142 143 144 145 146 147 148 149 150 ... 217
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)