Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Ze hield er niet van om ongelijk te hebben. Ze was nog steeds niet gewend dat toe te geven. Niet echt. En nu zou ze zich tegen Elayne moeten verontschuldigen. Ze had de pest aan spijtbetuigingen. Het zou al erg genoeg worden, wanneer ze weer in hun kamers terug waren. Hopelijk waren Birgitte en Aviendha nog buiten. Ze zou het zeker niet hier midden op straat doen met al die onbekende voorbijgangers. Het was nu veel drukker, hoewel de zon achter de rondbuitelende zwermen krijsende zeevogels hoog boven haar nauwelijks hoger scheen te staan.
Het was niet gemakkelijk om na al die bochten en kruisingen de weg terug te vinden. Nynaeve moest wel vijf of zes keer de weg vragen, terwijl Elayne de andere kant uitkeek, alsof het haar niet kon schelen. Ze stampte over bruggen, dook om wagens heen, sprong opzij voor voortsnellende draagstoelen die zich door de menigte werkten, en hoopte dat Elayne iets zou zeggen. Nynaeve wist heel goed hoe je een grief levend moest houden, en hoe langer zijzelf zweeg, des te erger de eerste woorden zouden zijn. Dus hoe langer Elayne zwijgend doorliep, hoe grimmiger het beeld werd van wat haar in hun kamers te wachten stond. Dat maakte haar woedend. Ze had haar ongelijk al toegegeven, al was het alleen tegenover zichzelf. Elayne had het recht niet om haar zo te laten lijden. Haar gezicht stond zo betrokken dat zelfs de mensen die hun ringen niet opmerkten, ruim baan gaven. Mensen die ze wél zagen, leken dringend een zijstraat in te moeten. Zelfs een paar stoeldragers ontweken haar.
‘Hoe oud dacht jij dat Reanne was?’ vroeg Elayne plotseling. Nynaeve maakte een sprongetje. Ze waren bijna terug bij het Mol Haraplein. ‘Vijftig jaar. Misschien zestig. War doet het ertoe?’ Haar ogen gleden over de menigte om te zien of iemand er iets van op had gevangen. Een voorbijkomende marskraamster met een bak waarin gele vruchten lagen die citroenen werden genoemd, slikte haar kreet in, toen Nynaeves blik op haar viel, met als gevolg dat ze dubbelgebogen over haar bak begon te kuchen en te sputteren. Nynaeve snoof. De vrouw had waarschijnlijk geprobeerd iets op te vangen, of misschien wel een beurs te snijden. ‘Het is een gilde, Elayne, en ze wéten waar de Schaal is. Dat weet ik gewoon.’ Dat had ze helemaal niet willen zeggen. Als ze nu haar spijt uitte dat ze Elayne hierin had meegesleurd, zou het misschien niet zo erg worden.
‘Dat neem ik aan,’ zei Elayne afwezig. ‘Ik geloof wel dat ze het weten. Maar hoe komt het dat ze er zo oud uitziet?’
Nynaeve bleef stokstijf midden op straat staan. Na al dat geruzie en nadat ze eruit waren gegooid, gelóófde ze het? ‘Nou, ik geloof dat ze op dezelfde manier ouder wordt als wij allemaal, elke dag een beetje. Elayne, als je het geloofde, waarom verkondigde je dan zo luid wie je was? Je leek Rhiannon wel die bij de Toren aanklopte.’ Dat vond ze wel mooi gevonden; volgens het verhaal had koningin Rhiannon iets heel anders gekregen dan waarvoor ze gekomen was.
De vraag leek ondanks al Elaynes eigen lessen niet tot de ander door te dringen. Ze trok Nynaeve opzij toen een groene koets met gordijntjes langsratelde – de straat was hier niet erg breed – tot voor de gevel van een stoffenwinkel met een brede deuropening, waarin een paar paspoppen stonden, gekleed in half voltooide gewaden.
‘Ze gingen ons helemaal niets vertellen, Nynaeve, al had je er op je knieën om gesmeekt.’ Nynaeve deed haar mond verontwaardigd open, en klemde toen haar tanden weer op elkaar. Ze had het nooit over smeken gehad. Trouwens, waarom had zij het alleen moeten opknappen? Elke vrouw was beter dan Mart Cauton. Maar er zat Elayne iets dwars en ze liet zich niet afleiden. ‘Nynaeve, ze moet zijn vertraagd, net als iedereen. Hoe oud is ze, als ze er als vijftig of zestig uitziet?’
‘Waar heb je het over?’ Onbewust prentte Nynaeve zich de ligging van de winkel in; het werk van de naaister zag er behoorlijk goed uit en was de moeite van een bezoek waard. ‘Ze geleidt waarschijnlijk niet meer dan ze moet, omdat ze bang is voor een zuster te worden versleten. Ze zou dan zeker niet zo’n glad gezicht hebben.’
‘Je hebt niet goed opgelet, hè?’ mompelde Elayne. Ze zag de gezette naaister met een brede glimlach in de deuropening staan en trok Nynaeve naar een hoek van het gebouw. Als je de hoeveelheid kant in ogenschouw nam die de naaister op haar eigen jurk droeg, zou ze een blik van nabij best vinden als Nynaeve iets wilde kopen. ‘Vergeet die kleren nou even, Nynaeve. Wie is de oudste Aanvaarde die je je kunt herinneren?’
Nynaeve keek de ander effen aan. Die meid liet het klinken alsof ze alleen maar aan kleren dacht! En ze had wel degelijk geluisterd. Soms. ‘Elin Warrel, denk ik. Ik geloof dat ze van mijn leeftijd is.’ De jurk van de naaister zelf zou er natuurlijk ook mooi uitzien, met een wat bescheidener halslijn en veel minder kant. In groene zijde. Lan hield van groen, hoewel ze haar kleren beslist niet op hem ging afstemmen. Hij hield ook van blauw.
Elayne lachte blaffend en Nynaeve vroeg zich af of ze misschien hardop had staan denken. Ze kleurde hevig en probeerde het uit te leggen – als ze tot Beltije de tijd kreeg, zou het haar best lukken – maar Elayne gaf haar geen kans. ‘Elins zuster kwam haar vlak voor jullie aankomst in de Toren bezoeken, Nynaeve. Haar jóngere zuster. Die vrouw had grijs haar. Nou ja, een beetje. Ze moet boven de véértig geweest zijn, Nynaeve.’
Elin Warrel was ouder dan veertig? Maar... ‘Wat bedoel je nou, Elayne?’
Er was niemand dichtbij genoeg om te luisteren en niemand leek op hen te letten, behalve de nog steeds hoopvolle naaister, maar Elayne liet haar stem dalen tot een zacht gefluister. ‘Wij vertragen, Nynaeve. Ergens tussen de twintig en vijfentwintig beginnen we langzamer oud te worden. Hoeveel, dat hangt af van ons vermogen, maar het wanneer niét. Iedere geleidster heeft het. Takima zei dat het volgens haar het begin was van het verkrijgen van het leeftijdloze uiterlijk, maar ik meen dat niemand dat bereikt tot ze de stola minstens een jaar of twee draagt, soms wel vijf of meer. Ga maar na. Je wéét dat elke zuster met grijs haar oud is, al word je niet geacht het op te merken. Dus als Reanne is vertraagd – en dat moet – hoe oud is ze dan?’
Nynaeve gaf er niets om hoe oud Reanne was. Ze kon wel janken. Geen wonder dat niemand geloofde hoe oud ze was. Het verklaarde waarom de Vrouwenkring thuis over haar schouder had meegekeken, alsof ze betwijfelden dat ze oud genoeg was om volledig vertrouwd te worden. Fijn dat je als zuster een leeftijdloos gezicht kreeg, maar hoe lang zou het duren voor ze grijze haren kreeg?
Ze knipperde met haar ogen. En een harde klap schampte langs de achterkant van haar hoofd. Ze wankelde en wendde zich verbijsterd naar Elayne. Waarom had die haar geslagen? Maar Elayne lag ineengezakt op de grond, met gesloten ogen en een gemene paarsblauwe buil op haar slaap. Nynaeve viel onvast op haar knieën en nam haar vriendin in de armen.
‘Je vriendin moet ziek geworden zijn,’ zei een vrouw met een flinke neus, die naast haar neerknielde zonder te letten op haar gele jurk, die zelfs naar Ebodaraanse begrippen te veel boezem liet zien. ‘Ik help wel even.’
Een lange kerel die er, afgezien van een ontsierende vettige glimlach, goed uitzag in zijn geborduurde zijden vest, bukte zich om Nynaeves schouders te grijpen. ‘Kom mee. Ik heb een koets. We nemen jullie mee naar iets gemakkelijkers dan straatstenen.’
‘Ga weg,’ zei Nynaeve beleefd. ‘We hebben uw hulp niet nodig.’
Maar de man bleef proberen haar overeind te trekken en haar naar een rode koets te duwen, waar een vrouw in het blauw, kennelijk geschrokken, driftig wenkte. De vrouw met de lange neus probeerde zowaar Elayne op te tillen, terwijl ze de man voor zijn hulp dankte en doorzeurde dat zij zijn koets een goed idee vond. In minder dan geen tijd had zich een halve kring toeschouwers gevormd. De vrouwen mompelden meelevend over flauwvallen van de hitte, en de mannen boden aan de vrouwen weg te dragen. Een magere kerel was zo driest om zowat onder haar neus naar Nynaeves beurs te grijpen.