De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Rhand greep de bovenkant van de muur en trok zich op. Loial siste en greep naar zijn voet, maar hij trok zich los en liet zich aan de andere kant van de muur vallen. Hij voelde kort stoppelig gras onder zijn voeten en vaag bedacht hij dat Barthanes hier schapen moest laten grazen. Hij staarde naar de beschaduwde stenen plaat van de saidinpoort en schrok toen er laarzen naast hem neerploften. Hurin kwam overeind en sloeg zichzelf af. ‘U moet voorzichtig zijn, heer Rhand. Wie weet wie zich hier verborgen houdt. Of wat.’ Hij tuurde rond in de duisternis binnen de muren en voelde aan zijn riem naar het korte zwaard en zijn hartsvanger. Die had hij echter in de herberg moeten achterlaten, want in Cairhien liepen dienaren niet gewapend rond. ‘Als je zonder te kijken in een kuil springt, zul je er altijd een slang in vinden.’
‘Je zou ze hebben geroken,’ zei Rhand.
‘Misschien.’ De snuiver snoof luidruchtig door zijn neus de lucht op. ‘Maar ik kan alleen ruiken wat ze hebben gedaan, niet wat ze van plan zijn.’
Boven Rhands hoofd klonk een schrapend geluid toen ook Loial zich naar beneden liet zakken. De Ogier hoefde niet eens zijn armen helemaal te strekken voor zijn laarzen de grond al raakten. ‘Onbesuisd,’ mopperde hij. ‘Jullie mensen zijn altijd zo onbesuisd en haastig. En nou steek je mij ook nog aan. Ouder Haman zou mij ernstig hebben toegesproken en mijn moeder...’ Rhand kon zijn gezicht in het donker niet goed zien, maar hij was er zeker van dat zijn oren heftig bewogen. ‘Rhand als je niet wat voorzichtiger wordt, bezorg je mij nog grote problemen.’
Rhand begaf zich naar de saidinpoort en liep er helemaal omheen. Zelfs van dichtbij zag de poort er nog steeds uit als een massieve, vierkante steen, die boven hem uitstak. De achterkant was glad en koel toen hij hem aftastte, maar de voorkant was door een kunstenaarshand gebeeldhouwd. Het oppervlak was bedekt met ranken, bladeren en bloemen, en elk ervan was zo meesterlijk dat ze in het vage maanlicht bijna echt leken. Hij voelde aan de grond ervoor; het gras was in twee halve bogen gedeeltelijk weggeschraapt, zoals dat door een openzwaaiende poort zou gebeuren, is dit een saidinpoort?’ vroeg Hurin onzeker, ik heb er natuurlijk van gehoord, maar...’ Hij snuffelde in de lucht. ‘Het spoor leidt er rechtstreeks naar toe en verdwijnt dan, heer Rhand. Hoe moeten we ze nu volgen? Ik heb gehoord dat wie een saidinpoort binnengaat, er krankzinnig uitkomt. Als hij er al uitkomt.’
‘Het kan wel, Hurin. Ik heb het gedaan, en Loial, Mart en Perijn.’ Rhand bleef naar de verstrengelde bladeren op de steen staren. Hij wist dat één blad anders was. Het drievingerige blad van de legendarische Avendesora, de Levensboom. Hij legde er zijn hand op. ‘Ik wed dat je hun spoor langs de saidinwegen kunt volgen. Waar zij vluchten, kunnen wij ze volgen.’ Het kon geen kwaad zichzelf te bewijzen dat hij door een saidinpoort durfde te stappen, ik zal het je bewijzen.’ Hij hoorde Hurin kreunen. Het blad was net als de andere in de steen uitgehouwen, maar in zijn handen kwam het los. Ook Loial kreunde.
Onmiddellijk leken de bladen en planten tot leven te komen. Stenen bladeren leken te trillen in een briesje, bloemen begonnen zelfs in het donker kleur te tonen. In het midden van de rotsplaat verscheen een streep en de twee helften van de steen schoven langzaam op Rhand af. Hij stapte achteruit om ze te laten opengaan. Hij zag echter niet de zilveren weerspiegeling die hij zich herinnerde. De ruimte tussen de opengaande deuren was zo’n zwarte duisternis dat de nacht er licht bij leek. Het pikzwarte duister sijpelde tussen de nog steeds bewegende deuren door naar buiten.
Met een schreeuw sprong Rhand achteruit en liet in zijn haast het Avendesorablad vallen. Loial riep: ‘Machin Shin! De Zwarte Wind!’ Het geluid van wind klonk oorverdovend; het gras golfde naar de muren toe. Zand wervelde omhoog en werd de lucht in geslingerd. En in die wind leken duizend, nee tienduizend krankzinnige stemmen te huilen, elkaar verdringend, elkaar overstemmend. Rhand kon er enkele verstaan, hoewel hij probeerde niet te luisteren. ... bloed, zo zoet, zo zoet om bloed te drinken, bloed dat druipt en druipt, druppels zo rood; mooie ogen, heldere ogen, ik heb geen ogen, ruk de ogen uit je hoofd; maal je botten, splijt de botten in je vlees, zuig je merg op terwijl je krijst, schreeuwt, brult, zingt en krijst, zingt en krijst... En door dit alles heen klonk het allerergste gefluister: Altor. Altor. Altor.
Rhand vond de leegte om zich heen en omarmde die, niet lettend op de lokkende, ziekelijke gloed van saidin net buiten zijn bereik. Het grootste gevaar op de saidinwegen was de Zwarte Wind, die je ziel stal of het leven nam van zijn slachtoffers. Maar Machin Shin hoorde toch bij de saidinwegen? Hij kon er niet uit, maar stroomde nu wel de nacht in en riep zijn naam.
De saidinpoort was nog niet helemaal open. Als ze nu maar het Avendesorablad konden terugzetten... Hij zag hoe Loial op handen en knieën tastend en zoekend over het gras rondkroop. Saidin vervulde hem. Hij voelde zijn botten trillen, voelde de roodgloeiende, ijskoude stroom van de Ene Kracht, voelde zich meer dan ooit leven, voelde de gladde, olieachtige smet... Nee! In stilte schreeuwde hij van buiten de leegte zichzelf toe. Hij komt voor jou! Hij gaat ons allemaal doden! Hij wierp het allemaal naar de zwarte klodder die nu mansgroot door de poort bolde. Hij wist niet wat hij wierp, maar in het hart van die duisternis bloeide een schitterende fontein van licht op.
De Zwarte Wind krijste, tienduizend maal een woordeloos martelend gejank. Langzaam, duim voor tegenstribbelende duim, kromp de klodder en vloeide terug in de nog steeds geopende saidinpoort. De Kracht raasde als een maalstroom door Rhand. Hij kon de band tussen hem en saidin voelen, een bruisende rivier, een razende stroomversnelling tussen hem en het naakte vuur dat in het hart van de Zwarte Wind brandde. De hitte in hem werd roodgloeiend, witheet, een trilling die steen kon smelten, staal verdampen en de lucht ontvlammen. De kilte nam toe tot de lucht in zijn longen bevroor en even hard bevroren moest zijn als metaal. Hij kon voelen hoe saidin hem begon te overmeesteren, voelen hoe zijn leven afbrokkelde als een rivieroever van zachte klei, hoe hij sleet.
Kan niet ophouden! Als hij eruit komt... Ik moet hem doden! Ik – kan – niet – ophouden! Wanhopig klemde hij zich aan de laatste restjes van zichzelf vast. De Ene Kracht raasde in hem rond. Hij dreef mee als een splinter in een stroomversnelling. Het niets begon te smelten en te stromen, de leegte wolkte van ijzige kou. De saidinpoort kwam tot stilstand en begon weer dicht te zwaaien. Rhand staarde ernaar. In de vage gedachteflarden buiten de leegte wist hij zeker dat hij alleen zag wat hij wilde zien. De deuren gleden naar elkaar toe en duwden Machin Shin terug, alsof de Zwarte Wind uit teer bestond. In zijn borst bulderde nog steeds een loeiende hitte. Met een vaag soort afstandelijke verbazing bleef Rhand toekijken hoe Loial op handen en knieën van de dichtzwaaiende deuren wegkroop.
De kier werd smaller en verdween. Gebladerte en wingerd gleden weg in een stevige muur en werden steen.
Rhand voelde dat de band tussen hem en het vuur brak, hoe de stroom van de Kracht verminderde. Nog even en hij zou er helemaal door zijn meegesleurd. Bevend viel hij op zijn knieën. Het was nog steeds in hem. Saidin. Geen stroom meer, maar nog wel de bron. Hij was een bron van de Ene Kracht. Het schokte door hem heen. Hij kon het gras ruiken, het zand eronder, de stenen van de muren. Zelfs in het donker kon hij elk sprietje gras zien, elk afzonderlijk en alle tegelijk. Hij kon elk miniem zuchtje lucht op zijn gezicht voelen. Zijn tong gruwde van de smaak van de smet, zijn maag was een harde, verkrampte bal.