De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Ze zouden het Pact niet schenden, nadat ze eraan werden herinnerd,’ zei Erith glimlachend. ‘Ze zijn hier voor zanghout.’ Er klonk iets van trots in haar stem door. ‘Wij hebben twee Boomzangers in stedding Tsofu. Die zijn zeldzaam. Ik heb gehoord dat stedding Shangtai een jonge Boomzanger met heel veel aanleg heeft, maar wij hebben er twee.’ Loial werd rood maar ze leek het niet te merken. ‘Als jullie
met me meekomen, zal ik je laten zien waar jullie kunnen wachten tot de Ouderen hebben gesproken.’
Toen ze haar volgden, fluisterde Perijn: ‘Zanghout. Aan m’n zolen. Die Aiel zoeken Hij die komt met de Dageraad.’ En Mart voegde er droogjes aan toe: ‘Ze zijn op zoek naar jou, Rhand.’
‘Mij? Dat is onzin. Waarom denken jullie...’
Hij zweeg plots toen Erith een trap afdaalde van een met wilde planten overwoekerd huis dat blijkbaar voor menselijke gasten werd vrijgehouden. De vertrekken maten twintig pas van de ene steenwand naar de andere, met geschilderde zolderingen die ruim twee stap hoog waren, maar de Ogier hadden hun best gedaan iets te maken waar mensen zich op hun gemak zouden voelen. Desondanks waren de meubelstukken te groot om er lekker in te zitten, de stoelen zo hoog dat hun voeten niet bij de vloer konden komen en was de tafel nog hoger dan Rhands middel. Hurin kon rechtop de stenen haard inlopen die door water leek te zijn uitgeslepen. Erith keek met enige twijfel naar Loial, maar hij wuifde haar bezorgdheid weg en zette een stoel in de hoek die vanuit de deuropening het minst zichtbaar was. Zodra de Ogiervrouw weg was, trok Rhand Mart en Perijn opzij. ‘Wat bedoelen jullie met: op zoek naar mij? Waarom? Waarvoor? Ze keken me recht in m’n gezicht en liepen weg.’
‘Ze keken je aan,’ zei Mart met een grijns, ‘of je een maand lang niet in bad bent geweest en bovendien in een schapenkuip hebt gelegen tegen luis.’ Zijn grijns verdween. ‘Maar ze kunnen best naar jou op zoek zijn. We hebben al eerder een Aiel ontmoet.’ Rhand luisterde met groeiende verbazing naar hun verslag van de ontmoeting in Therins Dolk. Mart was het meest aan het woord, terwijl Perijn zo nu en dan een woord verbeterde als hij het verhaal te veel verfraaide. Mart maakte er een echt speelmansverhaal van: hoe gevaarlijk de Aielman was geweest en hoe de ontmoeting bijna op een gevecht was uitgelopen.
‘Nou, en omdat jij de enige Aiel bent die we kennen,’ besloot hij, ‘zou jij het kunnen zijn. Ingtar zei dat Aiel nooit buiten de Woestenij leven, dus moet jij de enige zijn.’
‘Ik vind dat niet grappig, Mart,’ gromde Rhand. ‘Ik ben geen Aiel.’ De Amyrlin Zetel heeft gezegd van wel. Ingtar denkt dat je er een bent. Tham zei... Die was ziek, had koorts. Ze hadden hem ontworteld, hem van zijn afstamming beroofd. Allebei, zowel de Amyrlin als Tham, hoewel Tham veel te ziek was geweest om nog te weten wat hij zei. Ze hadden hem losgesneden, waardoor hij werd meegevoerd met de wind en hem toen een nieuw soort houvast aangeboden. Valse Draak. Aiel. Op zulke wortels wilde hij geen aanspraak maken. Dat deed hij niet. ‘Misschien hoor ik bij niemand. Maar Tweewater is het enige thuis dat ik ken.’
‘Ik bedoelde er niks mee,’ protesteerde Mart. ‘Alleen... Bloedvuur. Ingtar zegt dat je het bent. Masema zegt dat je het bent. Urien zou je neef kunnen zijn en als Rhian een lange rok aantrekt en zegt dat ze je tante is, zou je het zelf ook geloven. O, goed, goed. Kijk me niet zo aan, Perijn. Als hij wil zeggen dat hij het niet is, best dan. Wat maakt het trouwens uit?’ Perijn schudde het hoofd. Ogiermeisjes brachten water en handdoeken om hun gezicht en handen te wassen en kaas, vruchten en wijn in tinnen bekers die net te groot waren om lekker in de hand te liggen. Er verschenen ook andere Ogiervrouwen en ze droegen allemaal een gewaad met borduursel. Ze verschenen een voor een, een stuk of tien, en allen kwamen vragen of alles in orde was en of ze iets nodig hadden. En echt iedereen schonk Loial vlak voor ze weggingen alle aandacht. Hij gaf heel beleefd antwoord, maar in de kortste zinnen die Rhand ooit van hem had gehoord, terwijl hij rechtop stond, met een in hout gebonden boek als een schild voor de borst. Als ze vertrokken, dook hij weg in zijn stoel met het boek vlak voor zijn gezicht. De afmetingen van de boeken in het huis waren niet aan mensen aangepast. ‘Moet u die lucht ruiken, heer Rhand,’ zei Hurin terwijl hij met een glimlach zijn longen vulde. Zijn voeten bungelden van een van de stoelen aan de tafel. Hij zwaaide ze als een jongetje heen en weer. ‘Ik ken veel plaatsen die geen slechte geur hebben, maar deze hier... Heer Rhand, ik denk niet dat hier ooit één moord heeft plaatsgevonden. Ik denk dat zelfs niemand hier ooit gewond is geraakt, tenzij per ongeluk.’
‘Men neemt aan dat de steddings voor iedereen veilig zijn,’ zei Rhand. Hij stond naar Loial te kijken. ‘Dat zeggen de verhalen tenminste.’ Hij slikte een laatste stukje kaas door en liep naar de Ogier toe. Mart volgde hem met een beker in de hand. ‘Wat is er aan de hand, Loial?’ vroeg Rhand. ‘Al vanaf het moment dat we hier kwamen, ben je zo zenuwachtig als een kat in een hondenhok.’
‘O, niets,’ zei Loial en loerde vanuit zijn ooghoeken ongerust naar de deur.
‘Ben je bang dat ze ontdekken dat je zonder toestemming van jouw Ouderen uit stedding Shangtai bent vertrokken?’ Loials ogen schoten heen en weer en de toefjes op zijn oren trilden. ‘Zeg dat niet,’ siste hij. ‘Niet waar iedereen het kan horen. Als ze dat ontdekken...’ Met een diepe zucht schoof hij in zijn stoel achteruit en keek van Rhand naar Mart. ‘Ik weet niet hoe mensen het doen, maar bij de Ogier... Als een meisje een jongen ziet die ze leuk vindt, gaat ze naar haar moeder. Of soms ziet de moeder iemand die volgens haar geschikt is. In ieder geval, als ze het eens zijn, gaat de moeder van het meisje naar de moeder van de jongen en voor de jongen het goed en wel beseft, is zijn bruiloft helemaal geregeld.’
‘Heeft de jongen daar helemaal niets in te zeggen?’ vroeg Mart ongelovig.
‘Niets. De vrouwen zeggen altijd dat als het aan ons lag, wij ons hele leven getrouwd zouden zijn met de bomen.’ Loial verschoof in de stoel en grijnsde. ‘De helft van onze bruiloften vindt plaats tussen steddings. Groepen jonge Ogier trekken van stedding naar stedding, zodat ze kunnen rondkijken en gezien worden. Als ze ontdekken dat ik zonder toestemming Buiten ben, zullen de Ouderen bijna zeker beslissen dat ik een vrouw nodig heb om wat bezadigder te worden. Voor ik het weet, sturen ze een bericht naar mijn moeder in stedding Shangtai. Dan komt zij hierheen en regelt een bruiloft voor me voor ze het stof van de reis heeft weggewassen. Ze heeft steeds gezegd dat ik te haastig ben en een vrouw nodig heb. Ik denk dat ze al voor mijn vertrek aan het rondkijken was. En welke vrouw ze ook voor me kiest... tja, geen enkele vrouw zal mij naar Buiten laten gaan tot ik wat grijs in mijn baard heb. De vrouwen zeggen altijd dat geen enkele man naar Buiten mag voor hij bezadigd genoeg is om zich te kunnen beheersen.’
Mart lachte bulderend, zodat alle hoofden zich omdraaiden, maar toen Loial verwoed gebaarde, praatte hij zachtjes. ‘Bij ons kiezen de mannen, en geen enkele vrouw kan een man tegenhouden als hij iets wil doen.’
Rhand dacht diep na en herinnerde zich hoe Egwene hem achterna was gaan lopen toen ze allebei nog klein waren. Toen kreeg vrouw Alveren ook meer dan gewone belangstelling voor hem, meer dan voor elke andere jongen. Daarna dansten sommige meisjes op feestdagen wel met hem en anderen niet, en de eersten waren altijd vriendinnen van Egwene, terwijl de tweede groep meisjes waren die Egwene niet mocht. Hij meende zich ook nog te herinneren dat vrouw Alveren Tham apart had genomen – mompelend dat ze liever met Thams vrouw had gepraat! – en daarna hadden Tham en alle anderen net gedaan alsof hij en Egwene een paar vormden, ook al hadden ze nooit geknield in de vrouwenkring hun belofte uitgesproken. Hij had er zo nooit eerder over gedacht. Hij had altijd de indruk gehad dat alles tussen Egwene en hem heel gewoon was en dat was dat.