Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Die noodzaak werd haar bespaard door rennende laarzen in het voorvertrek. De slaapkamerdeur vloog open en een man rende naar binnen en stond stil.
‘U bent wakker. Goed,’ klonk Tallanvors stem na een ogenblik, waardoor haar hart de gelegenheid kreeg tot kloppen en zij weer op adem kwam. Ze probeerde Breanes hand los te laten – ze kon zich niet herinneren die gegrepen te hebben – maar tot haar verwondering gaf de vrouw haar even een kneepje voor ze haar hand liet gaan.
‘Er is iets aan de hand,’ ging Tallanvor door, snel naar het enige raam toelopend. Hij bleef ernaast staan alsof hij wilde vermijden gezien te worden, en tuurde de nacht in. ‘Baas Gil, kom vertellen wat je hebt gezien.’
Er verscheen een hoofd in de deuropening, een kale kop die glom in het duister. Daarachter, in de andere kamer, bewoog zich een dreigende schaduw; Langwin Dom. Basel Gil ontdekte dat ze nog steeds in bed lag, en de glans van zijn kale hoofd veranderde, alsof hij zijn ogen ergens anders op richtte, hoewel hij waarschijnlijk nauwelijks meer kon ontwaren dan het bed zelf. Baas Gil was breder dan Langwin maar veel kleiner. ‘Vergeef me, mijn koningin. Ik had niet de bedoeling...’ Hij schraapte heftig zijn keel en zijn laarzen schoven over de vloer. Als hij een muts had gehad, zou hij die in zijn handen ronddraaien of zenuwachtig in elkaar frommelen. ‘Ik liep in de Grote Gang, naar... naar...’ Hij kon het niet opbrengen haar te vertellen dat hij op weg was naar het stilletje. ‘Nou ja, ik keek daar even uit een raam en ik zag... een grote vogel, denk ik... die boven op de Zuidbarakken landde.’
‘Een vogel!’ Bij het horen van Lini’s ijle stem sprong baas Gil de kamer in zodat de deuropening vrijkwam. Of misschien door een flinke por in zijn dikke ribbenkast. Lini benutte meestal alle voordelen die haar grijze haren haar boden. Ze liep langs hem heen, het koord van haar nachtgewaad dichtknopend. ‘Dwazen! Lummels met ossenhersenen! Jullie maken mijn...’ Ze hield luid kuchend op. Lini vergat nooit dat ze de verzorgster van Morgase én van haar moeder was geweest, maar ze liet zich nimmer in het bijzijn van anderen gaan. Ze was geërgerd dat ze dat nu wel gedaan had, en dat klonk door in haar stem. ‘Heb je de koningin wakker gemaakt voor een vógel?’ Ze tikte wat tegen het haarnetje en stopte gedachteloos wat haren weg, die tijdens haar slaap waren losgeraakt. ‘Heb je gedronken, Basel Gil?’ Dat vroeg Morgase zich ook af.
‘Ik weet niet of het een vogel was,’ stribbelde baas Gil tegen. ‘Het zag er helemaal niet als een vogel uit, maar wat kan er anders vliegen? Alleen vleermuizen, toch? Het was groot. Er klommen mannen van zijn rug, en bij het opstijgen zat er nog steeds een op zijn nek. Ik gaf mezelf een paar klappen om wakker te worden en toen landde er nog zo’n... ding. Ook daar klommen weer mannen van af en toen landde er weer een, en besloot ik dat het tijd werd om het heer Tallanvor te vertellen.’ Lini snoof niet, maar Morgase kon voelen hoe haar strakke blik op hem en niet op haar was gericht. De man die zijn herberg in de steek had gelaten om haar te volgen, voelde die blik beslist. ‘Bij de waarheid van het Licht, mijn koningin,’ hield hij vol.
‘Licht!’ herhaalde Tallanvor. ‘Er is net iets... iets op de Noordbarakken geland.’ Morgase had hem nooit eerder zo geschokt gehoord. Eigenlijk was het enige dat ze wilde hen wegsturen, zodat ze alleen kon zijn met haar ellende, maar die hoop leek klein. Tallanvor was in veel opzichten nog erger dan Breane. Veel erger.
‘Mijn mantel,’ zei ze, en ditmaal was Breane er vlug bij om die aan te reiken. Baas Gil wendde zijn gezicht haastig naar de muur, terwijl ze uit bed klom en de zijden mantel aandeed.
Ze liep naar het raam toe, de ceintuur strikkend. Aan de overkant van de uitgestrekte binnenhof doemden de Noordbarakken op, lange, brede gebouwen van drie verdiepingen, met een plat dak. Nergens zag ze licht, in de barakken niet en nergens in de Burcht. Alles was stil en donker. ‘Ik zie niets, Tallanvor.’
Hij trok haar wat achteruit. ‘Blijf kijken,’ zei hij.
Een andere keer zou ze het spijtig hebben gevonden dat zijn hand haar schouder losliet, en geprikkeld zijn over haar eigen spijt en zijn toon. Maar nu, na Valda, voelde ze opluchting. En ergernis over die opluchting én zijn toon. Hij was veel te oneerbiedig, veel te koppig, veel te jong. Niet veel ouder dan Galad.
Er bewogen zich schaduwen in het maanlicht maar verder niets. Ergens in Amador zelf blafte een hond, en die kreeg meerdere antwoorden. Ze wilde net haar mond opendoen om Tallanvor en de anderen weg te sturen, toen een zwarte plek van de donkere barakken opsteeg en zich van het dak afwierp.
Tallanvor had het ‘iets’ genoemd, en ze had er geen betere naam voor. Ze kreeg de indruk van een lang lijf, omvangrijker dan de lengte van een man, met grote, geribde vleermuisachtige vleugels, die klapperden toen het wezen omlaag naar de binnenhof toe viel. De gestalte van een man die pal achter een slangachtige nek zat. En toen vingen de vleugels lucht, en het... iets... zeilde omhoog en hield het maanlicht tegen, toen het boven haar langs zweefde, met een lange, dunne staart erachteraan.
Langzaam sloot Morgase haar mond. Het enige dat in haar opkwam, was Schaduwgebroed. Trolloks en Myrddraal waren niet de enige door de Schaduw verwrongen wezens in de Verwording. Van zoiets als dit had ze nog nooit gehoord, maar haar leraressen in de Toren hadden gezegd dat er daar wezens leefden die niemand overleefde om het na te vertellen. Maar hoe kon zoiets zo ver in het zuiden zijn beland?
Opeens flitste een licht uit de richting van de hoofdpoort, vergezeld van een luide dreun, en vervolgens nog tweemaal op andere plaatsen bij de grote buitenmuur. Daar waren ook poorten, meende ze.
‘Bij de Doemkrocht! Wat was dat?’ sputterde Tallanvor in de korte stilte voor de waakgongen door het donker galmden. Er steeg geschreeuwen gekrijs op, en een hees gebrul dat klonk als een soort hoorngeschal. Vergezeld van donder als bij onweer schoot vuur om hoog, en ergens anders nogmaals.
‘De Ene Kracht,’ zuchtte Morgase. Ze mocht dan nauwelijks kunnen geleiden, maar dit kon ze voelen. Het idee van Schaduwgebroed vervloog. ‘Dat... dat moeten Aes Sedai zijn.’ Achter zich hoorde ze iemands adem stokken; Lini of Breane. Basel Gil mompelde opgewonden: ‘Aes Sedai,’ en Langwin zei iets terug, te zacht om het op te vangen. Ergens in de duisternis sloeg metaal op metaal; vlammen laaiden op en uit de wolkeloze hemel sloegen bliksems omlaag. Boven het lawaai uit kon ze nog net het geluid van noodklokken uit de stad horen, maar het waren er vreemd genoeg heel weinig.
‘Aes Sedai.’ Tallanvor zei het weifelend. ‘Waarom nu? Om jou te redden, Morgase? Ik dacht dat ze de Kracht niet tegen mensen konden gebruiken, alleen tegen Schaduwgebroed. Bovendien... als dat gevleugelde wezen geen Schaduwgebroed was, vertrouw ik mijn eigen ogen nooit meer.’
‘Je weet niet waar je het over hebt!’ sprak ze hem verhit tegen. ‘Jij... !’ De pijl van een kruisboog sloeg een wolk steensplinters van het raamkozijn. Een luchtstroompje raakte haar gezicht, toen de pijl tussen hen naar binnen kaatste en zich met een doffe klap in een bedstijl boorde. Een handbreedte naar rechts, en al haar moeilijkheden waren opgelost geweest.
Ze bewoog zich niet, maar Tallanvor trok haar met een vloek van het raam weg. Zelfs bij het maanlicht kon ze zijn bezorgde gezicht zien, terwijl hij haar onderzoekend aankeek. Even dacht ze dat hij haar gezicht ging strelen. Ze wist niet of ze dan zou gaan huilen of krijsen, of hem bevelen haar voor altijd te verlaten of...