De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Ik heb niet meer aansporing nodig, Aes Sedai,’ zei Rhand, en liet de titel hard klinken. Mart. De Hoorn. Fajins dreigement. Licht, Egwene! Bloedvuur, ik heb niet meer aansporing nodig. ‘En jij, Rhand Altor? Voel jij je goed? Vecht je er nog steeds tegen of heb je je al aan het Rad overgegeven?’
‘Ik rij met u mee voor de Hoorn,’ zei hij. ‘Verder heeft geen enkele Aes Sedai iets met mij te maken. Begrijpt u me? Niets!’ Ze zweeg en hij liep weg, maar toen hij de trap opliep, staarde ze hem nog steeds na. Haar donkere ogen stonden scherp en nadenkend.
34
Het Rad weeft
Het eerste morgenlicht liet de lucht al zilvergrijs oplichten toen Thom Merrilin terugslofte naar de Druiventros. Zelfs in de straten van vertier in Voorpoort bestond er een korte tijd waarin alles rustig was en mensen weer krachten opdeden. In zijn huidige stemming zou Thom het niets eens hebben gemerkt als de lege straten in brand hadden gestaan.
Een paar van Barthanes’ gasten hadden erop aangedrongen dat hij bleef, lang nadat de meesten vertrokken waren, lang nadat Barthanes zelf naar bed was gegaan. Het was zijn eigen schuld geweest: hij had De Grote Jacht op de Hoorn verder laten zitten en was overgestapt op het soort verhalen en liederen dat hij in de dorpen opvoerde, zoals Mara en de drie dwaze koningen en Hoe Susa Jain Kim stapper temde en verhalen over Anla, de wijze raadsvrouwe. Hij had deze keus als een soort persoonlijke opmerking over de domme gasten bedoeld, maar hij had nooit kunnen dromen dat er iemand naar wilde luisteren, laat staan erdoor geboeid zou worden. Ze hadden nog meer van die verhalen willen horen, maar ze hadden gelachen op de verkeerde plaatsen, om de verkeerde dingen. Ze hadden ook om hem gelachen en blijkbaar gedacht dat hij het niet zou merken, of anders dat een volle beurs in zijn zak elke wond zou helen. Hij had de beurs al twee keer bijna weggegooid.
De zware beurs brandde in zijn zak en gewonde trots was niet de enige oorzaak van zijn stemming, zelfs de minachting van de adel niet. Ze hadden hem vragen gesteld over Rhand en waren niet echt fijnzinnig geweest: hij was immers maar een simpele speelman. Waarom was Rhand in Cairhien? Waarom had die Andoraanse edelman hem, een speelman, terzijde genomen? Te veel vragen. Hij was er niet zeker van of zijn antwoorden behendig genoeg waren geweest. Hij reageerde te roestig voor het Grote Spel.
Voordat hij naar De Druiventros stapte, was hij naar De Grote Boom gegaan. Als je in Cairhien wat zilver in enkele handpalmen drukte, was het niet moeilijk om uit te zoeken waar iemand verbleef. Hij wist nog steeds niet precies wat hij had willen zeggen. Rhand was met zijn vrienden en de Aes Sedai vertrokken. En hij bleef met het gevoel zitten dat iets onaf was. De jongen is nu zelfstandig. Bloedvuur, ik heb er niets meer mee te maken!
Hij beende de ongewoon lege gelagkamer door en nam de trap met twee treden tegelijk. Dat probeerde hij tenminste, maar zijn rechterknie boog niet goed en hij viel bijna. In zichzelf brommend beklom hij de rest van de trap wat langzamer. Zachtjes deed hij zijn kamerdeur open om Dena niet wakker te maken.
Onwillekeurig glimlachte hij toen hij haar nog steeds in haar kleren met het gezicht naar de muur op bed zag liggen. In slaap gevallen terwijl ze op me wachtte. Dwaze meid. Het was lief bedoeld. Hij wist bijna zeker dat ze nooit iets kon doen dat hij haar niet zou vergeven of goed zou praten. In een opwelling besloot hij dat ze die avond voor het eerst mocht optreden. Hij liet de harpkist op de vloer zakken en legde een hand op haar schouder om haar te wekken en het haar te vertellen.
Ze rolde slap terug op haar rug en staarde hem aan met wijd open verglaasde ogen. Haar keel was opengesneden. De kant van het bed die haar lichaam had verborgen, was donker en doorweekt. Thoms maag kwam in opstand. Als zijn keel niet zo was dichtgesnoerd dat hij geen adem kon halen, had hij overgegeven, of geschreeuwd, of beide.
Het gekraak van de deuren van de kleerkast was de enige waarschuwing die hij kreeg. Hij tolde rond, messen kwamen uit zijn mouwen en schoten uit zijn handen. Het eerste lemmet trof de keel van een dikke, kalende man die een dolk in de hand had. De man strompelde achteruit; bloed borrelde tussen zijn grijpende vingers door toen hij probeerde te schreeuwen.
Het omdraaien op zijn slechte been had Thoms andere mes echter iets van richting veranderd. Het boorde zich in de rechterschouder van een zwaargespierde man met een gezicht vol littekens. Hij was net uit de andere kast gestapt en zijn mes viel uit een hand die plotseling niet meer deed wat hij wilde, waarna de grote man naar de deur strompelde.
Voor hij een tweede stap kon doen, toverde Thom nog een mes te voorschijn en jaapte hem in de achterkant van zijn been. De grote man gaf een gil en struikelde. Thom greep een handvol vettig haar en sloeg het gezicht van de man tegen de muur naast de deur. De man schreeuwde weer toen het heft van het mes in zijn schouder de deur raakte.
Thom hield het mes in zijn hand dreigend op een duim afstand van de ogen van de overvaller. Door de littekens zag de grote man er hard uit; hij staarde zonder te knipperen en zonder een spier te bewegen naar de dolkpunt. De dikke man, die half in de kast lag, schopte een laatste keer en lag stil.
‘Voor ik je dood,’ zei Thom, ‘zeg het me. Waarom?’ Zijn stem klonk zacht, als verdoofd. Vanbinnen voelde hij zich ook verdoofd. ‘Het Grote Spel,’ zei de man snel. Zijn stem kwam van de straat, net als zijn kleren, maar ze waren iets te fraai, te weinig gedragen; hij had meer geld te besteden dan een Voorpoorter. ‘Niks tegen jou persoonlijk, snap je. Het is alleen maar het Spel.’
‘Het Spel? Ik ben niet betrokken bij Daes Dae’mar! Wie wil me voor het Grote Spel ombrengen?’ De man aarzelde. Thom bracht het lemmet dichterbij. Als de kerel met zijn ogen knipperde, zouden zijn wimpers de punt raken. ‘Wie?’
‘Barthanes,’ kwam het hese antwoord. ‘Heer Barthanes. We wilden je niet doden. Barthanes wil inlichtingen. We wilden er alleen achterkomen wat je wist. Het kan je goud opleveren. Een mooie, zware goudkroon voor wat je weet. Misschien wel twee.’
‘Leugenaar! Ik was gisteravond in Barthanes’ huis. Even dicht bij hem als ik bij jou sta. Als hij iets van me had gewild, was ik er niet levend vandaan gekomen.’
‘Geloof me! We zijn al dagen naar je op zoek, naar iedereen die wat over die Andoraanse heer weet. Pas gisteravond hoorde ik hier beneden voor het eerst je naam. Heer Barthanes is gul. Misschien krijg je wel vijf kronen.’
De man trachtte zijn hoofd weg te draaien van het mes in Thoms hand, maar Thom drukte hem nog steviger tegen de muur. ‘Welke Andoraanse heer?’ Maar hij wist het. Het Licht mocht hem bijstaan. Hij wist het.
‘Rhand. Van Huis Altor. Lang. Jong. Een zwaardmeester, of hij draagt in ieder geval zo’n zwaard. Ik weet dat hij jou heeft opgezocht. Hij en een Ogier, en jullie hebben gepraat. Vertel me wat je weet. Misschien doe ik er zelf nog een paar kronen bij.’
‘Dwaas,’ fluisterde Thom. Is Dena hiervoor gestorven? O Licht, ze is dood. Hij wilde huilen. ‘De jongen is een schaapherder.’ Een schaapherder in een mooie mantel, met Aes Sedai eromheen als bijen om een honingroos. ‘Een gewone schaapherder.’ Zijn greep op de haren van de man werd nog steviger.
‘Wacht! Wacht! Je kunt er meer uit slaan dan die vijf kronen, misschien wel tien. Waarschijnlijk wel honderd. Elk Huis wil alles weten over die Rhand Altor. Twee of drie hebben me al benaderd. Met wat jij weet en wat ik weet van wié het wil weten, kunnen we allebei onze zakken vullen. En er was een vrouw, een vrouwe, die ik meermalen heb gezien terwijl ik naar hem vroeg. Als we erachter kunnen komen wie ze is... man, dat kunnen we ook verkopen.’