Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Ze rolde haastig van de strozak, knielde neer en drukte haar gezicht tegen de kale stenen vloer. Ze had altijd gedaan wat voor haar overleving noodzakelijk was en de Myrddraal was zeer genegen geweest haar het noodzakelijke bij te brengen. ‘Ik groet u van harte, mia’cova.’ De samengestelde titel brandde op haar tong. ‘Degene aan wie ik behoor’ betekende het, of gewoon ‘mijn bezitter’. Het vreemde schild dat Shaidar Haran tegen haar had gebruikt – een Myrddraal kon dat niet, maar deze wel – was niet voelbaar maar ze overwoog niet eens om te geleiden. De Ware Kracht was haar natuurlijk ontzegd – die mocht alleen met de zege van de Grote Heer worden gebruikt – maar de Bron wenkte kwellend, hoewel de gloed net buiten haar zicht op de een of andere manier vreemd aandeed. Nog steeds was er geen haartje op haar hoofd die eraan dacht. Bij elk bezoek van de Myrddraal werd haar geestesval getoond. Als je bij je eigen cour’souvra geleidde, was dat uiterst pijnlijk. Hoe dichterbij, hoe meer pijn. Van zo nabij zou ze volgens haar zelfs een simpele aanraking van de Bron niet overleven. En dat was nog maar het kleinste gevaar van een geestesval.
Shaidar Haran grinnikte, een raspend geluid van gedroogd en gebarsten leer. Ook daarin verschilde hij van andere Myrddraal. Myrddraal waren veel wreder dan Trolloks die slechts bloeddorstig waren, en kil en gevoelloos. Shaidar Haran toonde echter vaak vermaak. Tot dusver prees ze zich gelukkig slechts wat blauwe plekken te voelen. De meeste vrouwen zouden op het randje van de waanzin verkeren, misschien wel helemaal gek zijn geworden.
‘En je vurigste wens is slechts te gehoorzamen?’ vroeg de ruisende, raspende stem.
‘Ja, ik wil dolgraag gehoorzamen, mia’cova.’ Alles, zolang ze dit maar overleefde. Nog steeds snakte ze naar adem, toen koude vingers opeens haar haren vastgrepen. Ze krabbelde zoveel mogelijk uit eigen beweging overeind, maar werd niettemin omhooggetrokken. Ditmaal bleven haar voeten gelukkig op de vloer rusten. De Myrddraal nam haar uitdrukkingsloos op. Ze herinnerde zich vorige bezoeken en het kostte haar moeite niet in elkaar te krimpen, niet te krijsen of gewoon saidar te pakken en er een eind aan te maken.
‘Doe je ogen dicht,’ kreeg ze te horen. ‘Hou ze dicht tot jou wordt opgedragen ze weer te openen.’
Moghedien kneep haar ogen stijf dicht. Een van Harans lessen was ogenblikkelijke gehoorzaamheid geweest. Bovendien kon ze met gesloten ogen net doen of ze zich ergens anders bevond. Alles wat noodzakelijk was.
Opeens trok de hand de Uitverkorene bij haar haren naar voren en onwillekeurig krijste ze. De Myrddraal was van plan haar tegen de muur te smijten. Haar handen gingen naar boven om zich te beschermen en Shaidar Haran liet haar los. Ze struikelde minstens nog tien stappen verder, terwijl haar kerker van hoek tot hoek nog geen tien stappen breed was. Houtrook. Ze ving een zwakke vleug houtrook op. Ze hield haar ogen echter ferm dicht. Ze wilde dit met niet meer dan enkele blauwe plekken overleven. Met zo weinig mogelijk blauwe plekken, voor de tijd die het zou duren.
‘Je kunt nu kijken,’ zei een lage stem.
Behoedzaam volgde ze het bevel op. De spreker was een lange, breedgeschouderde jongeman in zwarte laarzen en broek, en een ruim wit hemd dat van boven openstond. Hij keek haar met verrassend blauwe ogen aan vanuit een diepe zachte leunstoel bij een marmeren haard, waar vlammetjes op lange stammen dansten. Ze stond in een kamer met een houten lambrisering die misschien toebehoorde aan een rijke koopman of edelman van gemiddelde stand in deze tijd. De meubels waren licht bewerkt en met verguldsel afgezet. In de kleden waren rode en gouden krullen geweven. Maar dit was ongetwijfeld ergens in de buurt van Shayol Ghul. Het voelde niet aan als Tel’aran’rhiod, de enige andere mogelijkheid. Ze keek haastig links en rechts, en haalde diep adem. De Myrddraal was nergens te bekennen. De strakke cuandebanden rond haar borst leken te verdwijnen.
‘Heb je genoten van je tijd in de holte?’
Moghedien voelde ijsvingers in haar schedel boren. Ze was geen wetenschappelijk onderzoekster, maar ze kende het woord. Ze dacht er geen moment aan te vragen hoe een jongeman uit deze tijd ervan wist. Soms waren er bellen in het Patroon, hoewel iemand als Mesaana zou zeggen dat die uitleg veel te eenvoudig was. Patroonholten konden worden betreden als je wist hoe, en ze konden zoals alles in de wereld gebruikt worden. Wetenschappers hadden geweldige proefnemingen in holten gedaan, zoals ze zich nog vaag van verhalen herinnerde, maar ze bevonden zich eigenlijk buiten het Patroon en soms sloten ze zich een beetje af, braken er misschien van los en dreven weg. Zelfs Mesaana kon niet zeggen wat er gebeurde. Alleen dat alles erin dan voor altijd verdwenen was.
‘Hoe lang?’ Het verbaasde haar dat haar stem zo vast klonk. Ze ging voor de jongeman staan die lachend grote witte tanden toonde. ‘Ik vroeg hoe lang? Of weet je het niet?’
‘Ik zag je aankomen...’ Hij zweeg, hief een zilveren roemer van de tafel naast zijn stoel terwijl zijn ogen haar bij het drinken toelachten. ‘... Niet vannacht, maar de vorige avond.’
Ze kon een zucht van opluchting niet onderdrukken. De enige reden om een holte te willen betreden, was omdat de tijd daarin anders stroomde, soms langzamer, soms sneller. Soms veel sneller. Het zou haar niet zeer verbaasd hebben als de Grote Heer haar honderd of duizend jaar gevangen had gehouden en ze ontwaakt was in een wereld die hem reeds toebehoorde. Een wereld waarin ze haar weg mocht zoeken tussen de aasvreters, terwijl de andere Uitverkorenen aan de top stonden. Ze was nog steeds een Uitverkorene. In haar eigen gedachten tenminste. Tot de Grote Heer zelf zei dat het niet zo was. Ze had nog nooit gehoord dat er iemand uit een werkende geestesval was ontkomen, maar ze zou een uitweg vinden. Er was altijd een kans voor mensen die voorzichtig waren, terwijl degenen die behoedzaamheid lafheid noemden, vielen. Ze had zelf al enkelen van die zogenaamde brave luitjes voor een eigen cour’souvra naar Shayol Ghul gebracht.
Opeens drong het tot haar door dat deze kerel veel wist voor een Vriend van het Duister, vooral zo’n jongeling van nog geen twintig. Hij zwaaide een been over een leuning en lag haar als een brutale vlegel onder haar onderzoekende blik aan te kijken. Graendal zou hem misschien hebben gegrepen, indien hij enige rang of macht bezat. Een al te sterke kin voorkwam echter dat hij er leuk uitzag. Ze dacht niet ooit zulke blauwe ogen te hebben gezien. Met zijn onbeschaamde trekken vlak voor haar en met wat ze zojuist door de handen van Shaidar Haran te verduren had gekregen, met de bron die haar wenkte en zonder de Myrddraal overwoog ze deze jonge Vriend van de Duistere een hartig lesje te leren. Het gegeven van haar smoezelige kleren voegde er nog iets aan toe. Ze rook flauw naar het reukwater van het sop, maar ze had geen enkele manier geweten om het ruwe wollen kleed te wassen waarin ze Egwene Alveren was ontkomen en dat nog de scheuren van haar tocht omlaag naar de Krocht vertoonde. Haar behoedzaamheid won – dit vertrek moest zich dicht bij de Doemkrocht bevinden – won het maar net.
‘Hoe heet je?’ wilde ze weten. ‘Heb je enig idee tegen wie je spreekt?’
‘Ja, dat weet ik, Moghedien. Je mag me Moridin noemen.’
Moghedien snakte naar adem. Niet vanwege de naam; iedere dwaas kon zich de Dood noemen. Maar een klein, nog net zichtbaar zwart vlekje dreef dwars door een van zijn blauwe ogen en daarna door zijn andere oog. Deze Moridin had de Ware Kracht afgetapt en dat meermalen. Vele malen. Ze wist dat sommige geleiders, afgezien van die Altor, in deze tijd in leven bleven – deze kerel had evenveel vermogen als Altor – maar ze had niet gedacht dat de Grote Heer iemand die bij zondere gunst zou schenken. Een eer met een weerhaak, zoals iedere Uitverkorene wist. Op de lange duur was de Ware Kracht veel verslavender dan de Ene Kracht. Een sterke wil kon het verlangen naar meer saidar of saidin onderdrukken, maar zijzelf geloofde niet dat de menselijke wil sterk genoeg was om de Ware Kracht te weerstaan. Niet nadat de saa eenmaal in de ogen was verschenen. De prijs die uiteindelijk werd gevraagd, was anders, maar niet minder verschrikkelijk.