Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Ze merkte dat ze haar naar de kwartieren van de kapiteinheer-gebieder brachten en voelde zich ietwat misselijk worden. Ze had deze wandeling redelijk plezierig gevonden toen Pedron Nial nog leefde, maar was hem in de paar dagen sinds zijn dood gaan vrezen. Toen ze een hoek omsloegen, schrok ze echter bij de aanblik van zo’n twintig boogschutters die achter hun eigen aanvoerder aan stampten. Het waren mannen met hardleren borstplaten, die dwars over de borst met blauwe en zwarte strepen waren beschilderd. Ieder droeg een kegelvormige helm met een sluier van staalgrijze maliën die hun gezichten tot aan hun ogen afdekte. Hier en daar staken er wat snorren onder de maliën uit. De leider van de boogschutters boog voor de man van haar lijfwacht die als antwoord slechts zijn hand ophief.
Taraboners. Ze had in geen jaren een Taraboonse soldaat gezien, maar dit waren Taraboners, ondanks die strepen, of ze at haar muilen op. Het sloeg echter nergens op. Tarabon was tot leven gekomen chaos, door een burgeroorlog met wel honderd partijen die naar de troon streefden, en met Draakgezworenen. Uit zichzelf had Tarabon nooit een aanval op Amador kunnen uitvoeren. Tenzij er, hoe ongelofelijk ook, één man de anderen had verslagen, én de Draakgezworenen had verslagen, en... Het was onmogelijk en het verklaarde de soldaten met die vreemde wapenrusting niet, noch dat gevleugelde beest, noch...
Ze had gedacht dat ze vreemde zaken gezien had. Ze meende te weten wat misselijkheid was. Toen sloegen zij en haar wacht een andere hoek om en kwamen ze twee vrouwen tegen.
De ene was slank, even klein als een Cairhiense en donkerder dan een Tyreense. Ze was gekleed in een blauw gewaad dat een flink eind boven haar enkels ophield. Op haar borst en op de zijkant van haar wijde broekrok zaten zilveren bliksemschichten op een rode ondergrond. De andere vrouw, gekleed in saai grijs, was langer dan de meeste mannen. Haar goudblonde haar kwam tot aan haar schouders en was glanzend geborsteld. Ze had angstige, groene ogen. Een zilveren lijn verbond een zilveren armband aan de pols van de kleine vrouw met de halsband van de ander.
Ze weken opzij voor Morgases wacht, en toen de krijgsheer ‘Der’sul’dam’ mompelde – Morgase dacht dat het zoiets was; zijn lispelende tongval was moeilijk te verstaan – klonk het alsof hij tot iemand sprak die bijna, maar niet helemaal zijn gelijke was. De donkere vrouw neeg het hoofd, trok aan de leiband, en de vrouw met het gouden haar zonk op de vloer ineen met haar hoofd op haar knieën en haar handpalmen vlak op de vloer. Toen Morgase en haar wachters voorbijgingen, bukte de donkerharige vrouw zich om de ander een vriendelijk klopje op haar hoofd te geven, zoals je bij een hond doet. Erger nog, de knielende vrouw keek met genegenheid en dankbaarheid naar haar op.
Morgase kon doorlopen, kon voorkomen dat haar knieën het begaven of haar maag zich leegde. Die onderdanigheid was op zich al erg genoeg, maar ze was er zeker van dat de vrouw die over haar hoofd werd geaaid, kon geleiden. Onmogelijk! Ze liep als verdoofd verder en vroeg zich af of dit een droom of een nachtmerrie was. Ze hoopte dat het dat was. Ze besefte vaag dat ze stil stonden voor nog meer soldaten, deze keer in een wapenrusting van rood en zwart, toen...
De ontvangstkamer van Pedron Nial – nu die van Valda, of van wie de burcht ook had ingenomen – was veranderd. De grote, gouden vlammende zonneschijf in de vloer was gebleven, maar Nials veroverde banieren, die Valda had gehouden alsof het de zijne waren, waren verdwenen. Net als de meubels, behalve de eenvoudige stoel met de hoge rug die Nial en daarna Valda had gebruikt, die tussen twee grote kamerschermen in schrille kleuren stond. Het ene scherm toonde een zwarte roofvogel met een wrede snavel, een witte kam en gespreide vleugels met witte punten. Het andere liet een gele kat met zwarte vlekken zien, met één klauw op een dood, hertachtig wezen dat half zo groot was en lange, rechte hoorns en witte strepen in zijn vacht had. Er was een aantal mensen in de kamer, maar meer kon ze niet opnemen voordat een vrouw met een scherp gezicht en in een blauw gewaad naar voren kwam. Een kant van haar hoofd was geschoren; haar overgebleven haren waren in een lange bruine vlecht gevlochten die over haar rechterschouder hing. Haar blauwe ogen stonden minachtend en hadden even goed die van de arend of de kat geweest kunnen zijn. ‘U verkeert in de aanwezigheid van de Hoogvrouwe Suroth, de leidster van Zij die als eerste komen, degene die de Terugkeer bijstaat,’ zei ze met diezelfde lispelende tongval.
Zonder enige waarschuwing greep de man met de haakneus Morgase bij de nek en dwong haar naast hem neer te knielen. Als verdoofd, niet in het minst omdat haar de adem benomen werd, zag ze hem de vloer kussen.
‘Laat haar los, Elbar,’ lijsde een andere vrouw boos. ‘De koningin van Andor wordt niet op een dergelijke manier behandeld.’
De man die Elbar heette, kwam met gebogen hoofd half overeind. ‘Ik verlaag mijzelf, Hoogvrouwe. Ik smeek om vergeving.’ Zijn stem was zo koud en vlak als zijn tongval toestond.
‘Hiervoor heb ik weinig vergevingsgezindheid, Elbar.’ Morgase keek op. Het uiterlijk van Suroth bracht haar van haar stuk. De zijkanten van haar hoofd waren geschoren en lieten een glanzend zwarte hoofdkam over, die als manen over haar rug golfde. ‘Misschien als je gestraft bent. Breng jezelf aan. Uit mijn bijzijn! Ga!’ Het wuivende gebaar toonde vingernagels van bijna een duim lang. Die van duim en wijsvinger glinsterden blauw.
Geknield maakte Elbar een buiging, kwam soepel overeind en liep achterwaarts naar de deur. Nu pas besefte Morgase dat geen enkele krijgsman met hen naar binnen was gegaan. Ze besefte nog iets anders. Hij keek haar weer aan voor hij verdween. In plaats van wrok voor degene die hem deze straf had bezorgd, keek hij... berekenend. Er zou geen straf komen; dit alles was van tevoren afgesproken.
Suroth gleed naar Morgase toe. Ze hield haar lichtblauwe gewaad zorgvuldig open zodat haar rok zichtbaar bleef. Die was sneeuwwit, met honderden plooitjes. Over het hele gewaad waren ranken en weelderige rode en gele bloemen geborduurd. Morgase merkte dat de vrouw pas bij haar kwam staan toen zijzelf weer rechtop stond.
‘Je bent niet gewond?’ vroeg Suroth. ‘Als je gewond bent, zal ik zijn straf verdubbelen.’
Morgase stofte wat overbodig haar rok af, zodat ze die valse glimlach die de ogen van de vrouw nimmer bereikte, niet hoefde te zien. Ze nam de gelegenheid te baat om rond te kijken. Bij een muur knielden vier mannen en vier vrouwen. Ze waren jong, zagen er meer dan knap uit en droegen allemaal... Met een ruk wendde ze haar ogen af. Die lange, witte gewaden waren bijna doorzichtig! Opzij van de schermen zaten nog eens twee paar vrouwen geknield, een van elk paar in het grijs, de ander in het blauw met de geborduurde bliksemschichten, de pols van de een met een zilveren lijn verbonden aan de hals van de ander. Morgase stond er niet dicht genoeg bij om zeker te zijn, maar ze had het ziekmakende besef dat de vrouwen in het grijs konden geleiden. ‘Met mij is niets aan de hand, dank...’ Er lag iets enorms en rood-bruins uitgestrekt op de vloer – wellicht een stapel gelooide koeienhuiden. Toen zuchtte het. ‘Wat is dát?’ Ze kon voorkomen dat haar mond openviel, maar de vraag ontsnapte haar toch.
‘Je bewondert mijn lopar?’ Suroth gleed veel sneller van haar weg dan ze gekomen was. Het enorme wezen hief een grote, ronde kop op, zodat ze die met haar knokkels onder de kin kon aaien. Het deed Morgase aan een beer denken, maar het was zeker anderhalf maal groter dan de grootste beer waar ze ooit van gehoord had, en haarloos bovendien. Het had een nauwelijks zichtbare snuit en om zijn ogen lagen zware botringen. ‘Mij werd Almandaragal als een jong gegeven op mijn eerste echtnaamsdag; in dat jaar wist hij de eerste poging om mij te doden te voorkomen. Hij was nog maar een kwart van zijn huidige grootte.’ Er lag echte genegenheid in de stem van de vrouw. De... lopar trok zijn lippen op toen ze hem bleef strelen, en onthulde zware, spitse tanden. Hij strekte zijn voorpoten en liet zes lange klauwen uit zijn tenen komen. Daarna begon hij te snorren; het lage geknor klonk even hard als van wel honderd katten.