De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Je bent nu aan ons gebonden,’ zei Moiraine tegen haar. ‘Voor jou is er geen terugkeer meer mogelijk. Nimmer.’ Het leek alsof Zarine iets wilde zeggen maar er te bang voor was. Moiraine gaf de herbergierster nu alle aandacht. ‘Nieda, ontvlucht Illian vannacht nog. Dit uur nog! En hou je tong in bedwang, nog beter dan al die jaren! Er zijn mensen die hem vanwege je kennis eruit zouden snijden, en ik zal je niet kunnen helpen.’ Haar harde stem schiep twijfels over wat ze precies bedoelde, maar Nieda knikte heftig alsof ze beide mogelijkheden begreep.
‘Wat jou betreft, Perijn.’ De witte merrie kwam dichterbij en ondanks alles week hij terug voor de Aes Sedai. ‘Er weven zich vele draden in het Patroon en sommige zijn zo zwart als de Schaduw zelf. Kijk uit dat een ervan je niet wurgt.’ Haar hielen raakten Aldiebs flanken en de merrie stoof de regen in, met Mandarb aan haar staart. Vervloekt, Moiraine, dacht Perijn, terwijl hij achter hen aan reed. Soms weet ik gewoon niet aan welke kant je staat. Hij keek even naar Zarine, die naast hem reed alsof ze in het zadel geboren was. En aan welke kant sta jij?
De regen hield de mensen van de straten en grachten, zodat er geen zichtbare ogen waren die hen zagen vertrekken, maar het maakte het rijden op de ongelijke straatstenen voor de paarden moeilijker. Tegen de tijd dat ze de Maredodijk hadden bereikt, was de regen minder geworden. Het was een brede weg van ingeklonken aarde die door het moerasland naar het noorden liep. De donder rommelde nog steeds, maar de bliksem flitste ver achter hen, misschien al boven de zee. Perijn voelde dat het geluk hen een beetje toelachte. De regen had lang genoeg aangehouden om hun vertrek te verheimelijken, maar nu leken ze een heldere nacht voor hun rit te krijgen. Hij zei iets in die geest, maar Lan schudde zijn hoofd.
‘Duisterhonden houden het meest van heldere, door de maan verlichte nachten, smid, en het minst van regen. Een goed onweer laat ze ver wegkruipen.’ Alsof zijn woorden het opriepen, nam de regen op dat moment af tot een miezerige motregen. Perijn hoorde Loial achter zich kreunen. Maredodijk en moeras eindigden tegelijk, een span of twee buiten de stad, maar de gewone weg liep door en boog langzaam naar het oosten af. De bewolkte avond ging over in een druilerige nacht. Moiraine en Lan hielden een gestage, spannen vretende draf aan. De paardenhoeven spatten door plassen in de keiharde grond. De maan scheen door gaten in het wolkendek. Om hen heen doemden lage heuvels op en er verschenen meer en meer bomen. Perijn dacht dat er vóór hen uit bossen zouden liggen, maar hij wist niet of hij daar blij mee was. Een bos kon hen voor achtervolgers verbergen; in een bos konden achtervolgers ongezien dichterbij komen.
Achter hen hoorden ze een zacht gehuil. Even dacht hij dat het een wolf was; verbaasd merkte hij dat hij hem bijna wilde bereiken voor hij zich kon inhouden. Opnieuw klonk het gehuil, en wist hij dat het geen wolf was. Anderen antwoordden, vele spannen terug; een akelig gejammer dat bloed en dood verkondigde, gejank dat van nachtmerries sprak. Tot zijn verwondering hielden Lan en Moiraine in. De Aes Sedai keek onderzoekend naar de nachtelijke heuvels om hen heen. ‘Ze zijn nog ver weg,’ zei Perijn. ‘Ze krijgen ons niet als we doorrijden.’
‘Duisterhonden?’ mompelde Zarine. ‘Zijn dat Duisterhonden? Weet u zeker dat het niet de Wilde Jacht is, Aes Sedai?’
‘Maar dat is het,’ zei Moiraine. ‘Dat is het.’
‘Je kunt niet ontsnappen aan Duisterhonden, smid,’ zei Lan. ‘Zelfs niet op het snelste paard. Je moet ze bevechten en verslaan, anders zullen ze je neerleggen.’
‘Ik had in de stedding kunnen blijven, weet je,’ zei Loial. ‘Mijn moeder zou me inmiddels hebben uitgehuwelijkt, maar het zou geen slecht leven zijn. Een heleboel boeken. Ik had niet Buiten hoeven te komen.’
‘Daar,’ zei Moiraine, wijzend op een hoge, kale heuvel die rechts van hen een eind van de weg af lag. Voor zover Perijn kon zien, stond er binnen tweehonderd pas geen enkele boom rond de heuvel, en verderop slechts hier en daar. ‘We moeten ze zien om een kans te hebben.’ Opnieuw klonk het afschuwelijke gejank van de Duisterhonden, dichterbij nu, maar nog steeds ver weg.
Lan dreef Mandarb wat sneller voort, nu Moiraine hun veste had gekozen. Onder het klimmen kletterden de paardenhoeven over half onder de grond verborgen, glibberige rotsen. Volgens Perijn waren de meeste veel te vierkant om natuurlijk te zijn. Boven aangekomen stegen ze af bij een laag, rond rotsblok. De maan scheen door een gat in de wolken en hij merkte dat hij naar een verweerd stenen gezicht keek van twee pas hoog. Hij meende een vrouwengezicht, aan het lange haar te zien. Door de regen leek het of ze huilde.
Moiraine steeg af en tuurde in de richting van het gejank. Ze was een in schaduwen gehulde gestalte en het maanlicht glinsterde in de regen die langs haar oliemantel druppelde.
Loial voerde zijn paard mee toen hij het beeldhouwwerk bekeek. Hij bukte zich en streek over de gezichtstrekken, ik denk dat ze een Ogier was,’ zei hij ten slotte. ‘Maar dit is geen stedding; dat zou ik gevoeld hebben. Dat zouden we allemaal. En we zouden veilig zijn voor het Schaduwgebroed.’
‘Waar staren jullie tweeën naar?’ Zarine keek met half dichtgeknepen ogen naar de rots. ‘Wat is het? Ze? Wie?’
‘Sinds het Breken zijn vele landen opgekomen en ondergegaan,’ zei Moiraine zonder zich om te draaien, ‘en sommige hebben niet meer nagelaten dan een naam op een stuk vergeeld papier of lijnen op een gerafelde kaart. Zullen wij wel zoveel nalaten?’ Opnieuw klonk het bloedstollend gehuil op, weer dichterbij. Perijn probeerde hun snelheid te schatten en dacht dat Lan het bij het rechte eind had; ze hadden zelfs te paard niet kunnen ontkomen. Ze zouden niet lang hoeven wachten.
‘Ogier,’ zei Lan, ‘jij en het meisje houden de paarden vast.’ Zarine protesteerde, maar hij kapte het meteen af: ‘Jouw messen zullen hier weinig nut hebben, meisje.’ Zijn kling glinsterde in het maanlicht toen hij zijn zwaard uit de schede trok. ‘Zelfs dit zwaard helpt weinig. Zo te horen zijn het er tien, niet een. Het is jouw taak de paarden vast te houden als ze de Duisterhonden ruiken. Zelfs Mandarb kan niet tegen hun lucht.’
Als het zwaard van de zwaardhand niet hielp, was ook de bijl van weinig nut. Perijn voelde iets wat opluchting leek, zelfs al ging het om Schaduwgebroed; hij hoefde de bijl niet te gebruiken. Hij trok zijn boog onder Stappers zadelriem vandaan. ‘Misschien helpt dit.’
‘Als je wilt, probeer het, smid,’ zei Lan. ‘Ze sterven niet gemakkelijk. Misschien kun je er een mee doden.’
Perijn haalde een nieuwe boogpees uit zijn buidel en probeerde hem tegen de motregen te beschermen. Er zat maar een dun laagje bijenwas op, dat maar weinig hielp als het lang vochtig weer bleef. Hij zette de boog schuin tussen zijn benen, boog hem gemakkelijk en legde de peeslussen om de gehoornde uiteinden. Toen hij zich oprichtte, kon hij de Duisterhonden zien.
Ze renden als galopperende paarden en hij zag ze nog meer snelheid krijgen. Er waren ongeveer tien grote schaduwen die door de nacht renden en tussen de enkele bomen door sprongen. Hij nam een breedpuntpijl uit zijn koker, legde aan, maar spande de boog nog niet. Hij was niet de beste boogschutter van Emondsveld geweest, maar van de jongeren was alleen Rhand beter geweest.
Driehonderd pas voor hij zou schieten, besloot hij. Dwaas! Je hebt al moeite om op die afstand een stilstaand doel te treffen. Maar als ik wacht, en met hun snelheid... Hij ging naast Moiraine staan en hief zijn boog op – ik hoef me alleen maar voor te stellen dat die bewegende schaduw een grote hond is - trok de ganzenveren tot aan zijn oor en liet los. Hij wist zeker dat de schacht in de voorste schaduw verdween, maar het enige gevolg was gesnauw. Het werkt niet. Ze komen te snel! Hij legde al een nieuwe pijl aan. Waarom doe je niets, Moiraine? Hij kon hun als zilver schitterende ogen zien, en hun tanden waren als glimmend staal. Ze waren zwart als de nacht en zo groot als kleine dwergpaardjes; ze schoten nu stil op hem af, klaar voor hun dodelijke beet. De wind rook naar verbrande zwavel; de paarden hinnikten angstig, zelfs Lans krijgsros. Vervloekte Aes Sedai, doe iets! Hij schoot opnieuw een pijl af; de voorste Duisterhond struikelde en rende verder. Ze kunnen gedood worden! Nog eens schoot hij en de leidende Duisterhond rolde om, probeerde overeind te komen en viel neer; toch voelde Perijn iets van wanhoop. Eén was er neer en de andere negen waren al twee keer zo dichtbij. Ze leken zelfs nog harder te gaan; schaduwen die over de grond vlogen. Nog één pijl. Misschien tijd voor nog één, en dan is het de bijl. Vervloekte Aes Sedai! Hij legde opnieuw aan.