Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 128 129 130 131 132 133 134 135 136 ... 203
Перейти на страницу:

Toen ze de trappen bestegen, mopperde Mart: ‘Ik zie nog steeds niet in waarom ik een dienaar moet zijn.’ Hij en Hurin volgden de anderen. ‘Bloedvuur, als Rhand een heer mag zijn, kan ik ook wel een mooie mantel vinden.’

‘Een dienaar,’ zei Verin, zonder zich om te draaien, ‘kan veel plekken bekijken waar andere mannen niet kunnen komen. Menig heer zal je niet eens opmerken. Jij en Hurin weten wat je taak is.’

‘Nou rustig, Mart,’ voegde Ingtar eraan toe, ‘tenzij je wilt dat ze ons ontmaskeren.’ Ze naderden de deur, waar een handvol wachtposten stond met de Boom en Kroon van Huis Damodred op de borst, en een even groot aantal lieden in donkergroene livrei met de Boom en Kroon op hun mouwen.

Rhand haalde diep adem en overhandigde de uitnodiging. ‘Ik ben heer Rhand van Huis Altor,’ gooide hij eruit om er maar vanaf te zijn. ‘En dit zijn mijn gasten. Verin Aes Sedai van de Bruine Ajah, heer Ingtar van Huis Shinowa in Shienar, Loial, zoon van Arent, zoon van Halan, van stedding Shangtai.’ Loial had gevraagd of zijn stedding ongenoemd mocht blijven, maar Verin had erop gestaan dat ze alle vormelijkheden moesten uitspelen die ze nodig konden hebben. De dienaar die met een vluchtige buiging de uitnodiging had willen aannemen, schrok op bij iedere naam. Zijn ogen vielen zowat uit zijn kassen bij het horen van Verins naam. Met verstikte stem zei hij: ‘Wees welkom in Huis Damodred, mijne heren. Wees welkom, Aes Sedai. Wees welkom, vriend Ogier.’ Hij gebaarde de andere dienaren de deuren wijd open te gooien en boog diep voor de binnenkomende gasten, waarna hij haastig de uitnodiging aan een andere dienaar doorgaf en iets in diens oor fluisterde.

Deze man had de Boom en Kroon groot voorop zijn groene jas staan. ‘Aes Sedai,’ zei hij en maakte zwaar leunend op zijn lange staf voor iedereen een buiging, waarbij zijn neus bijna zijn knieën raakte. ‘Mijne heren. Vriend Ogier. Ik word Ashin genoemd. Gelieve mij te volgen.’

In de buitenzaal bevonden zich alleen dienaren, maar Ashin bracht hen naar een grote zaal met vele edelen. Aan de ene zijde trad een jongleur op en aan de andere kant waren tuimelaars. Stemmen en muziek van elders vertelden dat er nog meer gasten en nog meer vermaak waren. De edelen stonden in groepjes van twee, drie of vier, soms mannen en vrouwen tezamen, soms alleen mannen of vrouwen, maar overal met een zorgvuldig afgemeten tussenruimte, zodat niemand een gesprek kon afluisteren. De gasten droegen de donkere Cairhiense kleuren, elk met felle stroken tot halverwege hun borst, en sommigen zelfs helemaal tot aan hun middel. De vrouwen hadden hun haar opgestoken in ingewikkelde torens van krullen, die allemaal anders waren, en hun donkere rokken waren zo wijd dat ze slechts zijdelings door een deur konden. Geen enkele man had het geschoren hoofd van een krijgsman; ze hadden allen een donkere fluwelen muts over hun lange haren, de een klokvormig, de ander plat. Net als bij de vrouwen verdwenen hun handen in manchetten van ivoorkleurig kant.

Ashin stampte met zijn staf en kondigde hen met luide stem aan, Verin als eerste.

Ze trokken ieders aandacht. Verin droeg haar stola met bruine franje en geborduurde wijnranken. De aankondiging van een Aes Sedai veroorzaakte bij de heren en vrouwen een besmuikt gemompel en een jongleur liet een ring vallen, maar niemand had nog aandacht voor hem. Loial kreeg, zelfs voor Ashin zijn naam uitsprak, bijna net zoveel bekijks. Ondanks het zilverborduursel op Rhands kraag en mouwen zorgde de verder volkomen zwarte mantel ervoor dat hij vergeleken met de Cairhienin bijna streng overkwam, en Ingtars en zijn zwaard trokken vele ogen. Geen van de heren leek gewapend. Rhand hoorde meer dan eens het woord ‘reigerkling’. Enkelen keken hem gefronst aan, waarschijnlijk lieden die hij door het verbranden van hun uitnodiging had beledigd.

Een slanke, knappe man kwam naderbij. Hij had lang, grijzend haar en meerdere kleurige banen sierden de voorkant van zijn grijze jas met hoge boord, van de hals tot net boven zijn knieën. Voor een Cairhienin was hij buitengewoon lang, slechts een half hoofd kleiner dan Rhand, maar hij had een houding die hem nog langer deed lijken. Met zijn kin omhoog leek hij met zijn gitzwarte ogen op iedereen neer te kijken, maar Verin keek hij behoedzaam aan. ‘De Genade eert mij door uw aanwezigheid, Aes Sedai.’ Barthanes Damodreds diepe stem klonk zelfverzekerd. Zijn blik gleed over de anderen. ‘Zulk een voornaam gezelschap verwachtte ik niet. Heer Ingtar. Vriend Ogier.’ Zijn buiging naar beiden was amper meer dan een hoofdknikje; Barthanes wist heel goed hoe machtig hij was. ‘En u, mijn jonge heer Rhand. U voert vele gesprekken in de stad en in de Huizen. Misschien krijgen we vanavond de kans op een gesprek.’ Zijn toon gaf aan dat hij er niet rouwig om zou zijn als die kans nooit zou komen en dat zo’n gesprek niet aan hem besteed was, maar zijn ogen knepen zich iets samen bij Ingtar, Loial en Verin. ‘Wees welkom.’ Hij liet zich wegleiden door een knappe vrouw die een beringde hand onder vele lagen kant op zijn arm legde. Maar toen hij wegliep, richtte hij zijn ogen weer op Rhand. De gemompelde gesprekken werden hervat en de jongleur wierp zijn ringen weer omhoog tot ze bijna het bewerkte en gepleisterde plafond raakten, ruim vier stap hoog. De tuimelaars waren niet gestopt en een vrouw sprong uit de samengevouwen handen van haar gezel de lucht in. Terwijl ze rondtolde glansde haar geoliede huid in het licht van een honderdtal lampen. Ze landde op haar voeten in de handen van een andere man die al op de schouders van een derde stond. Hij tilde haar met uitgestrekte armen op terwijl de man eronder hem op dezelfde manier optilde en ze spreidde haar armen alsof ze handgeklap verwachtte. Geen enkele Cairhienin leek het op te merken.

Verin en Ingtar mengden zich onder de mensen. De Shienaraan werd af en toe achterdochtig bekeken, sommigen zetten grote ogen op bij de Aes Sedai, anderen hadden de zorgelijke blik van iemand die een getergde wolvin binnen handbereik vindt. Dat laatste kwam bij mannen meer voor dan bij vrouwen en enkele vrouwen spraken haar zelfs aan.

Rhand besefte dat Mart en Hurin al waren verdwenen naar de keukens, waar alle dienaren van de gasten wachtten tot ze opgeroepen werden. Hij hoopte dat ze zonder al te veel moeilijkheden konden wegglippen.

Loial bukte zich om iets in zijn oor te fluisteren. ‘Rhand, er is een saidinpoort dichtbij. Ik kan het voelen.’

‘Bedoel je dat hier een Ogiergaarde was?’ vroeg Rhand zacht en Loial knikte.

‘Stedding Tsofu was bij de aanplanting ervan nog niet teruggevonden, anders zouden de Ogier die Al’cair’rahienallen opbouwden, geen nieuwe gaarde als herinnering aan de stedding nodig hebben gehad. Dit was allemaal het bosdomein van de koning, toen ik eerder door Cairhien trok.’

1 ... 128 129 130 131 132 133 134 135 136 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)