De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘U zult hem wel missen,’ zei Rhand. Hij probeerde zich om haar en haar wijde rokken heen te werken. Ze lachte klaterend, alsof hij de leukste grap van de wereld had gemaakt.
Een tweede vrouw drong zich naast Alaine en legde eveneens haar hand op zijn borst. Zij droeg net zoveel kleurbanen als Alaine; beiden waren ruim tien jaar ouder dan hij. ‘Dacht je hem voor jezelf te kunnen houden, Alaine?’ De twee vrouwen glimlachten elkaar toe met ogen als dolken. De tweede wendde zich glimlachend tot Rhand. ‘Ik ben Belevaere Osiellin. Zijn alle Andoranen zo lang? En zo knap?’ Hij schraapte zijn keel. ‘Eh... er zijn er meer van dezelfde lengte. Mijn verontschuldigingen, maar u moet me toestaan...’ ik zag u met Barthanes praten. Ze zeggen dat u Galdrian ook kent. U moet me eens komen opzoeken voor een gesprekje. Mijn echtgenoot bezoekt onze landerijen in het zuiden.’
‘Je bent even verfijnd als een taveernemeid,’ siste Alaine, Rhand meteen weer toelachend. ‘Ze heeft geen stijl. Geen enkele man vindt een vrouw met zulke grove manieren aardig. Neem bij uw bezoek uw fluit mee en we kunnen praten. Misschien wilt u me leren spelen?’
‘Wat Alaine voor fijnzinnigheid aanziet,’ zei Belevaere lieftallig, ‘is niets anders als gebrek aan moed. Een man met een reigerzwaard moet een dapper man zijn. Dat is toch een echt reigerzwaard, nietwaar?’
Rhand probeerde weg te komen. ‘Als u me nu wilt verontschuldigen, dan...’ Ze liepen stap voor stap met hem mee tot hij met zijn rug tegen de muur stond; hun wijde rokken vormden een tweede muur vóór hem.
Hij schrok toen een derde vrouw zich tussen de eerste twee drong, haar rokken toevoegend aan de muur voor hem. Ze was ouder dan de andere twee, maar even knap, met een gemaakte glimlach die haar scherpe oogopslag niet afzwakte. Ze toonde de helft meer aan kleurbanen dan Alaine en Belevaere, die een kleine knix maakten en haar pruilend aankeken.
‘Proberen deze twee spinnen u in hun web te vangen?’ De oudere vrouw lachte. ‘De helft van de tijd verstrikken ze eerder elkaar dan iemand anders. Kom mee, mooie Andoraanse jongeling, en ik vertel u wat over de problemen die zij u kunnen bezorgen. Om maar iets te noemen: ik heb geen echtgenoot om me zorgen over te maken. Echtgenoten veroorzaken altijd problemen.’
Over Alaines hoofd heen zag hij hoe Thom ging staan en een buiging maakte zonder dat iemand klapte of waardering toonde. Met een grimas griste de speelman een roemer van het blad van een verraste dienaar.
‘Ik zie iemand die ik moet spreken,’ zei Rhand tegen de vrouwen en hij perste zich door de muur van hun rokken op het moment dat de oudere vrouw zijn arm wilde pakken. Het drietal keek hem na toen hij zich naar de speelman haastte.
Thom keek hem over de rand van zijn roemer aan en nam nog een grote slok.
‘Thom, ik weet het, een snel afscheid. Maar ik wilde uit de buurt van die vrouwen komen. Ze wilden alleen maar praten over hun afwezige echtgenoten, maar ze bedoelden er heel andere dingen mee.’ Thom verslikte zich in zijn wijn en Rhand sloeg hem op zijn rug. ‘Als je te snel drinkt, gaat er altijd iets fout. Thom, ze denken dat ik met Barthanes samenspan, of misschien wel met Galdrian, en ze geloven mijn “nee” niet, denk ik. Ik had gewoon een smoes nodig om weg te komen.’
Thom streek met zijn knokkels langs zijn snorpunten en gluurde naar de drie vrouwen in de zaal. Ze stonden nog steeds bij elkaar en hielden hem en Rhand in de gaten. ‘Ik ken die drie, jongen. Breane Taborwin alleen kan je al zaken bijbrengen die iedere man eens in zijn leven moet horen, als hij het tenminste kan volhouden. Praten in afwezigheid van hun echtgenoten. Dat vind ik een mooie, jongen.’ Ineens stonden zijn ogen scherper. ‘Je zei me dat je niet meer in het gezelschap van een Aes Sedai was. De helft van de gesprekken gaat vanavond over de Andoraanse héér die onaangekondigd verschijnt, met een Aes Sedai aan zijn zijde. Barthanes én Galdrian. Deze keer zit je echt in de kookpot van de Witte Toren.’
‘Ze is pas gisteren gekomen, Thom. En zodra de Hoorn veilig is, ben ik weer vrij. Ik heb me vast voorgenomen me daaraan te houden.’
‘Je zegt het alsof de Hoorn nu niet veilig is,’ zei Thom langzaam. ‘Zo heb je me dat eerder niet verteld.’
‘Duistervrienden hebben hem gestolen, Thom. Ze hebben de Hoorn hierheen gebracht. Barthanes is een van hen.’
Thom leek in zijn wijn te turen, maar zijn ogen schoten heen en weer om er zeker van te zijn dat niemand zo dichtbij stond dat ze afgeluisterd konden worden. De drie vrouwen waren niet de enigen die hen verstolen gadesloegen terwijl ze deden of ze met elkaar stonden te praten, maar alle groepjes bewaarden hun onderlinge afstand. Desondanks hield Thom zijn stem gedempt. ‘Heel gevaarlijk om zoiets te zeggen als het onwaar is, nog gevaarlijker als het waar is. Zo’n beschuldiging, tegen de machtigste man in het koninkrijk... Zeg je dat hij de Hoorn heeft? Ik veronderstel dat je mijn hulp weer eens zoekt, nu je opnieuw verstrikt bent in de zaken van de Witte Toren.’
‘Nee.’ Hij had besloten dat Thom gelijk had, ook al kende de speelman de reden niet. Hij kon niemand anders bij zijn moeilijkheden betrekken, ik wilde alleen weg van die vrouwen.’ De speelman blies verrast zijn snorpunten opzij. ‘Tja. Nou. Dat is goed. De laatste keer dat ik je hielp, werd ik kreupel, en je lijkt jezelf weer op te hangen aan de touwtjes van Tar Valon. Deze keer moet je er zelf maar uit zien te komen.’ Hij klonk als een man die zichzelf trachtte te overtuigen.
‘Dat zal ik, Thom. Dat zal ik.’ Zodra de Hoorn veilig is en Mart die rottige dolk terug heeft. Mart, Hurin, waar zijn jullie? Alsof die gedachte een oproep was geweest, verscheen Hurin in de zaal. Zijn ogen zochten tussen de edelen, die dwars door hem heen keken. Dienaren bestonden niet, tot men ze nodig had. Toen hij Rhand bij Thom zag staan, zocht hij zich een weg tussen de groepjes edelen en boog voor Rhand. ‘Mijn heer, ik moest u gaan zeggen dat uw dienaar gevallen is en zijn knie heeft verdraaid. Ik weet niet hoe erg het is, mijn heer.’
Even bleef Rhand hem aanstaren tot hij het door had. Hij voelde alle ogen die naar hem keken en sprak hard genoeg om gehoord te worden door de edelen die het dichtst bij hem stonden. ‘Onhandige dwaas. Wat heb ik aan hem als hij niet kan lopen? Nou ja, ik kan maar beter kijken hoe erg het is.’
Het leken de juiste woorden te zijn. Hurin klonk opgelucht toen hij opnieuw boog en zei: ‘Zoals mijn heer wenst. Wil mijn heer mij volgen?’
‘Je speelt de rol van een heer heel goed,’ zei Thom zachtjes. ‘Maar denk eraan: Cairhien mag Daes Dae’mar spelen, de Witte Toren heeft het Grote Spel uitgevonden. Kijk goed uit, jongen.’ Hij wierp een donkere blik op de verzamelde edelen, zette zijn lege roemer op het blad van een voorbijkomende dienaar en wandelde weg terwijl hij zijn harp aansloeg. Hij begon aan de voordracht van Vrouw Mili en de zijdekoopman.
‘Wijs me de weg, man,’ zei Rhand tegen Hurin; hij vond zichzelf een dwaas. Toen hij achter de snuiver de zaal verliet, voelde hij hoe vele ogen hem volgden.
33
Een boodschap uit het Duister
‘Iets gevonden?’ vroeg Rhand toen hij achter Hurin aan een smalle trap afdaalde. De keukens bevonden zich een verdieping lager en alle dienaren die de gasten hadden begeleid, waren daarheen gestuurd. ‘Of heeft Mart zich echt bezeerd?’
‘O, met Mart is alles goed, heer Rhand.’ De snuiver dacht even na. ‘Hij praat tenminste alsof alles goed is en hij moppert als een gezonde vent. Ik wilde u niet ongerust maken, maar ik had een reden nodig zodat u naar beneden kon gaan. Het spoor vond ik zo. De mannen die de brand in de herberg hebben gesticht, zijn allemaal een ommuurde tuin achter dit huis ingegaan. De Trolloks hebben zich bij hen gevoegd. Gisteren ergens, denk ik. Misschien zelfs wel de avond ervoor.’ Hij aarzelde. ‘Heer Rhand, ze hebben die plek niet verlaten. Ze moeten daar nog steeds zijn.’