De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Aan de voet van de trap klonken door de gang flarden geluid van lachende dienaren die zichzelf met gezang vermaakten. Iemand tokkelde op een hanou en speelde een luidruchtige melodie, begeleid door handgeklap en voetgestamp. Hier was geen sierlijk pleisterwerk en er hingen geen mooie wandtapijten, alleen kale steen en naakt hout. Het licht in de gang kwam van wandtoortsen die tegen de zoldering walmden en zover van elkaar waren geplaatst dat het licht ertussen slecht was.
‘Ik ben blij dat je weer gewoon tegen me praat,’ zei Rhand. ‘Zoals je aan het buigen en schuifelen was, begon ik waarachtig te denken dat je nog meer Cairhiens dan de Cairhienin was.’ Hurins gezicht kleurde. ‘Wat dat betreft...’ Hij gluurde de gang in, in de richting van de geluiden, en keek alsof hij wilde spuwen. ‘Ze doen allemaal alsof ze zo netjes zijn, maar... Heer Rhand, iedereen zegt dat hij trouw is aan zijn meester of meesteres, maar ze geven allemaal aan, dat ze bereid zijn om te verkopen wat ze weten of gehoord hebben. En als ze wat op hebben, beginnen ze over de heren en vrouwen die ze dienen dingen in je oor te fluisteren die je haren te berge doen rijzen. Ik weet dat het Cairhienin zijn, maar wat hier allemaal gebeurt...’
‘We gaan zo snel mogelijk weg, Hurin.’ Rhand hoopte dat dat waar was. ‘Waar is die tuin?’ Hurin sloeg een dwarsgang in die naar de achterkant van het huis leidde. ‘Heb je Ingtar en de anderen al naar beneden gebracht?’
De snuiver schudde het hoofd. ‘Heer Ingtar heeft zich in de hoek laten dringen door zes of zeven van die zogenaamde edelvrouwes. Ik kon niet in z’n buurt komen om iets tegen hem te zeggen. En Verin Sedai stond bij Barthanes. Ze keek mij zo vuil aan toen ik erbij kwam, dat ik niet eens geprobeerd heb het haar te vertellen.’ Toen sloegen ze nog een hoek om en stonden Loial en Mart voor hen. De Ogier stond een beetje gebogen vanwege de lage zoldering. Loials grijns spleet zijn gezicht zowat in tweeën. ‘Ah, eindelijk, Rhand. Ik ben nog nooit zo blij geweest als toen ik daarboven weg kon komen. Ze bleven me maar vragen of de Ogier terugkwamen en of Galdrian bereid was om te betalen wat hij verschuldigd was. Alle Ogier-steenwerkers zijn weg omdat Galdrian ze klaarblijkelijk niet meer heeft betaald, behalve met beloften. Ik bleef volhouden dat ik er niets van wist, maar de helft leek te denken dat ik loog en de andere helft dat ik ergens op duidde.’
‘We gaan zo snel mogelijk weg,’ verzekerde Rhand hem. ‘Gaat het met je, Mart?’ Het gezicht van zijn vriend leek nog meer ingevallen en zijn jukbeenderen staken nog meer uit dan hij zich herinnerde, zelfs nog meer dan gisteren voor de herberg.
‘Ik voel me best,’ zei Mart humeurig, ‘maar het kostte me geen enkele moeite de diénaren in de steek te laten. Wie niet aan me vroeg of jij me liet verhongeren, dacht dat ik ziek was en wilde niet al te dichtbij komen.’
‘Heb je de dolk bespeurd?’ vroeg Rhand.
Mart schudde somber het hoofd. ‘Het enige dat ik voelde, was dat iemand me bijna de hele tijd in de gaten hield. Deze mensen kunnen haast even goed rondsluipen als een Schim. Bloedvuur, ik sprong bijna uit m’n vel toen Hurin me vertelde dat hij het spoor van de Duistervrienden had gevonden. Rhand, ik kan de dolk helemaal niet voelen en ik ben dit hele rottige landhuis afgerend, van de zolder tot de kelders.
‘Dat wil niet zeggen dat hij er niet is, Mart. Ik heb hem bij de Hoorn in de kist gestopt, weet je nog? Misschien kun je daardoor de dolk niet voelen. Ik geloof dat Fajin niet weet hoe hij de kist open moet maken, anders had hij die moeite niet genomen om dat hele gewicht mee te sjouwen toen hij uit Fal Dara vluchtte. Zelfs al dat goud van de kist is niet van belang naast de Hoorn van Valere. Als we de Hoorn vinden, vinden we de dolk ook. Je zult het zien.’
‘Zolang ik maar niet meer hoef te doen of ik je dienaar ben,’ mopperde Mart. ‘Zolang je maar niet gek wordt...’ Hij maakte de zin niet af, maar vertrok zijn mond.
‘Rhand is niet gek, Mart,’ zei Loial. ‘De Cairhienin zouden hem nooit hebben toegelaten als hij geen heer was geweest. Zij zijn degenen die gek zijn.’
‘Ik ben niet gek,’ zei Rhand ruw. ‘Nog niet. Hurin, laat me die tuin zien.’
‘Deze kant op, heer Rhand.’
Ze stapten de donkere nacht in door een deur die zo klein was dat Rhand moest bukken om erdoorheen te kunnen. Loial moest zelfs helemaal vooroverbuigen en zich zo smal mogelijk maken. Uit de bovenramen viel zoveel licht dat Rhand de stenen wandelpaden tussen de vierkante bloembedden goed kon onderscheiden. Aan beide kanten rezen de zware schaduwen van stallen en andere bijgebouwen op. Zo nu en dan waaiden er flarden muziek naar buiten, van de dienaren beneden of van de kunstenmakers bij hun meesters boven.
Hurin leidde hen verder langs de paden tot zelfs de vage lichtvlekken verdwenen. Ze zochten hun weg bij maanlicht en hun laarzen schraapten zacht over de stenen. Struiken die overdag een en al bloem waren, vormden nu vreemde vormen in het duister. Rhand voelde aan zijn zwaard en liet zijn ogen niet te lang ergens op rusten. Er konden hier wel honderd Trolloks verborgen zitten. Hij wist dat Hurin de Trolloks zou ruiken als ze er zaten, maar dat hielp niet veel. Als Barthanes een Duistervriend was, moesten in ieder geval een paar van zijn dienaren en schildwachten dat ook zijn, en Hurin kon niet altijd de geur van een Duistervriend onderscheiden. Een Duistervriend die uit het donker te voorschijn sprong, maakte weinig verschil met een Trollok.
‘Dáár, heer Rhand,’ wees Hurin fluisterend.
Voor hen omsloten stenen muren die boven Loials hoofd uitstaken, een vierkant van misschien vijftig bij vijftig pas. In de duisternis kon Rhand het niet goed zien, maar het leek alsof de tuin daarachter verder liep. Hij vroeg zich af waarom Barthanes midden in zijn tuin een ommuurde hof had gebouwd. Er stak geen dak boven de muren uit. Waarom zouden ze daar naar binnen gaan en er blijven? Loial bukte zich en hield zijn mond bij Rhands oor: ‘Ik zei je al dat hier vroeger een Ogiergaarde was. Rhand, de saidinpoort ligt achter die muur. Ik kan hem voelen.’
Rhand hoorde Mart een wanhopige zucht slaken. ‘We kunnen het niet opgeven, Mart,’ zei hij.
‘Ik geef het niet op. Ik heb alleen nog net genoeg verstand om niet nog eens de saidinwegen op te gaan.’
‘We moeten misschien wel,’ zei Rhand. ‘Ga Ingtar en Verin zoeken. Probeer ze op de een of andere manier apart te krijgen – het kan me niet schelen hoe – en zeg ze dat ik geloof dat Fajin de Hoorn door een saidinpoort heeft meegenomen. Maar laat niemand anders het horen. Vergeet niet kreupel te lopen; men neemt aan dat je bent gevallen.’ Hij was heel verbaasd dat zelfs Fajin de saidinwegen durfde te nemen, maar het leek het enige antwoord te zijn. Ze zouden bier geen dag en nacht in de open lucht blijven zitten. Mart maakte een diepe buiging en zijn stem droop van spot: ‘Onmiddellijk, mijn heer. Zoals mijn heer wenst. Zal ik uw banier dragen, heer?’ Hij keerde zich om naar het landhuis en zijn gemopper stierf weg in het donker. ‘Nu moet ik ook nog kreupel lopen. De volgende keer is het een gebroken nek of...’
‘Hij maakt zich gewoon bezorgd om de dolk, Rhand,’ zei Loial. ‘Ik weet het,’ zei Rhand. Maar hoelang zal het duren voordat hij iemand per ongeluk vertelt wat ik ben? Hij wilde niet aannemen dat Mart hem met opzet zou verraden, want Mart was zijn boezemvriend. ‘Loial, til me op, zodat ik over die muur kan kijken.’
‘Rhand, als er nog Duistervrienden...’
‘Die zijn er niet. Til me op, Loial.’
Met z’n drieën kropen ze dichter naar de muur toe en Loial vouwde zijn handen, zodat Rhand er zijn voet op kon zetten. De Ogier richtte zich ondanks Rhands gewicht moeiteloos op en tilde hem hoog genoeg op om over de muur heen te kunnen kijken. De smalle, afnemende maan gaf weinig licht en het grootste deel van de tuin lag in de schaduw, maar binnen de ommuurde hof leken geen bloemen of struiken te staan. Er stond slechts één enkele witmarmeren bank, die zo geplaatst was dat degene die erop zat naar een massieve, rechtopstaande rotsplaat in het midden van de ruimte kon kijken.