De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Twee keer verdwaalde hij bij het zoeken van de Koninginnezegen, maar eindelijk zag hij het uithangbord met de man die knielde voor een vrouw met roodgoud haar en een kroon van gouden rozen, die haar hand op zijn hoofd legde. Het was een breed stenen gebouw van drie verdiepingen, met hoge vensters tot aan de rode dakpannen. Hij reed naar de stal aan de achterkant, waar een kerel met een paardengezicht en een huid die nog langer gelooid leek dan zijn wambuis, de teugels van zijn paard overnam. Ja. Ramee.
‘Lang geleden, Ramee.’ Mart wierp hem een zilvermark toe. ‘Ken je me nog?’
‘Weet niet...’ begon Ramee, tot hij de glans van zilver opving waar hij koper had verwacht. Hij kuchte en zijn knikje veranderde in een hand aan zijn slaap en een stijve buiging. ‘Maar natuurlijk ken ik u, jonge meester. Vergeef me. Was het vergeten. Geen goed hoofd voor mensen. Goed voor paarden. Ik ken paarden, jazeker. Een goed dier, jonge meester. Zal goed voor hem zorgen, kunt u zeker van zijn.’ Hij zei het allemaal heel snel, zodat Mart geen gelegenheid kreeg iets te zeggen, en leidde toen haastig de ruin de stal in voordat hij Marts naam zou moeten gebruiken.
Met een wrange grijns stopte Mart de dikke rol vuurwerk onder zijn arm en legde zijn andere spullen over de schouder. Die vent zou me nog verwarren met Haviksvleugels teennagels. Naast de keukendeur zat op een omgekeerde ton een forse, gespierde man, die zachtjes achter een oor van de zwart-witte kat op zijn knie krabde. De ogen onder de zware oogleden bestudeerden Mart en vooral de vechtstok over zijn schouder, maar hij bleef met de kat spelen. Mart meende de man te herkennen, maar zijn naam wilde hem niet te binnen schieten. Hij zei niets toen hij naar binnen stapte, de man evenmin. Waarom zouden ze mij nog kennen? Ze krijgen bier waarschijnlijk elke dag rottige Aes Sedai die mensen zoeken.
In de keuken vlogen twee hulpkokkinnen en drie koksmaatjes tussen ovens en braadspitten heen en weer. Een dikke vrouw met haar haren in een knot wees met een lange pollepel iedereen precies wat er gedaan moest worden. Mart wist zeker dat hij zich de dikke vrouw herinnerde. Colene! Wat een naam voor zo’n dikke vrouw, maar iedereen noemde haar kokkin.
‘Hallo, kokkin,’ riep hij. ‘Ik ben terug, en was het geen klein jaar geleden dat ik vertrok?’
Ze nam hem even op en knikte toen. ‘Ik ken jou.’ Hij begon te grinniken. ‘Jij was bij die jonge prins, niet?’ ging ze door. ‘Die jonge heer die zo op Tigraine leek, het Licht verlichte haar gedachtenis. Je bent zijn dienaar, niet? Komt hij weer hier, die jonge prins?’
‘Nee,’ zei hij kortaf. Een prins! Licht! ik geloof niet dat hij gauw zal terugkomen, en ik denk niet dat je het leuk zou vinden als hij terugkwam.’ Ze was het er niet mee eens en zei dat die prins zo’n aardige, knappe jongeman was. Bloedvuur, is er ergens een vrouw die niét van Rhand zwijmelt en kalfsogen opzet als zijn naam genoemd wordt? Ze zou gillen als ze wist wat hij nou doet! Hij onderbrak haar echter: is baas Gil in de buurt? En Thom Merrilin?’
‘In de boekenkamer,’ zei ze snuivend. ‘Als je hem ziet, moet je Basel Gil vertellen dat ik zei dat die afvoer moet worden schoongemaakt. Vandaag, ja.’ Ze zag uit haar ooghoeken wat een hulpkokkin een gebraad aandeed en waggelde naar haar toe. ‘Niet zoveel, kind. Je maakt het te zoet als je er zoveel arrat op strooit.’ Ze leek Mart al vergeten te zijn.
Hoofdschuddend ging hij op zoek naar de boekenkamer, die hij zich niet kon herinneren. Hij kon zich ook niet herinneren dat Colene met baas Gil was getrouwd, maar als hij ooit een echtgenote haar man iets had horen opdragen, was dit wel een dieptepunt. Een leuk dienstmeisje met grote ogen giechelde en bracht hem door een gang naar de kamer. Toen hij binnenkwam, stond hij stil te staren. Er moesten minstens driehonderd boeken op de planken tegen de muur staan, en er lagen er nog meer op tafels. Zijn hele leven had hij nog nooit zoveel boeken bij elkaar gezien. Hij zag een in leer gebonden exemplaar van De reizen van Jaim Kimstapper op een tafeltje bij de deur liggen. Hij had het altijd al willen lezen – Rhand en Perijn hadden hem van alles uit dat boek verteld – maar hij scheen maar nooit aan lezen toe te komen. Thom Merrilin en Basel Gil, met zijn roze gezicht, zaten met een Steenspel tussen hen in aan een van de tafels, elk met een pijp waaruit dunne blauwe rookpluimpjes kringelden. Naast een houten dobbelbeker, die ook op de tafel stond, keek een lapjeskat toe, met de staart om de poten gekruld. De mantel van de speelman was nergens te zien, dus nam Mart aan dat hij al een kamer had gekregen. ‘Je bent sneller terug dan ik dacht, kerel,’ zei Thom langs de steel van zijn pijp. Hij trok aan een lange witte snorpunt terwijl hij overwoog waar hij op de kruisende lijnen van het bord zijn volgende steen zou plaatsen. ‘Basel, je kent Mart Cauton nog?’
‘Ik ken hem nog,’ zei de dikke herbergier, en tuurde naar het bord. ‘Nogal ziek, de laatste keer dat je hier was, herinner ik me. Ik hoop dat je nu beter bent, jongen.’
‘Ik ben beter,’ zei Mart. ‘Is dat alles wat u zich herinnert? Dat ik ziek was?’
Baas Gil kromp ineen toen hij Thoms zet zag en nam de pijp uit zijn mond. ‘In aanmerking genomen met wie je wegging, jongen, en in aanmerking genomen hoe de zaken nu staan, is het misschien beter dat ik het me niet meer herinner.’
‘Aes Sedai staan in een kwaad daglicht, hè?’ Mart legde zijn spullen in een grote armstoel en zette de vechtstok tegen de rug. Hij liet zich in een andere stoel zakken en zwaaide een been over de leuning. ‘De gardisten bij het paleis denken dat de Witte Toren Elayne heeft gestolen.’ Thom keek schuins naar de rol vuurwerk, vervolgens naar zijn pijp en mompelde iets in zichzelf voor hij zijn ogen weer op het speelbord richtte.
‘Dat nou niet,’ zei Gil, ‘maar de hele stad weet dat ze uit de Toren verdwenen is. Thom zegt dat ze is teruggekeerd, maar daar hebben we hier niets van gehoord. Misschien weet Morgase het, maar iedereen, tot aan de staljongen toe, loopt op zijn tenen, opdat ze hun hoofd er niet afbijt. Heer Gaebril heeft haar ervan weerhouden om echt iemand naar de beul te sturen, maar ik zal niet beweren dat ze er niet toe in staat is. En hij heeft zeker haar gevoelens over Tar Valon niet getemperd. Integendeel, ik denk dat hij het erger gemaakt heeft.’
‘Morgase heeft een nieuwe raadsheer,’ zei Thom met droge stem. ‘Garet Brin mocht hem niet zo, dus heeft hij zich teruggetrokken op zijn landgoed om te zien hoe er wol op zijn schapen groeit. Basel, zet je nog of niet?’
‘Zo meteen, Thom. Zo meteen. Ik wil het goed doen.’ Gil klemde de steel van de pijp tussen zijn tanden en keek door zijn puffende rookwolken nadenkend naar het bord.
‘Zo, de koningin heeft een raadsman die niet van Tar Valon houdt.’ zei Mart. ‘Nou, dat verklaart waarom de garde zo reageerde toen ik zei dat ik daarvandaan kwam.’
‘Als je dat hebt gezegd,’ zei Gil, ‘mag je blij zijn dat je heelhuids ontsnapt bent. Als het een van de nieuwe gardisten was, tenminste. Gaebril heeft zo ongeveer de helft van de garde in Caemlin vervangen door mannen van zijn eigen keus, en dat is niet niks, als je weet hoe kort hij nog maar hier is. Sommigen beweren dat Morgase misschien wel met hem trouwt.’ Hij wilde een steen op het bord plaatsen, maar legde hem hoofdschuddend weer terug. ‘De tijden veranderen. De mensen veranderen. Te veel verandering naar mijn smaak. Ik geloof dat ik oud word.’
‘Je lijkt te bedoelen dat we allebei oud worden voor je een steen plaatst,’ mompelde Thom. De kat rekte zich uit en gleed over de tafel naar hem toe om haar rug te laten strelen. ‘Je vindt geen goede zet, al praat je de hele dag. Waarom geef je niet toe dat je verslagen bent, Basel?’ ik geef me nooit gewonnen,’ zei Gil dapper, ik zal je verslaan, Thom.’ Hij zette een witte steen op het kruispunt van twee lijnen. ‘Moet ik nog zien,’ snoof Thom.