De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Van wat Mart op het bord zag, dacht hij niet dat Gil veel kans had. ‘Ik moet gewoon de garde ontwijken en Elaynes brief rechtstreeks bij Morgase bezorgen.’ Vooral als ze allemaal zo zijn als die dikke dwaas. Licht, zou hij ze allemaal verteld hebben dat ik een Duistervriend ben? ‘Je hebt hem niet afgeleverd?’ blafte Thom. ‘Ik dacht dat je er zo graag vanaf wou.’
‘Je hebt een brief van de erfdochter?’ riep Gil. ‘Thom, waarom heb je me niks gezegd?’
‘Het spijt me, Basel,’ mompelde de speelman. Hij blies zijn snorpunten opzij en wierp onder zijn borstelige wenkbrauwen Mart een nijdige blik toe. ‘De jongen denkt dat iemand hem daarvoor om zeep wil helpen, dus dacht ik dat ik het maar aan hem moest overlaten wat hij wel of niet kwijt wil. Het lijkt hem niet meer uit te maken.’
‘Wat voor brief?’ vroeg Gil. ‘Komt ze naar huis? En heer Gawein? Ik hoop dat ze komen. Ik heb zowaar praatjes gehoord over oorlog met Tar Valon, alsof iemand zo stom zou zijn om op te trekken tegen de Aes Sedai. Als je het mij vraagt, hoort het allemaal bij die dwaze geruchten waarover we gehoord hebben, over Aes Sedai die ergens in het westen een valse Draak steunen en de Kracht als wapen gebruiken.
Dan snap ik al helemaal niet waarom ze tegen hen willen vechten; eerder het omgekeerde.’
‘Bent u getrouwd met Colene?’ vroeg Mart en baas Gil schrok op. ‘Het Licht beware me! Je zou nu al denken dat de herberg van haar was. Als ze mijn vrouw was...! Wat heeft dat te maken met de brief van de erfdochter?’
‘Niets,’ zei Mart, ‘maar u ging zo lang door dat ik dacht dat u uw eigen vraag vergeten was.’ Gil maakte een sputterend geluid en Thom lachte blaffend. Mart ging snel door, voordat de herbergier iets kon zeggen. ‘De brief is verzegeld; Elayne heeft me niet verteld wat erin staat.’ Thom keek hem van opzij aan en streek over zijn snor. Denkt hij dat ik ga toegeven dat we hem geopend hebben. ‘Maar ik geloof niet dat ze thuiskomt. Als je het mij vraagt, wil ze Aes Sedai worden.’ Hij vertelde hen over zijn poging de brief af te leveren, waarbij hij voor het gemak hier en daar wat oversloeg.
‘Die nieuwe mannen,’ zei Gil. ‘Die kapitein lijkt me er een van. Durf ik om te wedden. De meesten zien eruit als schurken, of ze hebben van die sluwe ogen. Wacht tot vanmiddag, jongen, als de garde bij de poorten is gewisseld. Gebruik de naam van de erfdochter en buig je hoofd, voor het geval het zo’n nieuwe kerel van Gaebril is. Even de hand aan je voorhoofd en je hebt geen moeilijkheden meer.’ ik mag branden als ik dat doe! Ik buig voor niemand meer. Nog niet voor Morgase zelf. Deze keer blijf ik ver van de garde vandaan.’ Ik wil liever niet merken wat die vetzak heeft rondverteld. Ze staarden hem aan alsof hij krankzinnig geworden was.
‘Hoe wil je in Lichtsnaam,’ zei Gil, ‘het koninklijk paleis binnengaan zonder langs de wachten te komen?’ Zijn ogen werden groot alsof hij zich iets herinnerde. ‘Licht, je wilt toch niet... Jongen, dan heb je het geluk van de Duistere nodig om het er levend af te brengen!’
‘Waar heb je het over, Basel? Mart, wat voor dwaasheid wil je begaan om binnen te komen?’
‘Ik heb geluk, baas Gil,’ zei Mart. ‘Zorgt u nu maar voor lekker eten als ik terug ben.’ Hij stond op, pakte de dobbelbeker en wierp de stenen naast het speelbord. De lapjeskat sprong van de tafel af en blies met gekromde rug naar hem. De vijf dobbelstenen kwamen stil te liggen. Elk van hen liet één oog zien. De Ogen van de Duistere. ‘Dat is de beste worp, of de slechtste,’ zei Gil. ‘Maar dat hangt van het soort spel af, nietwaar? Jongen, ik geloof dat je een gevaarlijk spel speelt. Waarom neem je die beker niet mee naar de gelagkamer en zet je een paar penners in? Je lijkt me een knaap die wel van een gokje houdt. Ik zorg ervoor dat de brief veilig in het paleis komt.’
‘Colene wil dat je de afvoer schoonmaakt,’ zei Mart. Hij wendde zich tot Thom terwijl de herbergier nog mompelend met zijn ogen zat te knipperen. ‘De kansen liggen gelijk. Als ik de brief aflever kan ik een pijl in me krijgen, en als ik het niet doe een mes in mijn rug. Het is quitte of dubbel. Zorg er maar voor dat dat maal klaarstaat, Thom.’ Hij gooide een goudmark voor Gil op tafel. ‘Laat mijn spullen in een kamer leggen, herbergier. Als het meer kost, zult u het krijgen. Wees voorzichtig met die grote rol; Thom is er knap bang van.’ Terwijl hij naar buiten liep, hoorde hij Gil nog tegen Thom zeggen: ik heb altijd al gedacht dat die jongen een schelm is. Hoe komt hij aan dat goud?’
Ik win altijd, dacht hij grimmig. Ik hoef nog maar één keer te winnen, en dan ben ik klaar met Elayne, en dat is het laatste wat me aan de Witte Toren bindt. Nog maar één keer.
46
Een boodschap vanuit de Schaduw
Terwijl Mart te voet naar de Binnenstad terugkeerde, was hij er helemaal niet zeker van dat zijn plannetje ook zou werken. Het kon, als hem de waarheid verteld was, maar juist daar was hij niet zeker van. Hij vermeed het ovale plein voor het paleis. In plaats daarvan liep hij om het gebied van het geweldige bouwwerk heen, door straten die de omtrek van de heuvels volgden. De gouden koepels van het paleis bleven glinsterend spottend buiten zijn bereik. Hij was er bijna helemaal omheen getrokken en zowat weer terug bij het plein, toen hij het zag. Een steile helling, beplant met bloemen, die vanaf de straat oprees tot aan een witte muur van ruwe steen. Een paar takken met bladeren staken over de muur uit, en hij kon aan de andere kant de toppen van bomen zien die in een tuin van het koninklijk paleis zelf stonden.
Een muur in de vorm van een bergwand, dacht hij, met een tuin aan de andere kant. Misschien heeft Rhand de waarheid gesproken. Hij keek onopvallend om zich heen en zag dat hij de bochtige straat voor zich alleen had. Hij zou zich moeten haasten; door de bochten kon hij niet veel zien en er kon elk moment iemand aankomen. Hij klom de helling op en gaf er weinig om dat zijn laarzen gaten in de aanplant van rode en witte bloemen maakten. De ruwe stenen boden zijn vingers genoeg houvast, en er waren genoeg richels en knobbels om zelfs met laarzen aan zijn voeten steun te geven. Slordig van ze om het zo makkelijk te maken, dacht hij onder het klimmen. Even deed zijn klimpartij hem terugdenken aan huis en aan Rhand en Perijn, aan een tocht die ze ooit hadden gemaakt tot achter de Zandheuvels naar het begin van de Mistbergen. Toen ze naar Emondsveld waren teruggekeerd, hadden ze zich de woede op de hals gehaald van iedereen die naar hen op zoek was geweest. Hij had het meeste te verduren gekregen; iedereen had aangenomen dat het zijn idee geweest was – maar drie dagen lang hadden ze de rotsen beklommen, in de openlucht geslapen en van de natuur geleefd. Ze hadden eieren gegeten uit de nesten van roodkuiven, vette grijze patrijzen die ze met een pijl of slingersteen hadden neergelegd, of konijnen uit de strikken die ze hadden gezet. En al die tijd hadden ze elkaar lachend toevertrouwd dat ze niet bang waren voor het kwaad dat volgens de mensen in de bergen schuilde en gefantaseerd dat ze misschien een schat zouden vinden. Aan die tocht had hij een vreemde steen overgehouden waarin op de een of andere manier het geraamte van een flinke vis was geperst, een lange, witte staartveer van een sneeuwarend en een wit brok steen dat zo groot was als zijn hand en op een gebeeldhouwd menselijk oor leek. Hij dacht dat het een oor was, hoewel Rhand en Perijn dat ontkenden, en Tham Altor had gezegd dat het mogelijk was. Zijn vingers gleden uit een ondiepe groef, hij verloor zijn evenwicht en daardoor de steun voor zijn rechtervoet. Hijgend kon hij nog maar net de bovenkant van de muur grijpen, zodat hij zich kon optrekken. Even lag hij daar hijgend op adem te komen. Het zou geen diepe val geweest zijn, maar genoeg om een gat in zijn hoofd te krijgen. Dwaas! Om je door je gedachten zo af te laten leiden. Zo heb ik toen ook bijna mijn leven op een rotswand verloren. Dat is een hele tijd geleden. Zijn moeder had die dingen waarschijnlijk allang weggegooid. Na een laatste blik links en rechts de straat in om er zeker van te zijn dat niemand hem gezien had – het bochtige stuk straat onder hem was nog steeds leeg – liet hij zich aan de andere kant naar beneden vallen.