Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
‘Alstublieft,’ zei ze beleefd. Ze kon beleefd zijn als er reden toe was, wat iedereen verder ook zei. ‘Wij moeten écht een ter’angreaal zien te vinden, een die het Zeevolk de Schaal der Winden noemt. Hij bevindt zich in een stoffige, oude opslagplaats ergens in de Rahad, en ik geloof dat uw gilde, uw Kring zal weten waar. Help ons, alstublieft.’ Drie opeens versteende gezichten keken haar aan.
‘Er is geen gilde,’ zei meesteres Corlie ten slotte koel, ‘er zijn slechts een paar vriendinnen die geen plaats hebben gevonden in de Witte Toren’ – alweer die eerbiedige toon – ‘en die zo dwaas zijn om een hand uit te steken als het nodig is. Wij hebben niets van doen met ter’angrealen of angrealen, en evenmin met sa’angrealen. Wij zijn geen Aes Sedai.’ In dat laatste klonk weer die eerbied door. ‘In elk geval zijn jullie niet hier om vragen te stellen. Wij hebben nog enkele vragen, om te zien hoe ver jullie gekomen zijn, waarna jullie buiten de stad gebracht zullen worden en aan de zorg van een vriendin worden toevertrouwd. Ze houdt jullie bij haar tot we besloten hebben wat we daarna zullen doen. Tot we er zeker van zijn dat de zusters niet naar jullie op zoek zijn. Er ligt een nieuw leven voor je, een nieuwe kans, maar die zul je zelf moeten aangrijpen. Op welke belemmeringen jullie in de Toren ook zijn gestuit, die zijn hier niet van toepassing, of het nu een gebrek aan vaardigheid is, vrees of wat dan ook. Niemand zal je dwingen dingen te leren of te doen die je niet kunt. Wat je bent, volstaat. Nu tenminste.’
‘Genoeg,’ zei Elayne ijskoud. ‘Méér dan genoeg, Nynaeve. Of had je gedacht wie weet hoe lang op het platteland te wachten? Ze hebben hem niét, Nynaeve.’ Ze haalde haar Grote Serpent-ring uit haar beurs en stak hem aan haar vinger. Niemand zou uit de manier waarop ze naar de drie gezeten vrouwen keek, kunnen opmaken dat ze afgeschermd was. Ze was een koningin die haar geduld had verloren. Ze was van top tot teen en door en door een Aes Sedai. ‘Ik ben Elayne Trakand, Hoogzetel van Huis Trakand. Ik ben de erfdochter van Andor, Aes Sedai van de Groene Ajah, en ik eis van u dat u me onmiddellijk laat gaan.’ Nynaeve kreunde.
Garenia vertrok haar gezicht van afkeer, en Berowins ogen werden groot van afgrijzen. Reanne Corlie schudde bedroefd haar hoofd, maar toen ze sprak was haar stem van ijzer, ‘Ik had gehoopt dat Setalle je van gedachten had doen veranderen aangaande die ene leugen. Ik weet hoe zwaar het valt om trots naar de Witte Toren te gaan en dan te moeten terugkeren en bekennen dat je gefaald hebt. Maar die aanspraak wordt nooit hardop gemaakt, zelfs niet bij wijze van grap!’
‘Ik heb geen grap gemaakt,’ zei Elayne luchtig, maar zo kil als hagel. Garenia boog zich boos naar voren en vormde reeds Lucht, tot meesteres Corlie haar hand ophief. ‘En jij, Nynaeve? Hou jij die... waanzin ook vol?’
Nynaeve haalde diep adem. Deze vrouwen moesten weten waar de Schaal was. Dat moest gewoon!
‘Nynaeve!’ zei Elayne kribbig. Ze zou dit Nynaeve onder de neus blijven wrijven, zelfs als dat invloed zou hebben op hun ontsnapping. Ze kon op elke misstap blijven hameren tot de grond onder je voeten wegzakte.
‘Ik ben een Aes Sedai van de Gele Ajah,’ zei Nynaeve vermoeid. ‘De ware Amyrlin Zetel, Egwene Alveren, heeft ons in Salidar tot de stola verheven. Ze is niet ouder dan Elayne; u moet dat vernomen hebben.’ Geen enkele verandering in de drie stenen gezichten. ‘Ze heeft ons hierheen gestuurd om de Schaal der Winden te vinden. Daarmee kunnen we het weer herstellen.’ Geen enkele verandering. Ze probeerde haar boosheid te beheersen; ze probeerde het waarachtig. Desondanks druppelde het in alles naar buiten. ‘Jullie moeten dit ook willen! Kijk om je heen! De Duistere is bezig de wereld te wurgen! Als jullie een aanwijzing hebben waar de Schaal kan zijn, zeg het ons dan!’
Meesteres Corlie gebaarde naar Derys, die naar voren stapte, de kommen weghaalde en ondertussen bevreesd naar Nynaeve en Elayne keek. Toen ze zich weghaastte, de kamer uit, stonden de drie vrouwen langzaam op, als drie magistraten voor een vonnis.
‘Ik betreur het dat jullie onze hulp niet willen aanvaarden,’ zei meesteres Corlie koud. ‘Ik betreur dit alles.’ Ze voelde in haar beurs en drukte drie zilvermarken in Nynaeves hand, en nog eens drie in die van Elayne. ‘Daarmee kunnen jullie even voort. Jullie kunnen ook wel iets voor die kleding krijgen, denk ik, al zal dat veel minder zijn dan wat je ervoor hebt uitgegeven. Het is amper geschikte reiskleding. Morgen bij zonsopgang zijn jullie uit Ebo Dar vertrokken.’
‘We gaan nergens naartoe,’ zei Nynaeve. ‘Alstublieft, als u weet...’ Ze had net zo goed haar mond kunnen houden. De stroom van afgemeten woorden hield niet op.
‘Op die tijd laten we jullie beschrijvingen rondgaan, en we zullen er beslist voor zorgen dat de zusters in het Tarasin-paleis die vernemen. Als jullie na zonsopgang gezien worden, zullen we erop toezien dat zowel de zusters als de Witmantels weten waar jullie zijn. Aan jullie de keus: vluchten, jezelf aan de zusters overgeven of sterven. Ga, keer niet terug; wellicht blijven jullie in leven als jullie dit weerzinwekkende en gevaarlijke spel laten varen. Wij zijn met jullie klaar. Berowin, laat hen uit, alsjeblieft.’ Ze schoof tussen hen door en ging de kamer uit zonder om te kijken.
Nors liet Nynaeve zich naar de voordeur leiden. Vechten zou niets opleveren, behalve misschien er hardhandig uitgegooid worden, maar ze had er een hekel aan iets op te geven. Licht, nee! Elayne beende met haar mee, ijzig vastberaden om te vertrekken en dit alles achter zich te laten. Elke trek in haar gezicht leek dat uit te schreeuwen.
In de kleine hal besloot Nynaeve het nog één keer te proberen. ‘Alsjeblieft, Garenia, Berowin. Als jullie enige aanwijzing hebben, zeg het ons dan. Iets. Jullie moeten begrijpen hoe belangrijk het is. Het moet!’
‘De meest verblinden zijn zij die hun ogen gesloten houden,’ haalde Elayne aan, niet geheel binnensmonds.
Berowin aarzelde, maar Garenia niet. Ze hield haar gezicht vlak voor dat van Nynaeve. ‘Denk je dat we dwazen zijn, meisje? Ik zal je dit zeggen. Als ik het voor het zeggen had, zouden we je afvoeren naar de boerderij, wat je ook zou beweren. Een paar maanden van Alises aandacht leert je wel hoe je je tong moet beheersen. Je zult dankbaar zijn voor de hulp waar je nu op spuwt.’ Nynaeve overwoog haar een stomp op haar neus te verkopen; voor een vuist had ze geen saidar nodig.
‘Garenia,’ zei Berowin scherp, ‘bied je verontschuldigingen aan! Wij houden niemand tegen haar wil vast, en dat weet je heel goed. Verontschuldig je onmiddellijk!’
Toen kwam het meest verwonderlijke. De vrouw die als Aes Sedai heel hoog in de rangorde zou hebben gestaan, keek schuins naar de vrouw die heel laag zou hebben gestaan, en bloosde tot ze vuurrood was. ‘Ik vraag vergeving,’ mompelde Garenia tegen Nynaeve. ‘Soms krijgt mijn drift de overhand en dan zeg ik iets waartoe ik geen recht heb. Ik vraag nederig om vergeving.’ Ze keek nog eens zijdelings naar Berowin, die knikte, waarop ze een zucht van verlichting slaakte.
Nynaeve stond nog steeds met open mond te kijken, toen de schilden zich oplosten. Zij en Elayne werden de straat opgeduwd, en de deur dreunde achter hen dicht.
24
De Kinne
Ongelooflijk, dacht Reanne, vanuit een raam toekijkend hoe de twee meisjes op straat verdwenen tussen de werklieden, bedelaars en een enkele draagstoel. Zodra het paar naar beneden was geleid, was ze teruggekeerd naar de overlegkamer. Ze wist niet wat ze ervan moest denken. Hun stellige beweringen, tegen elk gezond verstand in, maakten slechts een deel uit van haar verwarring.
‘Ze zweetten niet,’ fluisterde Berowin naast haar schouder.
‘Nou en?’ Ze zou er binnen de kortste keren voor hebben gezorgd dat het nieuws het Tarasin-paleis bereikte, als ze haar woord niet had gegeven. En als dat gevaar er niet was geweest. De angst borrelde in haar op, dezelfde paniek die haar had bevangen nadat ze uit de eerste zilveren boog was gekomen tijdens de beproeving tot Aanvaarde. Maar net als al die keren in de jaren erna dat haar angst de kop had opgestoken, staalde ze zich weer; in feite besefte ze zelf niet dat de vrees dat ze wederom gillend zou wegrennen sinds lang voorkwam dat ze dat ooit nog daadwerkelijk zou doen. Ze hoopte dat de meisjes hun waanzin zouden opgeven. En zo niet, dat ze ver van Ebo Dar gegrepen zouden worden, en dan hun mond hielden of niet geloofd zouden worden. Er moesten voorzorgen genomen worden, veiligheidsmaatregelen worden ingesteld die al jaren in onbruik waren. Maar de Aes Sedai waren bijna almachtig. Dié waarheid zat tot in het merg van haar botten.