Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 132 133 134 135 136 137 138 139 140 ... 178
Перейти на страницу:

‘Ik vrees dat we door het late tijdstip overvallen zijn, jonge meester,’ zei ze, ‘en ik zou u de weg naar een herberg willen vragen, als u er een weet.’

Hij grinnikte en begon overeind te komen. Hij stond nog half voorover gebogen toen hij een man iets hoorde mompelen en een andere man een reeds gespannen kruisboog onder zijn mantel vandaan trok. ‘Dood hem, dwaas!’ riep de vrouw. Mart smeet het vuurwerk in de vlammen en sprong naar zijn vechtstok toe. Er flitste licht en er klonk een luide knal. ‘Aes Sedai!’ schreeuwde een man. ‘Vuurwerk, sukkel!’ krijste de vrouw. Toen stond hij klaar met de stok in zijn handen en zag een pijl in de stam steken op de plek waar hij had gezeten; de schutter lag op de grond met Thoms mes in zijn borst.

Meer zag hij niet, want de twee anderen sprongen langs het kampvuur en trokken hun zwaard. Eentje struikelde opeens en viel op zijn knieën. Hij liet zijn zwaard los en klauwde voorover vallend naar het mes in zijn rug. De laatste man had zijn maat niet zien vallen; hij verwachtte duidelijk dat ze samen zouden vechten, waarbij er een de tegenstander af zou leiden, en stak met zijn kling naar Marts buik. Mart voelde bijna iets van minachting toen hij de pols van de man met het ene eind van de vechtstok brak, zodat het zwaard viel, en daarna zijn voorhoofd insloeg met het andere eind. Zijn ogen braken al toen hij ineenzakte.

Uit zijn ooghoek zag Mart de vrouw op hem afkomen en hij wees in haar richting, alsof zijn vinger een mes was. ‘Je draagt mooie kleren voor een dievegge! Ga zitten, vrouw, terwijl ik bedenk wat ik met je ga doen, of...’

Ze keek al even verbaasd als Mart toen het mes zich opeens in haar keel boorde en er een rode bloem van opspattend bloed opbloeide. Hij wilde al naar haar toestappen om haar op te vangen, maar besefte dat het nutteloos was. Haar lange mantel dekte haar toe en liet alleen haar gezicht en het heft van Thoms mes vrij.

‘Bloedvuur,’ mopperde Mart. ‘Vervloekt jij, Thom Merrilin! Een vrouw! Licht, we hadden haar kunnen vastbinden om haar morgen aan de koninginnegarde in Caemlin over te dragen. Licht, ik had haar misschien wel laten gaan. Zonder die drie kan ze niemand beroven, en de enige die het misschien overleeft, zal maanden nodig hebben voor hij een zwaard kan vasthouden. Vervloekt, Thom, je hoefde haar niet te doden!’

De speelman hinkte naar de plaats waar de vrouw lag en schopte haar mantel open. De dolk was uit haar handen gevallen. Het lemmet was zo breed als Marts duim en twee handen lang. ‘Had je liever dat ik had gewacht tot ze dat in je ribben plantte, kerel?’ Hij pakte zijn eigen mes terug en veegde het lemmet aan haar mantel af. Mart merkte dat hij Ze had een masker voor haar gelaat neuriede en hield op. Hij bukte zich en trok de mantelkap over haar gezicht. ‘Het is beter dat we verder gaan,’ zei hij rustig, ik heb geen zin om dit uit te moeten leggen wanneer er een paar gardisten langskomen.’

‘Met haar in die kleren?’ zei Thom. ‘Nee, zeker niet! Ze moeten de vrouw van een koopman beroofd hebben, of de koets van een edelman.’ Zijn stem werd zachter. ‘Als we weg moeten, kerel, kun je beter je paard opzadelen.’

Mart schrok op en moest zich dwingen niet meer naar de dode vrouw te kijken. ‘Ja, dat kan ik maar beter wel doen, nietwaar?’ Hij keek niet meer naar haar. Wat de mannen betrof, had hij minder schuldgevoel. Mannen die anderen wilden beroven en doden, moesten wat hem betrof ook hun verlies nemen als hun spel mislukte. Hij dacht er verder niet meer aan en wendde ook zijn ogen niet af als zijn blik op een rover viel. Hij zadelde zijn ruin en bond zijn spullen achterop. Pas toen hij aarde over het vuur schopte, keek hij naar de man die de kruisboog had afgeschoten. Er was iets bekends aan die trekken, aan de manier waarop het gedoofde vuur schaduwen op het gezicht had getekend. Geluk, zei hij bij zichzelf. Steeds weer geluk.

‘Die schutter was een goede zwemmer, Thom,’ zei hij terwijl hij in het zadel klom.

‘Wat voor zotheid zit je nu weer te verkondigen?’ De speelman zat al in het zadel en was meer bezig met het vastmaken van zijn instrumentkistjes aan het tuig dan met de doden. ‘Hoe weet je of hij kon zwemmen?’

‘Hij heeft de oever weten te bereiken, in het holst van de nacht, vanaf een kleine boot midden op de Erinin. Ik neem aan dat hij toen al zijn geluk heeft opgebruikt.’ Hij keek het touw om de rol vuurwerk nog eens na. Als die idioot dacht dat het Aes Sedai-werk was, vraag ik me af wat hij gedacht zou hebben als ze allemaal afgegaan waren. ‘Weet je het zeker, kerel? De kans dat het dezelfde man... Allemachtig, zelfs jij zou niet tegen zo’n kans wedden.’

‘Ik weet het zeker, Thom.’ Elayne, ik wurg die mooie keel van je, zodra ik je te pakken krijg. En die van Egwene en Nynaeve ook. ‘En ik zorg ervoor dat ik die rottige brief in Caemlin binnen de kortste keren uit handen heb gegeven!’

‘Ik zeg je: er staat niets in die brief, kerel. Ik speelde al Daes Dae’mar voor ik jouw leeftijd had, en ik zie of de tekst een code bevat of versleuteld is, zelfs als ik die niet kan ontcijferen.’

‘Nou, ik heb jouw Grote Spel nog nooit gespeeld, Thom, jouw rottige Spel der Huizen, maar ik weet wanneer iemand achter me aan zit, en ze jagen me niet zo verbeten of zo lang na voor het goud in mijn zakken, niet voor minder dan een kist vol goud. Het moet de brief zijn.’ Bloedvuur, mooie meisjes brengen me altijd in moeilijkheden. ‘Kun jij na zoiets vannacht slapen?’

‘Ik slaap de slaap der onschuldige kinderen, kerel. Maar als jij wilt rijden, rij ik mee.’

In Marts geest gleed het beeld voorbij van het gezicht van een mooie vrouw met een dolk in haar keel. ]e hebt geen geluk gehad, schoonheid. ‘Laten we dan rijden!’ zei hij bruusk.

45

Caemlin

Mart herinnerde zich Caemlin nog maar vaag, maar toen ze de stad in de vroege ochtend bereikten, leek het alsof hij er nog nooit geweest was. Sinds de dageraad waren ze niet meer alleen op de weg geweest, en nu werden ze omringd door andere ruiters en karavanen van kooplieden en reizigers te voet, die allemaal naar de grote stad stroomden. De stad was op heuvels gebouwd en minstens zo groot als Tar Valon. De enorme stadswallen waren minstens vijftig voet hoog, opgetrokken uit lichtgekleurde, grijze steen waarin witte en zilveren strepen in het zonlicht schitterden. Op regelmatige afstand van elkaar rezen hoge, ronde torens op met de wit en rode Leeuwenbanier van Andor. Maar buiten die muren leek er nóg een grote stad te liggen, die zich om de vestingstad heen wikkelde, geheel in rode bakstenen, grijze rotssteen en witgepleisterde muren. Er stonden herbergen naast drie of vier verdiepingen hoge huizen die zo fraai waren dat ze moesten toebehoren aan rijke kooplieden; winkels met goederen op tafels en onder luifels die zich tegen brede, vensterloze pakhuizen drukten. Aan weerszijden van de weg lagen open markten onder rode en purperen dakpannen, waar mannen en vrouwen hun waren al aanprezen en luidkeels afdongen, en waar vastgebonden geiten, schapen, varkens en gekooide ganzen en kippen en eenden hun herrie aan het lawaai toevoegden. Hij meende zich te herinneren dat hij Caemlin te luidruchtig vond toen hij hier eerder was; nu klonk het als een hartslag die rijkdom oppompte. De weg leidde naar een openstaande, gewelfde poort die twintig voet hoog was en bewaakt werd door gardisten in rode jassen en glimmende borstkurassen. Ze schonken Thom en hem geen bijzondere aandacht, ondanks de vechtstok die schuin over zijn zadel lag; ze leken de mensen alleen maar aan te sporen door te lopen – en toen waren ze in de stad. Hier rezen slanke torens op, hoger nog dan die van de stadswallen, en glinsterden koepels in wit en goudgeel boven de overvolle straten. Achter de poort splitste de weg zich in twee evenwijdige straten, gescheiden door een brede middenstrook met gras en bomen. De stadsheuvels klommen als traptreden omhoog naar een top, die omringd was door een tweede muur, even schitterend wit als die van Tar Valon, met daarbinnen nog meer koepels en torens. Dat was de Binnenstad, herinnerde Mart zich, en op de hoogste heuvel stond het koninklijk paleis.

1 ... 132 133 134 135 136 137 138 139 140 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)