De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘We zullen er later over praten,’ zei Verin. Ze klonk zo beslist dat niemand op de rit naar de herberg nog iets zei. Daar verliet Uno hen, na enkele woorden van Ingtar. Hij nam de krijgslieden mee naar hun herberg in Voorpoort. In het licht van de gelagkamer wierp Hurin één blik op Verins gesloten gezicht, bromde iets over bier en schuifelde naar een afgelegen tafeltje in de hoek. De Aes Sedai wimpelde de beleefde vragen van de herbergierster over hoe het geweest was af en ging Rhand en de anderen zwijgend voor naar de afgezonderde eetzaal.
Toen ze binnenkwamen, keek Perijn op van De reizen van Jaim Kimstapper. Hij fronste zijn wenkbrauwen bij het zien van de gezichten. ‘Het is niet goed gegaan?’ vroeg hij en sloeg het in leer gebonden boek dicht. De lampen en kaarsen van bijenwas in de kamer gaven goed licht, vrouw Tiedra vroeg een forse prijs, maar ze beknibbelde niet.
Verin vouwde haar stola zorgvuldig op en legde hem over een rugleuning. ‘Vertel het me nog eens. De Duistervrienden namen de Hoorn mee door een saidinpoort? In Barthanes’ huis?’
‘De grond waarop het huis staat, is ooit een Ogiergaarde geweest,’ legde Loial uit. ‘Toen we hier bouwden...’ Onder haar blik stierf zijn stem weg en werden zijn oren slap.
‘Hurin heeft ze helemaal tot aan de poort gevolgd.’ Rhand plofte in een stoel neer. Nu moet ik ze dringender dan ooit achterna gaan. Maar hoe? ik maakte de poort open om hem te tonen dat hij het spoor ook daar kon volgen, maar toen stak de Zwarte Wind op. Die probeerde ons te grijpen, maar Loial slaagde erin de poorten te sluiten voor de Wind er helemaal uit kon komen.’ Hij kleurde een beetje toen hij dat zei, maar Loial had de poort gesloten. ‘De Wind hield de wacht.’
‘De Zwarte Wind,’ fluisterde Mart en zat verstijfd op het puntje van zijn stoel. Ook Perijn staarde Rhand aan, net als Verin en Ingtar. Mart liet zich in zijn stoel achterover ploffen. ‘Je moet je vergist hebben,’ zei Verin ten slotte. ‘Machin Shin kan nooit als waker worden gebruikt. Niemand kan de Zwarte Wind dwingen zoiets te doen.’
‘Het is een schepping van de Duistere,’ zei Mart dof. ‘Er kwamen Duistervrienden binnen. Misschien wisten die hoe ze hulp konden vragen of hulp konden afdwingen.’
‘Niemand weet precies wat Machin Shin is,’ zei Verin, ‘tenzij misschien de essentie van waanzin en wreedheid. Je kunt er niet mee argumenteren, Mart, of ermee onderhandelen, of ertegen praten. Hij kan niet gedwongen worden, door geen enkele Aes Sedai van deze tijd en misschien zelfs niet eens door degenen die eerder hebben geleefd. Denk je echt dat Padan Fajin kan wat tien Aes Sedai niet kunnen doen?’ Mart schudde zijn hoofd.
Er hing een sfeer van wanhoop, verloren hoop en een gemiste kans in de kamer. Het doel dat ze wilden bereiken, was verdwenen, en zelfs op Verins gezicht lag een uitdrukking van ontreddering.
‘Ik had nooit gedacht dat Fajin de moed heeft voor de saidinwegen.’ Ingtar klonk bijna mild, maar opeens sloeg hij met zijn vuist op tafel. ‘Het kan me niet schelen hoe, zelfs niet of Machin Shin voor Fajin werkt. Ze hebbenjJe Hoorn van Valere meegenomen door de saidinpoort, Aes Sedai. Ze kunnen al in de Verwording zijn, halverwege Tyr of Tanchico, of aan de andere kant van de Aielwoestenij. De Hoorn is weg. Ik ben verloren.’ Hij liet zijn handen zakken en zijn schouders zakten ineen. ‘Ik ben verloren.’
‘Fajin neemt de Hoorn mee naar de Kop van Toman,’ zei Rhand. Hij was weer onmiddellijk het middelpunt van ieders aandacht. Verin keek hem met samengeknepen ogen aan. ‘Dat heb je al eerder gezegd. Hoe weet je dat?’
‘Hij heeft een boodschap aan Barthanes gegeven,’ zei Rhand. ‘Een valstrik,’ sneerde Ingtar. ‘Hij zou ons nooit verrellen waar we hem kunnen vinden.’
‘Ik weet niet wat jullie gaan doen,’ zei Rhand, ‘maar ik ga naar de Kop van Toman. Ik moet. Ik vertrek bij dageraad.’
‘Maar Rhand,’ zei Loial, ‘het zal maanden duren voor we de Kop van Toman bereiken. Waardoor geloof jij dat Fajin op ons zal wachten?’
‘Hij wacht.’ Maar hoe lang duurt het voor hij besluit dat ik niet kom? Waarom heeft hij daar die waker gezet als hij wil dat ik hem achterna komt ‘Loial, ik zal zo hard mogelijk rijden en als ik Rood dood rijd, koop ik een ander paard, of ik steel er een als dat moet. Weet je zeker dat je mee wilt?’
‘Ik ben al zo lang bij je gebleven, Rhand. Waarom zou ik er nu mee ophouden?’ Loial pakte zijn pijp en begon tobak in de grote kop te stampen. ‘Zie je, ik vind je aardig. Ik zou je zelfs aardig vinden als je geen ta’veren was. Misschien vind ik je desondanks aardig. Je gooit me telkens tot aan mijn nek in heet water. Hoe dan ook, ik ga met je mee.’ Hij zoog aan zijn pijp om de trek te beproeven, nam een houtsplinter uit de stenen pot op de schouw en stak die in een kaarsvlam voor een vuurtje. ‘En ik denk niet dat je me kunt tegenhouden.’
‘Nou, ik ga ook,’ zei Mart. ‘Fajin heeft nog steeds die dolk, dus ga ik ook. Maar dat dienarengedoe is na vanavond afgelopen.’ Perijn zuchtte met een nadenkende blik in zijn gele ogen. ‘Ik geloof dat ik ook meega.’ Hij wachtte even en grinnikte toen. ‘Iemand moet Mart toch uit de nesten houden.’
‘Niet eens een slimme list,’ mompelde Ingtar. ‘Ik krijg Barthanes op
de een of andere manier wel alleen te pakken en dan krijg ik de waarheid er wel uit. Ik wil de Hoorn van Valere te pakken krijgen, niet achter Jak de Doler aanjagen.’
‘Het zou weleens geen valstrik kunnen zijn,’ zei Verin langzaam. Ze leek de vloer onder haar voeten te bestuderen. ‘In de kerkers van Fal Dara werd een aantal zaken achtergelaten, opschriften die verband hadden met gebeurtenissen in die nacht én – ze keek Rhand heel even van onder haar gefronste wenkbrauwen aan – de Kop van Toman. Ik begrijp het nog steeds niet helemaal, maar ik geloof dat we naar de Kop van Toman moeten. En ik geloof dat we de Hoorn daar zullen vinden.’
‘Zelfs al zouden we naar de Kop van Toman gaan,’ zei Ingtar, ‘tegen de tijd dat we daar zijn, kan Fajin of een van zijn Duistervrienden al honderd keer de Hoorn hebben gebruikt, en zullen de helden uit de graven voor de Schaduw strijden.’
‘Fajin had de Hoorn al honderd keer kunnen steken na zijn vlucht uit Fal Dara,’ zei Verin. ‘En hij zou dat volgens mij ook hebben gedaan als hij de kist had kunnen openen. Wij dienen ons meer zorgen te maken of hij iemand kan vinden die wél weet hoe de kist open moet. Wij moeten hem volgen over de saidinwegen.’ Perijn keek geschrokken op, Mart verschoof in zijn stoel en Loial kreunde zachtjes.
‘Zelfs als we op de een of andere manier langs de wacht van Barthanes kunnen sluipen,’ zei Rhand, ‘denk ik dat we daar nog steeds Machin Shin zullen vinden. We kunnen de saidinwegen niet gebruiken.’
‘Hoeveel van ons kunnen ongezien op Barthanes’ gebied komen?’ zei Verin afwijzend. ‘Er zijn andere saidinpoorten. Stedding Tsofu ligt niet ver van de stad, in zuidoostelijke richting. Deze jonge stedding is misschien pas zeshonderd jaar geleden herontdekt, maar toen lieten de Ogier-ouderen nog steeds saidinwegen groeien. Stedding Tsofu zal een saidinpoort hebben. We rijden uit bij het eerste licht.’ Loial maakte een geluid en Rhand was er niet zeker van of het de saidinpoort of de stedding betrof.
Ingtar leek nog steeds niet overtuigd, maar Verin was even glad en onverzettelijk als sneeuw die van een berghelling schuift. ‘Zorg ervoor dat je mannen gereed zijn om uit te rijden, Ingtar. Stuur Hurin met dat bericht naar Uno voor we gaan slapen. Ik geloof dat we allemaal zo spoedig mogelijk moeten gaan slapen. Die Duistervrienden hebben al minstens een dag op ons gewonnen en ik ben van plan morgen zoveel mogelijk terug te winnen.’ De gezette Aes Sedai zei het met zoveel gezag dat ze Ingtar al naar de deur leidde voor ze was uitgesproken.
Rhand volgde de anderen naar buiten, maar bij de deur bleef hij naast de Aes Sedai staan en keek Mart na, die de met kaarsen verlichte gang afliep. ‘Waarom ziet hij er zo slecht uit?’ vroeg hij. ‘Ik dacht dat jullie hem door de Heling meer tijd hadden gegeven.’ Ze wachtte tot Mart en de anderen de trap opliepen. ‘Kennelijk heeft het niet zo goed gewerkt als we veronderstelden. Zijn ziekte heeft een interessant verloop. Hij behoudt zijn kracht en die zal hij tot het eind toe houden, denk ik, maar zijn lichaam verteert. Nog een paar weken op zijn hoogst, zou ik zeggen. Je ziet dat we reden hebben ons te haasten.’