Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 139 140 141 142 143 144 145 146 147 ... 203
Перейти на страницу:

‘De Hoorders van de keizerin kunnen overal zijn,’ ging Turak door. ‘Zij kunnen iedereen zijn. Huan werd geboren en grootgebracht in het Huis van Aladon, en zijn familie elf generaties vóór hem, maar zelfs hij zou een Hoorder kunnen zijn.’ De man met de vlecht maakte al half en half een protestgebaar voor hij zich vermande en weer onbeweeglijk stond. ‘Zelfs een hoogheer of een hoogvrouwe kan tot de ontdekking komen dat hun diepste geheimen aan de Hoorders bekend zijn, kan ontwaken in de handen van de Waarheidszoekers. De waarheid is altijd moeilijk te achterhalen, maar de Zoekers sparen pijn noch moeite bij hun naspeuringen, en zij blijven speuren zolang zij denken dat het nodig is. Natuurlijk getroosten zij zich grote moeite om de aan hen toevertrouwde hoogheer of hoogvrouwe niet te laten sterven, want geen mens mag iemand deren in wiens aderen het bloed van Artur Haviksvleugel vloeit. Als de keizerin zo’n dood wenst, wordt de ongelukkige in een zijden zak gestopt, over de rand van de Toren van de Raven gehangen en daar gelaten tot die is weggerot. Aan het Hof van de Negen Manen, in Seandar, zou iemand als jij aan de Zoekers overhandigd worden voor een lichtje van je oog, voor een verkeerd woord, voor het genoegen. Ben je nog steeds begerig?’

Fajin slaagde erin zijn knieën te laten knikken. ‘Ik wens slechts te dienen en raad te geven, hoogheer. Ik heb veel kennis die bruikbaar kan zijn.’ Dat hof in Seandar klonk als een plaats waar zijn plannen en bekwaamheden vruchtbare grond konden vinden. ‘Tot ik naar Seanchan terugzeil, kun je me vermaken met je verhalen over je familie en haar tradities. Het is een opluchting om een tweede man in dit Lichtverzaakte land te hebben gevonden die me kan vermaken, zelfs als jullie beiden leugens vertellen, naar ik vermoed. Je kunt gaan.’ Er werd niets meer gezegd, maar het meisje met het bijna witte haar en het vrijwel doorzichtige gewaad verscheen haastig. Ze knielde met gebogen hoofd naast de hoogheer neer en bood hem een dampende kom op een gelakt dienblad aan. ‘Hoogheer,’ zei Fajin. De man met de vlecht, Huan, greep zijn arm maar hij rukte zich los. Huans mond werd een nijdige streep toen Fajin zijn allerdiepste buiging maakte. Ik ga hem heel langzaam doden, ja. ‘Hoogheer, er zijn lieden die mij achtervolgen. Zij willen de Hoorn van Valere te pakken zien te krijgen. Duistervrienden en erger, hoogheer, en ze liggen slechts een dag of twee op me achter.’ Turak nam een slokje van de zwarte vloeistof uit het dunne kommetje dat hij in evenwicht hield op zijn vingertoppen met de lange nagels. ‘Er zijn slechts weinig Duistervrienden in Seanchan over. Zij die de Waarheidszoekers overleven, vinden de bijl van de beul. Een ontmoeting met een Duistervriend zou vermakelijk kunnen zijn.’

‘Hoogheer, ze zijn gevaarlijk. Ze hebben Trolloks bij zich. Ze worden geleid door iemand die zich Rhand Altor noemt. Een jonge man, maar ongelooflijk verdorven in de Schaduw, met een liegende, sluwe tong. In vele plaatsen heeft hij beweerd vele dingen te zijn, maar waar hij verschijnt, komen de Trolloks, hoogheer. Altijd komen de Trolloks... en doden.’

‘Trolloks,’ peinsde Turak. ‘Er waren geen Trolloks in Seanchan. Maar de Legers van de Nacht hadden andere bondgenoten. Andere dingen. Ik heb me vaak afgevraagd of een grolm een Trollok kan doden. Ik zal naar jouw Trolloks en jouw Duistervrienden laten uitkijken, als dit tenminste geen andere leugen is. Dit land vermoeit me met verveling.’ Hij zuchtte en snoof de damp uit zijn kom op. Fajin liet zich door de grijnzende Huan uit de kamer trekken en luisterde nauwelijks naar de gesnauwde les over wat er zou gebeuren als hij ooit nog eens vergat zich van hoogheer Turaks aanwezigheid terug te trekken na zijn toestemming om weg te gaan. Hij merkte het nauwelijks toen hij op straat werd gezet met een munt en een bevel om de dag erna terug te komen. Rhand Altor was nu de zijne. Ik zal hem eindelijk dood zien. En dan zal de wereld betalen voor wat mij is aangedaan.

Hij giechelde in zichzelf en leidde zijn paard de stad in, op zoek naar een herberg.

35

Stedding Tsofu

Toen Rhand en de anderen een halve dag hadden gereden, maakten de heuvels van de stad Cairhien plaats voor vlakker bosland. De wapenrusting van de Shienaranen lag nog steeds ingepakt op de pakpaarden. Waar zij reden, waren geen wegen, slechts hier en daar een karrenspoor en weinig boerderijen of dorpen. Verin maande hen tot spoed en Ingtar bleef voortdurend brommen. Dat ze werden bedrogen. Dat Fajin nooit zou zeggen waar hij echt naar toe zou gaan, en tegelijk zat hij ook te brommen dat ze van de Kop van Toman wegreden, alsof een deel van hem Fajin geloofde, en de Kop van Toman alleen maar maanden ver weg lag vanwege de weg die ze namen. Maar... Ingtar luisterde wel naar haar. De Grijze Uil wapperde tijdens de rit in de wind.

Rhand reed grimmig en vastberaden door en vermeed gesprekken met Verin. Hij moest dit volbrengen – deze plicht, zoals Ingtar het zou noemen – en dan zou hij voor altijd van de Aes Sedai bevrijd zijn. Perijn scheen iets van zijn stemming te delen; hij staarde onder het rijden recht voor zich uit in het niets. Toen ze voor de nacht halt hielden aan de rand van een woud – het was al bijna helemaal donker geworden – wilde Perijn van Loial meer weten over de stedding. Trolloks zouden een stedding niet binnengaan; zouden wolven het doen? Loial antwoordde kort dat alleen schepsels van de Schaduw een stedding verafschuwden. En natuurlijk Aes Sedai, omdat ze binnen een stedding de Ware Bron niet konden aanraken en de Ene Kracht niet konden geleiden. De Ogier zelf leek met de grootste tegenzin naar stedding Tsofu te gaan. Mart was de enige die wel wilde, bijna wanhopig gretig. Zijn huid zag eruit alsof die al een jaar geen zon had gezien en zijn wangen waren ingevallen, hoewel hij beweerde ieder moment een hardloopwedstrijd te kunnen houden. Voor hij zich in zijn dekens rolde, legde Verin hem haar handen op en dat deed ze opnieuw voor ze opstegen, maar het maakte geen verschil voor zijn uiterlijk. Zelfs Hurin voelde zich niet op z’n gemak als hij naar Mart keek.

Op de tweede dag, de zon stond hoog aan de hemel, schoot Verin opeens op in haar zadel en begon rond te kijken. Ingtar, die naast haar reed, schrok op.

Rhand zag geen verschil met andere bossen. Er stonden weinig struiken en ze hadden gemakkelijk een pad gevonden onder het lover van bomen als eik, noot, zwartgom of berk met hier en daar een hoge spar, lederblad of witte papierbast. Maar toen hij hen volgde, voelde hij plotseling een kilte door zich heen trekken alsof hij midden in de winter in een poel van het Waterwold was gesprongen. De kou flitste door hem heen, verdween en liet een fris gevoel achter. Er was ook een vaag en ver gevoel van verlies, hoewel hij niet kon bedenken van wat.

Iedere ruiter strekte op dat punt even de rug of riep iets. Hurins mond viel open en Uno fluisterde: ‘Bloedige, brandende...’ Toen schudde hij zijn hoofd alsof hij niets meer wist te zeggen. In Perijns gele ogen lag een blik van herkenning.

Loial snoof lang en diep de lucht op en liet die ontsnappen. ‘Het voelt... goed... om terug te zijn in een stedding.’ Rhand keek zoekend om zich heen. Hij had verwacht dat een stedding op de een of andere manier anders zou zijn, maar afgezien van die kille vleug was het woud hetzelfde als dat waar ze de hele dag al in hadden gereden. Natuurlijk merkte hij wel dat hij zich onverwachts uitgerust voelde. Toen stapte er een Ogiermeisje achter een eik vandaan. Ze was kleiner dan Loial – wat betekende dat ze met kop en schouders boven Rhand uitstak – maar ze had dezelfde grote neus en grote ogen, dezelfde brede mond en dezelfde pluimoren. Haar wenkbrauwen waren echter niet zo lang als die van Loial en naast hem leken haar trekken fijner, net als haar oortoefjes. Ze droeg een lang groen gewaad en een groene mantel waarop bloemen waren geborduurd en ze had een bos zilverbellen in haar handen, alsof ze die net had geplukt. Ze keek hen kalm en afwachtend aan. Loial liet zich van zijn paard glijden en maakte haastig een buiging. Rhand en de anderen deden hetzelfde, zij het niet zo snel als Loial. Zelfs Verin neeg even het hoofd. Loial noemde vormelijk hun namen maar gaf niet de naam van zijn eigen stedding. Heel even stond het Ogiermeisje – Rhand wist zeker dat ze niet ouder was dan Loial – hen op te nemen en schonk hun toen een glimlach. ‘Wees welkom in stedding Tsofu.’ Haar stem klonk ook lichter dan die van Loial, als het zachtere gezoem van een kleine hommel. ‘Ik ben Erith, dochter van Iva, dochter van Alar. Wees welkom. We hebben maar weinig menselijke bezoekers ontvangen sinds de steenwerkers Cairhien verlieten, en nu zien we er zoveel tegelijk. Al hebben we natuurlijk wel het Trekkende Volk hier gehad, maar dat is vertrokken toen de... Ach, ik praat te veel. Ik zal u naar de Ouderen brengen. Alleen...’ Haar ogen gleden zoekend langs de mensen alsof ze iemand zocht die de leiding had. Ten slotte besloot ze dat het Verin moest zijn. ‘Aes Sedai, u hebt zoveel mannen bij u, en ze zijn nog gewapend ook. Zou het mogelijk zijn enkelen Buiten te laten, alstublieft? U dient het me te vergeven, maar we voelen ons niet op ons gemak als er veel gewapende mensen tegelijk in de stedding zijn.’

1 ... 139 140 141 142 143 144 145 146 147 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)