De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Alar liet haar adem bevend ontsnappen. ‘Machin Shin! Zo dichtbij!’
‘Het probeerde niet naar buiten te komen,’ zei Rhand. Juin maakte een verstikt geluid.
‘Ik heb het je gezegd,’ zei Verin. ‘De Zwarte Wind is een schepsel van de wegen. Het kan er niet vanaf.’ Ze klonk kalm, maar ze bleef haar handen aan haar rok afvegen. Rhand wilde iets zeggen en gaf het toen op. ‘Toch ben ik verbaasd dat het hier is,’ ging ze door. ‘Eerst in Cairhien, nu hier. Ik ben verbaasd.’ Ze keek Rhand zijdelings aan, zodat hij opveerde. De blik gleed echter zo snel weer verder dat hij dacht dat niemand anders het had gezien, maar Rhand kreeg de indruk dat zij verband legde russen hem en de Zwarte Wind. ‘Hier heb ik nog nooit van gehoord,’ zei Alar langzaam. ‘Dat Machin Shin al ligt te wachten als een poort wordt geopend. Het heeft altijd willekeurig over de wegen gezworven. Maar het is lang geleden en misschien hongert de Zwarte Wind naar voedsel en hoopt het iemand te vangen die onachtzaam een poort betreedt. Verin, deze poort kunnen jullie nu zeker niet gebruiken. En hoe groot je nood ook is, ik kan niet zeggen dat het me spijt. De wegen behoren de Schaduw.’
Rhand stond diep nadenkend naar de poort te kijken. Kan het zijn dat het mij volgt? Er waren te veel vragen. Had Fajin op de een of andere manier macht over Machin Shin? Verin zei dat dat niet kon. En waarom zou Fajin eisen dat Rhand achter hem aan kwam en vervolgens proberen hem tegen te houden? Hij wist alleen dat hij de boodschap geloofde. Hij moest naar de Kop van Toman. Al moesten ze nu op stom toeval vertrouwen om de Hoorn van Valere en de dolk van Mart te vinden, hij moest erheen.
Verin staarde peinzend voor zich uit. Mart zat op de stenen wal met zijn hoofd in zijn handen en Perijn keek bezorgd naar hem. Loial leek opgelucht dat ze de saidinwegen niet konden gebruiken, beschaamd dat hij opgelucht was.
‘Hier hebben we verder niets meer te zoeken,’ verkondigde Ingtar. ‘Verin Sedai, ik heb u tegen beter weten in gevolgd, maar ik kan u nu niet langer volgen. Ik ben van plan naar Cairhien terug te keren. Barthanes kan me vertellen waar de Duistervrienden heen zijn en ik ga er hoe dan ook voor zorgen dat hij het me zegt.’
‘Fajin is naar de Kop van Toman,’ zei Rhand behoedzaam. ‘En waar hij is, daar zijn de Hoorn en de dolk.’
‘Ik neem aan...’ Perijn haalde weifelend zijn schouders op. ‘Ik neem aan dat we een andere saidinpoort zouden kunnen proberen. In een andere stedding?’
Loial wreef langs zijn kin en sprak snel, alsof hij goed wilde maken dat hij zich opgelucht had getoond toen het hier niet ging. ‘Stedding Cantoine ligt net ten noorden van de Iralel en stedding Taijing ligt ten oosten daarvan, in de Rug van de Wereld. Maar de poort in Caemlin, waar de gaarde was, is dichterbij, en de poort bij de gaarde van Tar Valon is het snelst te bereiken.’
‘Welke poort we ook proberen te gebruiken,’ zei Verin afwezig, ‘ik ben bang dat we overal Machin Shin zullen aantreffen.’ Alar keek haar vragend aan, maar de Aes Sedai zei verder niets. In plaats daarvan stond ze in zichzelf te mompelen en schudde haar hoofd alsof ze met zichzelf stond te ruziën.
‘Wat we nodig hebben,’ zei Hurin beschroomd, ‘is een van die Portaalstenen.’ Hij keek van Alar naar Verin en toen geen van beiden hem zei zijn mond te houden, sprak hij met steeds meer zelfvertrouwen verder. ‘Vrouwe Selene zei dat de Aes Sedai van vroeger die werelden hadden bestudeerd en dat zij op die manier wisten hoe ze de saidinwegen konden maken. En die plaats waar wij waren... nou ja, het kostte ons maar twee dagen, nog minder, om wel honderd roeden te rijden. Als we een Portaalsteen kunnen gebruiken om naar die wereld te gaan, of net zo’n wereld, of welke wereld dan ook... Nou ja, we zouden niet meer dan een week of twee nodig hebben om de Arythische Oceaan te bereiken en we zouden meteen op de Kop van Toman kunnen terugstappen. Misschien gaat het niet zo snel als over de saidinwegen, maar het is Licht-nog-aan-toe sneller dan naar het westen te rijden. Wat vindt u ervan, heer Ingtar? Heer Rhand?’
Verin gaf hem antwoord. ‘Wat je voorstelt, zou misschien best kunnen, snuiver, maar de kans dat we Machin Shin uit deze poort verdwijnt is even groot als het vinden van een Portaalsteen. Ik ken er maar één en die staat in de Aielwoestenij. Al zouden we wel terug kunnen rijden naar Therins Dolk, als jij, Rhand of Loial denkt dat je die Steen daar kunt terugvinden.’
Rhand keek naar Mart. Zijn vriend zat met opgeheven hoofd hoopvol naar het gesprek te luisteren. Enkele weken, had Verin gezegd. Als ze gewoon naar het westen reden, zou Mart de Kop van Toman nooit levend bereiken.
‘Ik kan hem vinden,’ zei Rhand met tegenzin. Hij schaamde zich. Mart - gaat dood, Duistervrienden hebben de Hoorn van Valere, Fajin zal Emondsveld kwaad doen als je hem niet achterna gaat en jij bent bang de Kracht te geleiden. Eenmaal om erheen te gaan en eenmaal om terug te komen. Twee keer meer zal je niet krankzinnig maken. Wat hem echter vooral bang maakte, was dat gretige verlangen in hem om te geleiden, om die alles vervullende Kracht te voelen, om het echte leven te voelen.
‘Ik begrijp dit niet,’ zei Alar langzaam. ‘De Portaalstenen zijn sinds de Eeuw der Legenden niet meer gebruikt. Volgens mij weet geen levend mens hoe ze moeten worden gebruikt.’
‘De Bruine Ajah weet veel,’ zei Verin droog, ‘en ik weet hoe de Stenen gebruikt kunnen worden.’
De Oudste knikte. ‘De Witte Toren kent waarlijk wonderen waar wij niet van dromen. Maar als jullie een Portaalsteen kunnen gebruiken, dan hoeven jullie niet naar Therins Dolk te rijden. Niet ver hier vandaan staat zo’n Steen.’
‘Het Rad weeft wat het Rad wil en het Patroon verschaft waar de nood zich voordoet.’ De verstrooide blik was ineens van Verins gezicht verdwenen. ‘Breng ons erheen,’ zei ze bruusk. ‘We hebben al meer dan genoeg tijd verloren.’
37
Wat zou kunnen zijn
Alar stapte waardig voor hen weg van de saidinpoort, maar Juin leek veel gretiger om de poort achter zich te laten. Mart leek tenminste nog nieuwsgierig naar wat er stond te gebeuren en Hurin leek vol vertrouwen, terwijl Loial zich vooral zorgen leek te maken over het feit dat Alar van gedachte zou veranderen over zijn meereizen. Rhand haastte zich niet toen hij Rood aan de teugels meetrok. Hij dacht niet dat Verin van plan was zelf de Steen te gebruiken. De grijze steenzuil rees op nabij een beuk van honderd voet hoog en vier pas dik. Als Rhand de Grote Bomen niet eerder had gezien, zou hij dit een grote boom hebben gevonden. Hier stond geen waarschuwende omheining, hier waren slechts enkele wilde bloemen die zich door de kruimelige bosgrond hadden heen gewerkt. De Portaalsteen zelf was verweerd, maar de tekens erop konden nog duidelijk worden onderscheiden.
De Shienaraanse soldaten te paard vormden een slordige cirkel rond de Steen en de anderen sloten zich meer of minder bij de cirkel aan. ‘We hebben hem weer opgericht,’ zei Alar, ‘toen we hem vele jaren geleden vonden. We hebben hem echter niet verplaatst. Hij... leek... niet verplaatst te willen worden.’ Ze liep er recht op af en legde een grote hand op de Steen, ik heb het altijd een teken gevonden van wat verloren ging, van wat vergeten is. In de Eeuw der Legenden kon men hem bestuderen en tot op zekere hoogte begrijpen. Voor ons is het niet meer dan een rotsblok.’