De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
De donkere ogen van de officier flitsten naar links en rechts alsof hij naar anderen zocht, zonder Mart een kans op ontsnapping te gunnen. ‘Hoe ben je in deze tuin gekomen?’ Hij trok zijn zwaard niet verder, maar hij stopte het ook niet terug in de schede. ‘Elbar staat aan de hoofdpoort. Hij is een dwaas, maar hij zou niemand zomaar in het paleis laten rondlopen.’
‘Een dikke man met rattenoogjes?’ Mart vervloekte zijn tong, maar de officier knikte kort. Hij glimlachte bijna, maar scheen er niet minder waakzaam of achterdochtig door. ‘Hij werd kwaad toen hij hoorde dat ik uit Tar Valon kwam en gaf me geen kans om de brief te tonen of de naam van de erfdochter te noemen. Hij zei dat hij me zou laten oppakken als ik niet weg zou gaan, dus ben ik over de muur geklommen. Ik heb gezegd dat ik deze brief aan koningin Morgase zelf zou geven, kapitein. Ik doe altijd wat ik beloof. Ziet u het zegel?’
‘Die stomme tuinmuur weer,’ mompelde de officier. ‘Die had drie keer zo hoog moeten worden gebouwd.’ Hij bekeek Mart. ‘Gardeluitenant, geen kapitein. Ik ben gardeluitenant Tallanvor. Ik herken het zegel van de erfdochter.’ Zijn zwaard gleed helemaal terug in de schede. Hij stak een hand uit; het was niet de hand bij zijn zwaard. ‘Geef mij de brief en ik zal hem naar de koningin brengen. Nadat ik je naar buiten heb gebracht. Er zijn mensen die niet zo zachtzinnig zouden zijn als ze je hier zomaar aantreffen.’
‘Ik heb beloofd alleen aan haar de brief te overhandigen,’ zei Mart. Licht, ik heb er helemaal niet bij stilgestaan dat ik die brief misschien niet zelf mag afgeven. ‘Dat heb ik beloofd. Aan de erfdochter.’ Mart had Tallanvors hand nauwelijks zien bewegen voor het zwaard tegen zijn nek drukte. ‘Ik zal je naar de koningin brengen, landman,’ zei Tallanvor zacht, ‘maar bedenk wel dat ik bij je eerste gedachte haar kwaad te doen, je hoofd eraf sla.’
Mart toonde zijn mooiste glimlach. De licht gebogen kling drukte scherp tegen zijn nek. ‘Ik ben een trouwe Andoraan,’ zei hij, ‘en getrouw onderdaan van de koningin, moge het Licht op haar schijnen.’ Tallanvor staarde hem aan, zijn lippen samengeperst, en uiteindelijk nam hij zijn zwaard weg. Mart slikte en weerhield zichzelf ervan om zijn keel aan te raken om te zien of hij een snee had opgelopen. ‘Haal die bloem uit je haar,’ zei Tallanvor, terwijl hij zijn zwaard in de schede liet glijden. ‘Wilde je iemand hier het hof maken?’ Mart trok de sterreprachtbloem uit zijn haar en liep achter de officier aan. Stommeling! Een bloem in mijn haar stoppen. Hou op met de dwaas te spelen.
Eigenlijk volgde hij niet echt, want Tallanvor hield hem in het oog, zelfs terwijl hij voor Mart uitliep. Dat leidde tot een wat vreemde optocht, waarbij de officier schuin voor hem liep, onafgebroken naar hem kijkend voor het geval Mart iets wilde uithalen. Van zijn kant probeerde Mart er even onschuldig uit te zien als een kleuter die in het bad speelt.
De kleurige wandkleden hadden wevers veel zilver opgeleverd, en dat gold ook voor de gangtapijten op de witte tegels. Overal stond goud en zilver; borden en onderborden, schalen en bekers, op kisten en lage kasten van opgewreven hout, en even mooi als hij in de Toren had gezien. Dienaren leken overal vandaan te komen, gekleed in rood livrei met een witte kraag en boord, en met de Witte Leeuw van Andor op hun borst. Hij merkte dat hij zich afvroeg of Morgase dobbelde. Wat een stomme gedachte. Koninginnen dobbelen niet. Maar als ik haar die brief geef en vertel dat iemand in dit paleis Elayne wil doden, wed ik dat ze me een dikke beurs geeft. Hij gaf zich over aan een plezierige dagdroom waarin hij tot heer verheven werd; de man die een plan onthulde om de erfdochter te doden, mocht toch zeker op een beloning rekenen.
Tallanvor voerde hem door zoveel gangen en binnenplaatsen dat hij zich begon af te vragen of hij er wel zonder hulp uit zou kunnen komen, toen zich onverwachts op een binnenhof niet alleen dienaren bevonden. Rond de hof liep een zuilengalerij en in het midden was een ronde vijver, waarin witte en gele vissen zwommen onder de bladeren en bloemen van witte waterlelies. Er stonden mannen in kleurige jassen met borduurwerk van goud- of zilverdraad en vrouwen in wijde gewaden met nog rijkere tooi. Zij vormden het gevolg van de vrouw met het roodgouden haar die op de hoge rand rond de vijver zat. Ze liet haar vingers door het water glijden en staarde somber naar de vissen die belust op voedsel naar boven kwamen. Aan de derde vinger van haar linkerhand zat een Grote Serpent-ring. Naast haar stond een lange, donkere man in een zijden jas waarvan de rode stof bijna geheel onzichtbaar was door de gouden bladeren en krullen, maar het was de vrouw die Marts aandacht trok.
In haar haren had ze een prachtige krans van gouden roosjes en om haar wit-rode gewaad droeg ze een stola waarop de Leeuwen van Andor waren geborduurd. Mart begreep dat hij keek naar Morgase, door de genade van het Licht koningin van Andor, Beschermster van het Rijk, Verdedigster van het Volk, Hoogzetel van Huis Trakand. Ze leek op Elayne, met een schoonheid die haar dochter later ook zou krijgen. Iedere andere vrouw van haar hofhouding verbleekte door haar aanwezigheid.
Ik zou zó de hop met haar dansen en een kus in het maanlicht stelen, hoe oud ze ook mag zijn. Hij vergat zijn dromerij. Vergeet nooit wie ze is!
Tallanvor zakte door een knie en drukte een vuist tegen de witte steen van de binnenhof. ‘Mijn koningin, ik breng u een boodschapper met een brief van vrouwe Elayne.’
Mart keek even naar de houding van de man en stelde zich tevreden met een diepe buiging. ‘Van de erfdochter... eh... mijn koningin.’ Buigend hield hij haar de brief voor, zodat het zegel van goudgele was zichtbaar was. Als ze de brief gelezen heeft en weet dat Elayne het goed maakt, zal ik het haar vertellen. Morgase richtte haar diepblauwe ogen op hem. Licht! Zodra ze in een betere stemming is. ‘Je brengt een brief van mijn onbetamelijke dochter?’ Haar stem was koud, maar met een ondertoon die elk moment in vlammen los kon barsten. ‘Dat moet betekenen dat ze in ieder geval leeft! Waar is ze?’
‘In Tar Valon, mijn koningin,’ wist hij uit te brengen. Licht, haar wil tegen die van de Amyrlin. Wie houdt dat het langst vol? Bij nader inzien besloot hij dat hij daar toch liever niet bij wilde zijn. ‘Tenminste, dat was ze, toen ik vertrok.’
Morgase gebaarde ongeduldig en Tallanvor kwam overeind om de brief van Mart over te nemen en aan haar te geven. Even keek ze nadenkend naar het zegel, toen brak ze het met een felle polsbeweging open. Mompelend begon ze te lezen, en schudde haar hoofd bij elke tweede regel. ‘Ze kan niet meer zeggen, hè?’ mopperde ze. ‘We zullen zien of ze dat nog...’ Ineens lichtte haar gezicht op. ‘Gaebril, ze is verheven tot Aanvaarde. Minder dan een jaar in de Toren en ze is al verheven.’ Haar glimlach verdween even snel als hij gekomen was en ze perste haar lippen op elkaar. ‘Wanneer ik dat verdraaide kind in handen krijg, zal ze wensen dat ze nog een Novice was.’
Licht, dacht Mart, kan dan niets haar stemming verbeteren? Hij besloot het maar gewoon te zeggen, maar het was hem liever geweest als ze niet zo bloeddorstig had gekeken. ‘Mijn koningin, bij toeval hoorde ik...’
‘Stil, knaap,’ zei de donkere man in de goudbrokaten jas kalm. Hij was een knappe man, die bijna even knap was als Galad en ook bijna even jeugdig, ondanks het wit bij zijn slapen. Maar hij was forser gebouwd, nog langer dan Rhand en met bijna even brede schouders als Perijn. ‘Straks zullen we horen wat je te zeggen hebt.’ Hij reikte over Morgases schouder en plukte de brief uit haar hand. Haar nijdige blik ging over op hem – Mart kon zien hoe haar woede oplaaide – maar de donkere man legde een sterke hand op haar schouder en Morgase kalmeerde langzamerhand. Hij had zijn ogen niet van de brief afgewend.