Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Een Kroon van Zwarden
Een Kroon van Zwarden - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Een Kroon van Zwarden

Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:

Een Kroon van Zwarden
1 ... 135 136 137 138 139 140 141 142 143 ... 217
Перейти на страницу:

In plaats daarvan zei hij: ‘Het is veel waarschijnlijker dat het die mannen zijn, die Shamin, of hoe ze zichzelf ook noemen.’ Hij bleef de vreemde, onmogelijke verhalen geloven die zelfs tot in de Burcht waren doorgedrongen. ‘Ik geloof dat ik jullie hier nu uit kan krijgen; er zal veel verwarring zijn. Kom mee.’

Ze corrigeerde hem niet; slechts weinig mensen wisten iets van de Ene Kracht, laat staan van het verschil tussen saidar en saidin. Zijn idee had aantrekkelijke kanten. In de hitte van de strijd zouden ze wellicht kunnen ontsnappen.

‘En haar buiten aan zoiets blootstellen?’ krijste Lini. Opflitsen de lichten maakten de maan onzichtbaar, en gekraak en gedreun overstemden het lawaai van mensen en zwaarden. ‘Ik dacht dat je meer verstand had, Martijn Tallanvor. “Alleen dwazen kussen horzels of happen in vuur.” Je hoorde toch dat het de Aes Sedai zijn. Denk je dat ze het niet weet? Denk je dat?’

‘Mijn heer, als het Aes Sedai zijn...’ Baas Gils stem stierf weg.

Tallanvors handen lieten haar los, terwijl hij binnensmonds grommend wenste dat hij een zwaard had. Pedron Nial had hem niet toegestaan zijn wapen te dragen; Emon Valda was minder goed van vertrouwen. Even welde er teleurstelling in haar op. Hij had moeten volhouden, haar weg moeten dragen... Wat was er met haar aan de hand? Als hij haar om welke reden dan ook ergens naartoe had willen dragen, zou ze hem laten villen. Ze moest zich beheersen. Valda had een deuk in haar zelfvertrouwen gemaakt – nee, hij had het achteloos aan flarden gescheurd – maar ze moest zich aan die resten vastklampen en ze op een of andere manier weer sterk zien te maken. Als het de moeite waard was om die rafels weer aan elkaar te naaien.

‘Ik kan in elk geval uitzoeken wat er aan de hand is,’ snauwde Tallanvor, en hij schreed op de deur af. ‘Als het geen Aes Sedai zijn...’

‘Nee! Je blijft hier. Alsjeblieft.’ Ze was erg blij dat de lichte duisternis haar vurige gezicht verborg. Ze had liever haar tong afgebeten dan dat laatste woord gezegd, maar het was haar ontglipt voor ze er erg in had. Ze ging op besliste toon door. ‘Je blijft hier, om naar behoren over je koningin te waken.’

In het vage licht kon ze zijn gezicht zien, en zijn buiging leek heel keu rig, maar ze zou er haar laatste munt om verwedden dat hij boos was. ‘Ik zal in uw voorvertrek zijn.’ Aan zijn stem te horen was er geen twijfel mogelijk. Maar déze keer kon het haar niet schelen of hij boos was en zich weinig moeite getroostte om dat te verbergen. Ze kon die vreselijke man eigenhandig de nek omdraaien, maar niet vannacht, en hij mocht niet worden omgebracht door krijgslieden van wie onbekend was aan welke kant ze stonden.

De kans op slaap was verkeken, zelfs als ze daartoe in staat was geweest. Ze waste haar gezicht en poetste haar tanden zonder een lamp aan te steken. Breane en Lini hielpen haar zich te kleden in blauwgroene zijde met kant bij hals en polsen. Dat was gepaste kledij om Aes Sedai te ontvangen. Buiten in de nacht woedde saidin. Het moesten Aes Sedai zijn. Wie konden het anders zijn?

Toen ze zich bij de mannen in het voorvertrek voegde, zaten ze in het donker. Zelfs een kaars kon ongewenste aandacht trekken, maar er was enig maanlicht en van tijd tot tijd flitste er buiten door de Kracht ge wrocht vuur. Langwin en baas Gil sprongen eerbiedig van hun stoelen op. Tallanvor kwam langzamer overeind, en ze had geen licht nodig om te weten dat hij haar gemelijk opnam. Ze was woest dat zij het moest negeren – ze was zijn koningin – woest en amper in staat om dat uit haar stem te weren. Ze droeg Langwin op er nog enkele hoge, houten stoelen bij te zetten, wat verder van het venster af. In stilte zaten ze te wachten. Stilte aan hun kant, tenminste. Buiten weerklonken nog steeds donderende klappen, schalden hoorns en schreeuwden mannen. In dit alles voelde ze saidar toenemen, wegzakken en weer opkomen.

Na minstens een uur nam de strijd af en hield toen geheel op. Stemmen schreeuwden nog steeds onbegrijpelijke bevelen, gewonden krijsten, en soms weerklonken nog die vreemde, hese hoornklanken, maar er kletterde niet langer staal op staal. Het gevoel van de Kracht zakte weg; ze was er zeker van dat er binnen de Burcht vrouwen waren die nog steeds de Bron aanraakten, maar ze dacht niet dat er nog iemand geleidde. Na alle lawaai en opschudding leek het bijna vredig.

Tallanvor bewoog, maar ze gebaarde hem te blijven zitten voor hij kon opstaan; even dacht ze dat hij niet zou gehoorzamen. De nacht kwam tot een eind, zonlicht kroop door de ramen naar binnen en scheen op Tallanvors boosheid. Ze hield haar handen nog steeds in haar schoot. Van de vele deugden die deze jongeman nog moest leren, was geduld er een. Geduld stond als goede eigenschap slechts een treetje lager dan moed. De zon klom hoger. Lini en Breane begonnen steeds bezorgder met elkaar te fluisteren en wierpen blikken in haar richting. Tallanvor keek boos. Terwijl hij stijf in zijn stoel zat, gekleed in de donkerblauwe jas die hem zo goed stond, smeulden zijn donkere ogen. Baas Gil zat te draaien, streek eerst met de ene en dan met de andere hand over zijn hoofd en depte zijn blozende wangen met een doekje af. Langwin zat onderuitgezakt in zijn stoel. De zware oogleden van de voormalige uitsmijter deden hem half in slaap lijken, maar als hij naar Breane keek, gleed er een glimlach over zijn gezicht met de littekens en de ge broken neus. Morgase richtte al haar aandacht op haar ademhaling, bijna zoals ze gedurende haar maanden in de Toren had geoefend. Geduld. Als er niet gauw iemand kwam, Aes Sedai of niet, zou ze een scherp woord klaar hebben.

Onwillekeurig schrok ze op toen er ineens op de gangdeur werd gebonsd. Voor ze Breane kon opdragen te zien wie dat was, sloeg de deur tegen de muur. Morgase staarde naar de binnenkomer.

Een lange, donkere man met een haakneus staarde haar koud aan. Het lange gevest van zijn zwaard stak boven zijn schouder uit. Hij droeg een vreemde wapenrusting van zwart en goud gelakte platen, en de helm tegen zijn heup leek net de kop van een zwart met goudgroen insect, met drie lange, dunne groene veren. Achter hem aan kwamen er nog twee binnen, die hun helmen op hadden. Hun wapenrusting was dezelfde maar leek eerder geschilderd dan gelakt te zijn, en zij hielden een gespannen kruisboog in de hand. Er stonden er nog meer in de gang, met speren waaraan goud-zwarte kwasten hingen.

Tallanvor, Langwin en zelfs de dikke baas Gil kwamen overeind en plaatsten zichzelf tussen haar en haar merkwaardige bezoekers. Ze moest zich tussen hen door wringen.

De ogen van de man met de haakneus richtten zich op haar voor ze een verklaring kon eisen. ‘U bent Morgase, koningin van Andor?’ Zijn stem klonk hard en zijn woorden sprak hij zo lispelend uit dat ze hem amper kon verstaan.

Hij sprak weer voor ze kon antwoorden. ‘U komt met mij mee. Alleen,’ voegde hij eraan toe toen Tallanvor, Langwin en baas Gil naar voren stapten. De krijgslieden hieven hun kruisboog; zo te zien konden de zware pijlen gaten in een wapenrusting schieten. Geen man kon zoiets opvangen.

‘Ik heb er geen bezwaar tegen dat mijn mensen hier blijven tot ik terug ben,’ zei ze, veel kalmer dan ze zich voelde. Wie waren die mensen? Ze kende de tongval en de wapenrusting van elk land. ‘Ik weet zeker dat u mijn veiligheid zult waarborgen, kapitein...?’

Hij noemde geen naam, maar gebaarde haar slechts kort om hem te volgen. Tot haar grote opluchting deed Tallanvor ondanks zijn verschroeiende blik niet moeilijk. En tot haar grote ergernis keken baas Gil en Langwin eerst naar hem voor ze achteruitstapten.

In de gang stelden de soldaten zich rondom haar op, achter de aanvoerder en de twee mannen met de kruisboog. Een erewacht, probeerde ze zichzelf wijs te maken. Om zo spoedig na een veldslag onbeschermd rond te lopen was dwaasheid; er konden nog verzetshaarden zijn die iemand konden gijzelen, of iedereen over de kling jagen die hen opmerkte. Ze had het graag geloofd.

Ze probeerde de leider vragen te stellen, maar hij erkende op geen enkele manier haar aanwezigheid, waardoor ze het opgaf. Geen enkele soldaat keek in haar richting. Het waren mannen met harde ogen, van hetzelfde slag als de leden van haar eigen koninginnengarde, mannen die al eerder de strijd hadden gezien, en meer dan eens. Maar wie waren het? Hun laarzen stampten in de maat op de vloertegels als dreigende trommelslagen, wat nog versterkt werd door de kale burchtgangen. Er was weinig kleur, niets fleurigs en moois, afgezien van hier en daar een wandkleed dat Witmantels in bloedige gevechten afbeeldde.

1 ... 135 136 137 138 139 140 141 142 143 ... 217
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)