De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
De Oudste knikte. ‘De Hoorn van Valere. Ik weet niet welk nieuws het ergste is. Dat de Hoorn in handen van Duistervrienden is of dat de Hoorn is teruggevonden.’ Ze keek de rij Ouderen langs. Ze knikten beurtelings instemmend, al zat een van de mannen eerst wat weifelend aan zijn baard te plukken. ‘Goed dan. Verin heeft me gezegd dat de tijd dringt. Ik zal jullie zelf naar de saidinpoort brengen.’ Rhand voelde zich half opgelucht en half bang, toen ze er opeens aan toevoegde: ‘Jullie hebben een jonge Ogier bij je. Loial, zoon van Arent, zoon van Halan, uit stedding Shangtai. Hij is ver van huis.’
‘We hebben hem nodig,’ zei Rhand snel. Hij sprak wat langzamer toen hij de verbaasde ogen van de Ouderen en Verin zag, maar hij ging koppig door. ‘Het is nodig dat hij met ons meegaat en hij wil het zelf ook.’
‘Loial is een vriend,’ zei Perijn, en bijna op hetzelfde moment merkte Mart op: ‘Hij loopt ons niet voor de voeten en hij zorgt voor zichzelf.’ Geen van beiden leek zich echt op zijn gemak te voelen toen de Ouderen hen scherp aankeken, maar ze krabbelden evenmin terug. ‘Bestaat er een reden waarom hij niet met ons mee kan?’ vroeg Ingtar. ‘Mart heeft het al gezegd: hij zorgt voor zichzelf. Ik weet niet of we hem nodig hebben, maar als hij mee wil, waarom...’
‘We hebben hem nodig,’ onderbrak Verin hem gladjes. ‘Slechts enkelen kennen de saidinwegen, maar Loial heeft ze bestudeerd. Hij kan de wegwijzers ontcijferen.’
Alar keek hen een voor een aan en eindigde toen met een lange blik op Rhand. Ze zag eruit of ze dingen wist. Alle Ouderen hadden dat, maar zij in het bijzonder. ‘Verin zegt dat je ta’veren bent,’ zei ze eindelijk, ‘en ik kan het in je voelen. Dat ik dat kan, betekent dat je inderdaad heel sterk ta’veren moet zijn, want deze aanleg komt bij ons maar heel zwak voor, als het al voorkomt. Heb je Loial, zoon van Arent, zoon van Halan, in ta’maral’ailen getrokken? Het web dat het Patroon om je heen weeft?’
‘Ik... ik wil alleen de Hoorn vinden en...’ Rhand liet de rest ongezegd. Alar had het niet over Marts dolk gehad. Hij wist niet of Verin het aan de Ouderen had verteld of het misschien om de een of andere reden had verzwegen. ‘Hij is mijn vriend, Oudste.’
‘Je vriend,’ zei Alar. ‘Naar onze maatstaven is hij nog jong. Jij bent ook jong, maar ta’veren. Je dient voor hem te zorgen en als het web voltooid is, zul je ervoor zorgen dat hij weer veilig thuis komt in stedding Shangtai.’
‘Dat zal ik,’ zei hij haar. Het had het gevoel van een belofte, het afleggen van een eed.
‘Dan gaan we nu naar de saidinpoort.’
Buiten stond Loial snel op toen ze verschenen, Alar en Verin voorop. Ingtar stuurde Hurin snel naar Uno om hem en de andere krijgslieden op te halen. Loial nam de Oudste behoedzaam op en ging achter in de stoet naast Rhand lopen. De vrouwen die naar hem hadden staan kijken, waren allemaal verdwenen. ‘Hebben de Ouderen nog iets over mij gezegd? Heeft ze...’ Hij gluurde naar de brede rug van Alar toen ze Juin opdracht gaf hun paarden te halen. Ze begaf zich met Verin al op weg toen Juin zich met diepe buigingen terugtrok. De Oudste voerde met gebogen hoofd een fluisterend gesprek met de Aes Sedai.
‘Ze heeft Rhand gezegd voor jou te zorgen,’ vertelde Mart gewichtig aan Loial toen ze de anderen volgden. ‘En hij moet ervoor zorgen dat je heel zoet en lief weer naar huis gaat. Ik begrijp niet waarom je niet hier blijft om te trouwen.’
‘Ze heeft gezegd dat je met ons mee mocht.’ Rhand wierp Mart een woeste blik toe, waardoor Mart zachtjes begon te grinniken. Het klonk vreemd, nu Marts gezicht zo ingevallen was. Loial rolde het stengeltje van een liefdeshartje tussen zijn vingers heen en weer. ‘Ben je bloemen gaan plukken?’ vroeg Rhand.
‘Die heb ik van Erith gekregen.’ Loial keek naar de ronddraaiende gele blaadjes. ‘Ze is echt heel knap, ook al ziet Mart dat niet.’
‘Bedoel je dat je eigenlijk toch liever niet met ons mee wilt?’ Loial schrok op. ‘Wat? O, nee. Ik bedoel, ja. Ik wil wel mee. Ze heeft me alleen een bloem gegeven. Alleen een bloem.’ Hij pakte echter een boek uit zijn zak en vleide de bloem onder de omslag. Toen hij het boek terugstopte, mompelde hij iets in zichzelf dat Rhand nog net kon horen. ‘En ze heeft ook gezegd dat ik knap was.’ Marts adem ontsnapte gierend, hij sloeg dubbel en wankelde verder terwijl hij
zijn buik vasthield. Loials wangen kregen een diepe kleur. ‘Nou ja, zij heeft het gezegd. Ik niet.’
Perijn gaf met zijn knokkels een snelle roffel op Marts hoofd. ‘Niemand heeft Mart ooit knap genoemd. Hij is gewoon jaloers.’
‘Dat is niet waar,’ zei Mart, die snel rechtop ging staan. ‘Neysa Ayellin vindt me knap. Dat heeft ze me vaak gezegd.’ is Neysa mooi,’ vroeg Loial.
‘Ze ziet eruit als een geit,’ zei Perijn minzaam. Mart stikte haast in zijn pogingen het te ontkennen.
Rhand moest ondanks alles grinniken. Neysa Ayellin was bijna even knap als Egwene. Dit leek bijna weer op vroeger, het leek bijna of ze thuis waren, dat ze de gek met elkaar staken en er niets belangrijkers ter wereld was dan een lach en een plagerij. Terwijl ze door de stad liepen, begroetten de Ogier de Oudste met een buiging of een knix terwijl ze de mensen nieuwsgierig opnamen. Het strakke gezicht van Alar weerhield ze echter van een praatje. Pas toen de mensen geen heuvels en aarden bergen meer zagen, merkten ze dat ze de stad uit waren. Ze zagen nog steeds Ogier, die bomen onderzochten of soms met een riek, zaag of bijl aan het werk waren om dode takken weg te halen bij een boom die meer licht nodig had. Ze voerden hun taak heel voorzichtig uit.
Juin voegde zich met hun paarden bij hen en Hurin kwam aangereden met Uno, de andere krijgslieden en de pakpaarden. Op dat moment wees Alar en zei: ‘Daarginds is het.’ Hun vriendschappelijke geplaag verstierf meteen.
Rhand keek verbaasd rond. De saidinpoort moest toch buiten de stedding zijn? De wegen waren met de Ene Kracht aangelegd, dus konden ze niet daarbinnen zijn gemaakt, maar nergens was een grens aangegeven. Toen besefte hij dat er een verschil bestond: het gevoel van verlies dat hij na het binnengaan van de stedding had gehad, was verdwenen. Dat veroorzaakte weer een ander soort rilling. Saidin was er weer. Wachtend.
Alar leidde hen langs een hoge eik en daar stond op een kleine open plek de grote steenplaat van de poort. De voorkant was prachtig bewerkt met in elkaar verweven ranken en bladeren van wel honderd verschillende planten. Aan de rand van de open plek hadden de Ogier een lage stenen wal gebouwd die eruitzag als een cirkel van takken. Toen Rhand dat zag, voelde hij zich niet op zijn gemak. Het duurde even voor het tot hem doordrong dat de takken nabootsingen waren van braamstruiken, doornheide, brandblad en stekeleik. Niet het soort struiken waar iemand graag in verward zou willen raken. Vlak voor de stenen wal bleef de Oudste staan. ‘De muur is een waarschuwing voor wie hier komt. Niet dat velen van ons dat doen. Ik zal hem niet passeren. Maar u mag het.’ Juin bleef nog verder weg staan dan Alar. Hij bleef maar over de voorkant van zijn jas wrijven en waagde het niet naar de saidinpoort te kijken. ‘Dank u,’ zei Verin tegen Alar. ‘De nood is groot, anders zou ik het niet hebben gevraagd.’
Rhand verstrakte toen de Aes Sedai over de stenen afscheiding stapte en de poort naderde. Loial haalde diep adem en stond in zichzelf te mompelen. Uno en de andere krijgslieden schoven heen en weer in hun zadels en maakten hun zwaarden wat losser in de schede. Op de wegen bevond zich niets waartegen een zwaard van nut was, maar zo konden ze zichzelf ervan overtuigen dat ze er klaar voor waren. Alleen Ingtar en de Aes Sedai leken kalm; zelfs Alar hield haar rok met beide handen vast.
Verin pakte het Avendesorablad en Rhand boog zich gespannen naar voren. Hij voelde de behoefte de leegte aan te nemen, om saidin te kunnen bereiken als hij die nodig had.
Het lover dat op de saidinpoort stond gebeeldhouwd, leek te bewegen in een ongevoeld briesje, de bladeren leken te ritselen toen midden in de rots een kier verscheen en de twee helften openzwaaiden. Rhand keek strak naar de kier. Ook nu was er geen dofzilveren weerspiegeling achter te zien, alleen een zwartheid die nog zwarter was dan pek. ‘Doe dicht!’ riep hij. ‘De Zwarte Wind! Doe dicht!’ Na een geschrokken blik stak Verin het drievingerige blad weer tussen de andere bladeren terug. Het blad bleef zitten toen ze haar hand terugtrok en naar de stenen wal terugliep. Zodra het Avendesorablad was teruggeplaatst, begon de poort zich onmiddellijk te sluiten. De kier verdween, ranken en bladeren smolten aaneen en verborgen het zwart van Machin Shin. Wederom was de saidinpoort slechts een stenen rotswand, hoewel de steenplaat een bijna levensechte gelijkenis van natuur nabootste.