De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
De Grote Bomen, met hun enorme stammen en hun wortels die zich als paarden zo dik uitspreidden, hadden veel ruimte nodig, maar verschillende groeiden midden in de stad. Zandheuveltjes leidden de paden over de wortels. Afgezien van de paden kon je bij een eerste blik het bebouwde gedeelte alleen van het woud onderscheiden door een grote open ruimte midden in de stad, rond de stronk van een Grote Boom. De knoest was zo’n honderd pas in doorsnee en het oppervlak was even glad geschuurd als iedere kamervloer. Op diverse plaatsen liepen treden omhoog. Rhand probeerde zich net voor te stellen hoe groot die boom was geweest, toen Erith iets zei, zo luid dat iedereen het kon horen. ‘Daar komen onze andere gasten.’
Drie vrouwen kwamen rond de enorme stomp aanlopen. De jongste droeg een houten schaal.
‘Aiel,’ zei Ingtar. ‘Speervrouwen. Maar goed dat ik Masema bij de anderen heb gelaten.’ Maar hij schoof weg van Verin en Erith en stak zijn hand over zijn schouder om het zwaard in de schede wat losser te maken.
Rhand bekeek de Aiel verontrust en nieuwsgierig. Ze leken echt veel op hem, zoals mensen hem steeds maar weer hadden verteld. Twee van de vrouwen waren volwassen, de derde was nog maar een meisje, maar allen waren lang voor een vrouw. Hun kortgeknipte haar liep uiteen van een rossig bruin tot bijna goudgeel, met een smalle schouderlange paardenstaart. Ze droegen een ruim zittende kniebroek die in zachte laarzen was gestoken. Elk kledingstuk had een of andere tint bruin, grijs of groen. Hij bedacht dat hun kledij bijna even goed in de achtergrond kon opgaan als de mantel van een zwaardhand. Korte bogen staken boven hun schouder uit, een pijlkoker en lange messen hingen aan hun riem, en allemaal droegen ze een klein rond schild van huiden en een bundeltje speren met korte schachten en lange punten. Zelfs de jongste bewoog zich met een sierlijkheid die de indruk gaf dat ze wist hoe ze met haar wapens om moest gaan.
Opeens drong de aanwezigheid van andere mensen tot de vrouwen door. Ze leken even geschrokken van de schok als door het zien van Rhand en de anderen, maar ze bewogen bliksemsnel. De jongste riep: ‘Shienaranen!’, draaide zich om en zette de schaal behoedzaam achter zich neer. De andere twee trokken snel bruine doeken van hun schouder omhoog en wikkelden die om het hoofd. De oudere vrouwen trokken een zwarte sluier voor hun gezicht die alleen de ogen vrijhield en de jongste richtte zich op om hetzelfde te doen. Ze doken in elkaar en kwamen met vastberaden stappen naar voren, de schilden met het bundeltje speren voor het lichaam, afgezien van een speer die elke vrouw in haar andere hand gereedhield. Ingtars zwaard kwam uit de schede. ‘Houd afstand, Verin Sedai. Erith, houd afstand.’ Hurin griste zijn hartsvanger te voorschijn en aarzelde tussen knuppel en zwaard voor zijn andere hand. Na een tweede blik op de speren van de Aiel koos hij het zwaard. ‘Dit is ongepast,’ protesteerde het Ogiermeisje. Ze wrong haar handen en keek beurtelings de Aiel en Ingtar aan. ‘Dit is ongepast.’ Rhand besefte dat hij zijn reigerzwaard gereed hield. Perijn had zijn bijl half uit de lus aan zijn riem en stond hoofdschuddend te aarzelen.
‘Zijn jullie twee gek?’ blafte Mart. Zijn boog hing nog steeds schuin over zijn rug. ‘Ik maal er niet om of het Aiel zijn; het zijn vrouwen!’
‘Hou op,’ eiste Verin. ‘Hou hier meteen mee op!’ De sluippassen van de Aiel haperden geen moment en de Aes Sedai balde geërgerd haar vuisten.
Mart schoof achteruit en zette zijn voet in de stijgbeugel, ik ga,’ verkondigde hij. ‘Horen jullie me? Ik blijf hier niet om die dingen in me te laten steken en ik ben niet van plan op een vrouw te schieten!’
‘Het Pact!’ riep Loial. ‘Denk aan het Pact.’ Het had even weinig resultaat als het gepleit van Verin en Erith.
Rhand merkte dat zowel de Aes Sedai als het Ogiermeisje behoorlijk ver van de Aiel vandaan bleven. Hij vroeg zich af of Mart niet gelijk had. Hij wist niet zeker of hij een vrouw kon verwonden, zelfs ais ze écht probeerde hem te doden. Maar toen bedacht hij dat zelfs als hij in het zadel kon komen, de Aiel nog maar amper dertig pas van hem af waren. Hij vermoedde dat ze die korte speren best zo ver konden gooien. Toen de vrouwen nog steeds half gebukt dichterbij kwamen, met hun speer in de aanslag, was hij niet meer zo bezorgd over hun verwondingen, maar begon hij zich zorgen te maken over hoe hij kon voorkomen dat ze hem kwaad deden. Zenuwachtig zocht hij de leegte en die kwam, met erbuiten de verre gedachte dat het enkel de leegte was. De gloed van saidin was er niet. Hij kon zich niet herinneren dat de leegte zo leeg was geweest, zo weids, met een honger die groot genoeg was om hem te verteren. Een honger naar meer. Er hoorde meer te zijn. Onverwachts stelde een Ogier met een bevende smalle baard zich tussen de twee groepen op. ‘Wat is hiervan de bedoeling? Steek jullie wapens weg.’ Het klonk of hij het schandalig vond. ‘Wat jullie betreft,’ zijn woeste blik omvatte Ingtar, Hurin, Rhand, Perijn en Mart, die hij ondanks diens lege handen niet oversloeg, ‘is er nog wel een verontschuldiging te vinden, maar wat jullie betreft...’ Hij wendde zich tot de Aielvrouwen, die niet langer naderbij slopen. ‘Zijn jullie het Pact vergeten?’
De vrouwen ontblootten hun hoofden en gezichten zo haastig dat het leek of ze net wilden doen of die nooit bedekt waren geweest. Het gezicht van het meisje was vuurrood en de andere vrouwen keken beschaamd. Een van de twee oudere vrouwen, die met het rossige haar, zei: ‘Vergeef ons Boombroeder. Wij gedenken het Pact en wij zouden geen staal hebben ontbloot als we ons niet in het land van de Boomdoders hadden bevonden, waar iedere hand tegen ons wordt geheven. Wij zagen gewapende mannen.’ Haar ogen waren grijs, zag Rhand, net als de zijne.
‘Je bent in een stedding, Rhian,’ zei de Ogier zacht. ‘In de stedding is iedereen veilig, kleine zuster. Hier wordt nooit gevochten en niemand heft hier zijn hand op tegen een ander.’ Ze knikte beschaamd en de Ogier keek Ingtar en de anderen aan.
Ingtar liet zijn zwaard terugglijden in de schede. Rhand deed hetzelfde, maar niet zo snel als Hurin, die bijna net zo verlegen keek als de Aiel. Perijn had zijn bijl nog niet helemaal losgemaakt. Toen hij zijn hand van het gevest nam, liet Rhand ook de leegte los en huiverde. De leegte verdween, maar ze liet een trage, wegebbende galm van leegheid achter die helemaal door hem heen trilde en een verlangen naar iets om die leegheid te vullen.
De Ogier wendde zich tot Verin en boog. ‘Aes Sedai. Ik ben Juin, zoon van Lacel, zoon van Laud. Ik ben hier om u naar de Ouderen te brengen. Ze willen graag weten waarom een Aes Sedai tot ons komt met gewapende mannen en een van onze jongeren.’ Loial dook in elkaar alsof hij zich probeerde te verschuilen. Verin keek spijtig naar de Aiel, alsof ze met hen wilde praten, maar gebaarde Juin toen voor te gaan. Hij ging haar zonder nog een woord te zeggen voor en had Loial geen enkele keer aangekeken. Enkele ogenblikken lang stonden Rhand en de anderen verontrust naar de drie Aielvrouwen te kijken. Rhand voelde zich in ieder geval niet op z’n gemak. Ingtar behield zijn steenharde blik en leek even gevoelloos als een rots. De Aiel mochten dan wel hun gezicht ontsluierd hebben, maar ze hielden hun speren bij de hand en staarden de vier mannen aan alsof ze door hen heen wilden kijken. Vooral Rhand kreeg blikken te verduren die steeds kwader werden. Hij hoorde de jongste ‘Hij draagt een zwaard!’ mompelen met een stem waarin zich afgrijzen en verachting mengden. Toen liepen de drie vrouwen weg, stonden even stil om de houten schaal op te pakken en verdwenen toen tussen de bomen, voortdurend omkijkend naar Rhand en de anderen.
‘Speervrouwen,’ mompelde Ingtar. ‘Ik had nooit gedacht dat ze zouden stoppen wanneer ze eenmaal zijn gesluierd. Zeker niet na enkele woorden.’ Hij keek Rhand en zijn twee vrienden aan. ‘Jullie zouden eens een aanval van Roodschilden of Steenhonden moeten meemaken. Even gemakkelijk tegen te houden als een lawine.’