De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Tussen de stallen, wagenerven en omheinde paardenweiden schonken de plaatselijke bewoners hem weinig aandacht. Hij vond hen ook niet belangrijk en reed door, de stad in, over de kasseienstraten die afdaalden naar de haven. Hij kon de haven duidelijk zien, met de grote, vreemd gevormde Seanchaanse schepen die er voor anker lagen. Niemand viel hem lastig toen hij rondkeek in straten die niet druk maar ook niet verlaten waren. Hier liepen meer Seanchaanse krijgslieden. De mensen haastten zich met neergeslagen ogen naar hun werk en ze bogen als er krijgslieden voorbijkwamen, maar de Seanchanen letten niet op hen. Oppervlakkig gezien leek het allemaal heel vreedzaam, ondanks de geharnaste Seanchanen in de straten en de schepen in de haven, maar Fajin kon de onderhuidse spanning voelen. Het ging hem altijd voor de wind als mensen gespannen en bang waren.
Hij kwam bij een groot huis waarvoor ruim tien krijgslieden op wacht stonden. Hier steeg Fajin af. Afgezien van een man die het bevel voerde, droegen de meesten een onversierde, zwarte wapenrusting en hun helmen deden hem denken aan sprinkhaankoppen. Twee beesten met een leerachtige huid, drie ogen en een hoornige snavel in plaats van een bek stonden als ineengedoken kikkers aan beide kanten van de poort. De soldaten naast deze schepsels hadden drie geschilderde ogen op hun borstplaat. Fajin bekeek de banier met de blauwe rand die boven het dak wapperde. Een havik met gespreide vleugels die bliksemflitsen vasthield. Hij grinnikte in zichzelf. Aan de overkant van de straat liepen vrouwen in en uit een huis; vrouwen die met zilveren lijnen aan elkaar vastzaten, maar hij negeerde hen. Van de dorpelingen had hij over de damane gehoord. Ze konden later van nut zijn, niet nu.
De soldaten keken naar hem, vooral hun officier, wiens wapenrusting goud, rood en groen toonde.
Fajin dwong zich nederig te glimlachen en boog diep. ‘Heren, ik heb hier iets waar uw grote heer zeer zeker belang in zal stellen. Ik verzeker u dat hij dit en mij persoonlijk zal willen zien.’ Hij gebaarde naar de hoekige vorm op zijn pakpaard, die nog steeds in de grote, gestreepte deken was gewikkeld waarin zijn mensen hem hadden gevonden.
De man bekeek hem van top tot teen. ‘U klinkt alsof u vreemd bent in dit land. Hebt u de geloften afgelegd?’
‘Ik gehoorzaam, ben gereed en zal dienen,’ antwoordde Fajin gladjes. Elke ondervraagde had hem over de geloften verteld, hoewel niemand ze had begrepen. Als deze mensen een gelofte wilden, was hij bereid van alles te zweren. Hij was allang de tel kwijt van zijn gezworen geloften.
De officier gebaarde twee mannen te kijken wat er onder de deken zat. Er klonken verraste kreten over het gewicht toen ze het pak van het zadel tilden; kreten die overgingen in diepe zuchten toen ze de deken wegtrokken. De officier staarde uitdrukkingsloos naar de met zilver ingelegde gouden kist die op de kasseien stond en keek toen Fajin aan. ‘Een geschenk dat de keizerin zelf waardig is. Kom met me mee.’
Een soldaat onderzocht Fajin ruw, maar hij duldde het zwijgend. Het viel hem op dat de officier en de twee soldaten die de kist oppakten, hun zwaarden en dolken afgaven voordat ze naar binnen gingen. Alles wat hij over deze mensen kon leren, hoe weinig ook, kon helpen, hoewel hij alle vertrouwen in zijn plan had. Hij was altijd zelfverzekerd, helemaal als hoge heren een aanslag van hun eigen volgelingen vreesden.
Toen ze door de deuropening gingen, keek de officier hem verbaasd aan en even vroeg Fajin zich af waarom. Natuurlijk, de beesten. Wat ze ook waren, ze waren beslist niet erger dan Trolloks en niets vergeleken met een Myrddraal. Hij had ze niet de moeite van een tweede blik waard gevonden. Het was nu te laat om te doen alsof hij er bang voor was. Maar de Seanchaan zei niets en leidde hem verder het huis in.
Onverwachts moest Fajin met zijn gezicht op de vloer neerknielen in een kamer zonder meubels behalve kamerschermen die de muren verborgen, terwijl de officier hoogheer Turak inlichtte over hem en zijn geschenk. Dienaren brachten een tafel voor de kist naar binnen, zodat de hoogheer niet hoefde te bukken. Alles wat Fajin van hen zag, waren bedrijvige sloffen. Vol ongeduld wachtte hij. Uiteindelijk zou er een tijd komen waarin niet hij degene was die boog. Toen werden de soldaten weggestuurd en mocht Fajin opstaan. Dat deed hij langzaam terwijl hij de hoogheer opnam, met zijn geschoren hoofd, zijn lange vingernagels en zijn blauwzijden gewaad met brokaatbloemen. Hij bestudeerde ook de man die naast hem stond, die de ongeschoren helft van zijn lichte haar in een lange vlecht droeg. Fajin was er zeker van dat de kerel in het groen, hoe machtig ook, slechts een dienaar was, maar dienaren konden nuttig zijn, vooral als zij bij hun meester in hoog aanzien stonden. ‘Een schitterend geschenk.’ Turak sloeg zijn ogen op van de kist en keek Fajin aan. Er dreef een geur van rozen van de hoogheer naderbij. ‘Maar onherroepelijk dient de vraag zich aan: hoe komt iemand als u aan een kist die vele lagere heren zich niet kunnen veroorloven? Bent u een dief?’
Fajin trok aan zijn versleten, niet al te schone mantel. ‘Soms, hoogheer, dient een man zo te verschijnen dat hij minder lijkt dan hij is. Mijn huidige sjofele voorkomen gaf mij de kans dit naar u toe te brengen zonder lastig gevallen te worden. Deze kist is oud, hoogheer, zo oud als de Eeuw der Legenden, en hij bevat een schat die slechts weinigen hebben aanschouwd. Spoedig, heel spoedig, hoogheer, zal ik in staat zijn de kist te openen en u datgene te geven dat u in staat stelt dit land te veroveren. Zo ver als u wenst, tot aan de Rug van de Wereld, de Aielwoestenij, de landen erachter. Niets kan u weerstaan, hoogheer, als ik...’ Hij zweeg toen Turak zijn vingers over de kist liet glijden.
‘Ik heb kisten als deze gezien, kisten uit de Eeuw der Legenden,’ zei de hoogheer, ‘hoewel geen zo fraai als deze. Ze kunnen alleen geopend worden door iemand die het mechaniek kent, maar ik... aha!’ Hij drukte tussen de versierde krullen en knoppen. Er klonk een scherpe ‘klik’ en hij sloeg het deksel open. Een flits van wat teleurstelling kon zijn, gleed over zijn gezicht.
Fajin beet de binnenkant van zijn wang tot bloedens toe om een snauw te onderdrukken. Dat hijzelf de kist niet open had kunnen krijgen, verslechterde zijn onderhandelingspositie. Toch kon de rest nog steeds verlopen zoals hij het had bedacht, mits hij enig geduld bezat. Maar hij was al zo lang geduldig gebleven. ‘Dit zijn schatten uit de Eeuw der Legenden?’ zei Turak en nam er met de ene hand de gedraaide Hoorn en met de andere de kromme dolk met de robijn in zijn gouden greep uit. Fajin perste zijn handen tot vuisten in zijn zij om de dolk niet te grijpen. ‘De Eeuw der Legenden,’ herhaalde Turak zacht, terwijl hij met de punt van de dolk het zilveren schrift volgde dat was ingelegd rond de gouden beker van de Hoorn. Zijn wenkbrauwen gingen verbaasd omhoog. Het was de eerste keer dat Fajin iets uit Turaks gezicht kon opmaken, maar het volgende ogenblik stond dat weer even kalm als tevoren. ‘Heb je enig idee wat dit is?’
‘De Hoorn van Valere, hoogheer,’ zei Fajin gladjes. Hij zag met genoegen hoe de mond van de man met de vlecht openviel. Turak knikte bij zichzelf.
De hoogheer wendde zich af. Fajin knipperde met zijn ogen en wilde iets zeggen, maar de blonde man maakte een kort gebaar, waarna Fajin de hoogheer zwijgend volgde.
Ze kwamen in een ander vertrek, waar alle oorspronkelijke meubels vervangen waren door kamerschermen en een enkele stoel, die tegenover een hoge, ronde kast stond. Turak hield nog steeds de Hoorn en de dolk vast, keek naar de kast en wendde zijn blik af. Hij zei niets, maar de andere Seanchaan deelde snel bevelen uit en enkele ogenblikken later verschenen er mannen uit een deur achter een van de schermen, gekleed in simpele wollen kledij. Ze droegen een tweede kleine tafel. Achter hen aan kwam een jonge vrouw met haar dat zo licht was dat het wel wit leek. Ze had haar armen vol met kleine, gepolijste, houten standaards van verschillende grootte en vorm. Haar gewaad was van witte zijde en zo dun dat Fajin haar lichaam er duidelijk doorheen zag schemeren, maar hij had alleen oog voor de dolk. De Hoorn diende een doel, maar de dolk was een deel van hemzelf.