Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 128 129 130 131 132 133 134 135 136 ... 178
Перейти на страницу:

‘Wat ga jij doen?’ vroeg Perijn.

‘Ik ga achter Moiraine aan. Om haar over de Duisterhond te vertellen. Ze kan niet boos op me worden als ik haar om die reden volg. Niet als ze van zo’n rondsluipend beest hoort dat haar naar de keel kan vliegen.’

Toen ze weer naar binnen gingen, spatten de eerste grote regendruppels op de straat. Bili had de laatste dode grijzels verwijderd en veegde het bebloede zaagsel op. Het meisje zong een droevig liedje over een jongen die zijn geliefde verliet. Vrouw Lohan zou er zeer van hebben genoten.

Lan snelde voor hen uit, de gelagkamer door en de trap op. Tegen de tijd dat Perijn boven was gekomen, liep de zwaardhand al weer naar beneden terwijl hij zijn zwaard omgespte. Hij had de van kleur veranderende mantel onder zijn arm, alsof hij er nauwelijks om gaf wie het zou zien.

‘Als hij die in de stad draagt...’ Loials haardos veegde bijna langs de zoldering toen hij zijn hoofd schudde, ik weet niet of ik kan slapen, maar ik ga het proberen. Dromen is plezieriger dan waken.’ Niet altijd, Loial, dacht Perijn toen de Ogier wegliep. Zarine scheen bij hem te willen blijven, maar hij zei tegen haar dat ze moest gaan slapen en deed de lattendeur stevig achter haar dicht. Terwijl hij zich uitkleedde, staarde hij met tegenzin naar zijn eigen bed. ‘Ik moet erachter zien te komen,’ zuchtte hij, in zijn bed kruipend. Buiten kletterde de regen en rommelde de donder. Het briesje dat over zijn bed waaide, nam iets van de regenkoelte mee, maar hij vond niet dat hij de dekens aan het voeteneind nodig had. Zijn laatste gedachte voordat hij door slaap werd overmand, was dat hij weer vergeten had een kaars aan te steken, hoewel de kamer donker was. Slordig. Moet niet slordig worden. Slordigheid bederft het werk.

Er tuimelden dromen door zijn hoofd. Duisterhonden joegen op hem. Hij zag ze nooit, maar hij kon hun gehuil horen. Schimmen en grijzels. Keer op keer flitste er een grote, slanke man in en uit zijn dromen, die een rijk geborduurde jas en laarzen met goudbeslag droeg; meestal leek hij een zwaard als een zon vast te houden en triomfantelijk te lachen. Soms zat de man op een troon, en koningen en koninginnen onderwierpen zich aan hem. Het voelde vreemd aan, alsof het feitelijk zijn eigen dromen niet waren.

Toen veranderden de dromen en hij wist dat hij in de wolfsdroom was die hij gezocht had. Ditmaal had hij erop gehoopt. Hij stond boven op een afgevlakte, hoge stenen spits. De wind speelde door zijn haar en bracht hem duizenden geuren en een vage aanduiding van water dat ergens in de verte verborgen lag. Even dacht hij dat hij het lijf van een wolf had, en hij bekeek zich van alle kanten om vast te stellen of hij zichzelf was. Hij had zijn eigen kleren en laarzen aan; hij hield zijn boog in de hand en zijn pijlkoker hing aan zijn zijde. De bijl was er niet.

‘Springer! Springen waar ben je?’ De wolf kwam niet. Hij was omgeven door woeste bergen en andere hoge pieken, die gescheiden waren door droge vlakten en verwarrende hoogten, en soms door een uitgestrekte hoogvlakte begrensd door duizelingwekkende hoogten. Er groeiden dingen, maar geen weelderig groen. Taai, kort gras. Kale struiken met doorns, en andere dingen die zelfs doorns op hun dofgroene bladeren bezaten. Verspreide, niet uitgegroeide bomen die door de wind vervormd waren. Toch konden wolven zelfs in dit land jagen. Terwijl hij over dit woeste land keek, verscheen plotseling een cirkel van duisternis voor een deel van de bergen. Hij kon niet zeggen of de duisternis recht voor zijn ogen begon of halverwege de bergen, maar hij scheen erdoorheen te kunnen kijken, en nog verder. Mart, die een dobbelbeker liet rammelen. Zijn tegenstander staarde hem aan met ogen van vuur. Mart leek de man niet te zien, maar Perijn kende hem. ‘Mart!’ schreeuwde hij! ‘Het is Ba’alzamon! Licht, Mart, je dobbelt met Ba’alzamon!’

Mart wierp en toen de stenen rolden, vervaagde het droombeeld en de donkere plaats was weer een berglandschap.

‘Springer!’ Perijn draaide zich langzaam om en keek alle kanten op. Hij keek zelfs in de lucht – Hij kan nu vliegen – waar de wolken weldra regen beloofden, die de grond diep onder de bergtoppen zou opdrinken. ‘Springer!’

Tussen de wolken werd een duisternis gevormd, een gat dat naar iets anders leidde. Egwene, Nynaeve en Elayne stonden te kijken naar een enorme metalen kooi met een openstaand hek dat door een zware veer omhoog werd gehouden. Ze stapten de kooi in en reikten omhoog om de grendel los te maken. De deur klapte achter hen dicht. Een vrouw, met haar haren in vlechtjes, lachte hen uit, en een andere vrouw die helemaal in het wit was, lachte de eerste vrouw uit. Het gat in de lucht sloot zich en er waren slechts wolken.

‘Springer, waar ben je?’ riep hij. ‘Ik heb je nodig! Springer!’ En daar was de grijze wolf, neergestreken op de piek alsof hij van iets hoogs omlaag was gesprongen.

Gevaarlijk. Je werd gewaarschuwd, Jonge Stier. Nog te jong, te nieuw. ‘Ik moet het weten, Springer. Je zei dat er dingen waren die ik moest zien. Ik moet meer zien, meer weten.’ Hij aarzelde, denkend aan Mart, aan Egwene, Nynaeve en Elayne. ‘De vreemde dingen die ik hier zie. Zijn ze echt?’ Springers antwoord leek langzaam, alsof het zo eenvoudig was dat de wolf de noodzaak om het uit te leggen niet kon begrijpen. Ten slotte kwamen de gedachtebeelden. Wat werkelijk is, is niet werkelijk. Wat niet werkelijk is, is werkelijk. Vlees is een droom, en dromen hebben vlees.

‘Dat zegt me niets, Springer. Ik begrijp het niet.’ De wolf keek hem aan alsof hij gezegd had dat hij niet kon begrijpen dat water nat was. ‘Je zei dat ik iets moest zien en je liet me Ba’alzamon zien, en Lanfir.’ Hartsvanger. Maanjager. ‘Waarom liet je mij hen zien, Springer?’

De Laatste Jacht komt. Er lag droefheid in de boodschap, en een gevoel van onvermijdelijkheid. Wat moet zijn, zal zijn. ‘Ik begrijp het niet! De Laatste Jacht? Welke Laatste Jacht? Springer, deze avond hebben grijzels mij willen doden.’ De ondoden jagen op jou?

‘Ja! Grijzels! Achter mij aan! En er was een Duisterhond, pal voor de herberg! Ik wil weten waarom ze achter mij aan zitten.’ Schaduwbroeders! Springer dook in elkaar en keek om zich heen, alsof hij een aanval verwachtte. Lang geleden dat we de schaduwbroeders zagen. Je moet gaan, Jonge Stier. Groot gevaar! Ontvlucht de schaduwbroeders!

‘Waarom zitten ze achter mij aan, Springer? Jij weet het. Ik weet dat je het weet!’

Vlucht, Jonge Stier. Springer sprong op en zijn voorpoten kwamen tegen Perijns borst aan en sloegen hem van de rand af. Ontvlucht de schaduwbroeders.

Hij voelde tijdens zijn val de wind langs zijn oren. Springer en de rand van de piek verdwenen boven hem. ‘Waarom, Springer?’ schreeuwde hij. ‘Ik moet het weten!’ De Laatste Jacht komt.

De klap zou komen. Hij wist het. De grond onder hem schoot op hem af en hij zette zich schrap tegen de verpletterende inslag die...

Met een schok werd hij wakker en staarde naar het kaarslicht op de kleine tafel naast zijn bed. Bliksemflitsen deden het raam oplichten en de donder liet het trillen. ‘Wat bedoelde hij met de Laatste Jacht?’ mompelde hij. Ik had geen kaars aangestoken. ‘Je praat in jezelf. En je woelt in je slaap.’

Hij vloog overeind en vervloekte zichzelf dat hij de kruidengeur in de lucht niet had opgemerkt. Gezeten op een krukje aan de rand van het kaarslicht zat Zarine hem op te nemen, een elleboog op de knie, de kin op haar vuist.

‘Je bent ta’veren,’ zei ze, alsof ze een lijstje afstreepte. ‘Steengezicht denkt dat die rare ogen van jou dingen zien die hij niet kan zien. Grijzels willen je om zeep helpen. Je reist met een Aes Sedai, een zwaardhand en een Ogier. Je bevrijdt een gekooide Aiel en doodt Witmantels. Wie ben je, boerenknul, de Herrezen Draak?’ Haar stem zei dat dit het belachelijkste was dat ze kon bedenken, maar hij voelde zich niet op z’n gemak en schoof heen en weer. ‘Wie je ook bent, grote man,’ voegde ze eraan toe, ‘je zou wel wat meer haar op je borst mogen hebben.’ Hij keerde zich vloekend om en trok een van de dekens tot aan zijn kin op. Licht, als ze niet ophoudt met me onverhoeds te sarren, word ik even springerig als een kikker op een hete steen. Zarines gezicht zweefde aan de rand van de schaduw. Hij kon haar niet duidelijk zien, behalve als de bliksem langs het raam flitste en het harde licht zijn eigen schaduwen over haar strenge neus en hoge jukbeenderen wierp. Plotseling herinnerde hij zich dat Min gezegd had dat hij voor een mooie vrouw moest vluchten. Toen hij in die wolfsdroom uiteindelijk Lanfir herkende, had hij gedacht dat Min haar bedoelde – hij dacht dat er geen mooiere vrouw bestond dan Lanfir – maar zij was slechts in een droom verschenen. Zarine zat hier in deze kamer en staarde naar hem met die donkere, schuinstaande ogen, schattend en wegend. ‘Wat doe je hier?’ wilde hij weten. ‘Wat wil je? Wie ben je?’

1 ... 128 129 130 131 132 133 134 135 136 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)