De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Een goed idee,’ zei Verin, ik ben hier eerder geweest, in De Grote Boom. Daar gaan we naar toe.’
Loial ging de paarden halen. Het dak van de herberg was nu volledig ingestort, maar de stallen waren aan de vlammen ontsnapt. Al gauw zochten ze hun weg door de straten. Ze reden allemaal, behalve Loial, die beweerde dat hij weer aan lopen gewend was geraakt. Perijn bereed een van de pakpaarden die ze naar het zuiden hadden meegenomen.
‘Hurin,’ zei Rhand, ‘hoe snel kun je hun spoor weer oppakken? Kun je het volgen? De mannen die jou hebben neergeslagen en de brand gesticht, hebben toch wel een spoor achtergelaten?’ ik kan het nu volgen, mijn heer. En ik kan ze in de straat ruiken. Maar het zal niet lang blijven hangen. Er waren geen Trolloks bij en ze hebben niemand gedood. Er waren alleen mensen, heer. Duistervrienden, denk ik, maar dat kun je niet altijd alleen aan de geur merken. Een dag misschien, voordat het spoor vervaagt.’ ik vermoed dat ook zij de kist niet kunnen openen, Rhand,’ zei Loial, ‘anders zouden ze enkel de Hoorn gepakt hebben. Dat zou voor hen veel gemakkelijker zijn geweest dan de hele kist.’ Rhand knikte. ‘Ze moeten hem in een wagen of op een paard geladen hebben. Als ze Voorpoort eenmaal uit zijn, zullen ze zich zeker bij de Trolloks voegen. Dat spoor zul je kunnen volgen, Hurin.’
‘Dat zal ik, mijn heer.’
‘Rust dan uit tot je weer bent aangesterkt,’ zei Rhand. De snuiver zag er beter uit, maar hij zat in elkaar gezakt op zijn paard en zijn gezicht toonde diepe lijnen. ‘Ze hebben op z’n best maar een paar uur voorsprong op ons. Als we hard rijden...’ Opeens merkte hij dat de anderen naar hem keken: Verin en Ingtar, Mart en Perijn. Hij besefte wat hij aan het doen was en zijn gezicht kleurde. ‘Het spijt me, Ingtar. Ik denk dat ik gewoon gewend ben geraakt aan leidinggeven. Ik probeer echt je plaats niet in te nemen.’
Ingtar knikte langzaam. ‘Moiraine Sedai heeft juist gekozen toen ze heer Agelmar vroeg jou tweede te maken. Misschien was het beter geweest als de Amyrlin Zetel jou het bevel had gegeven.’ De Shienaraan lachte blaffend. ‘Jou is het tenminste nog gelukt de Hoorn in handen te krijgen.’ Daarna reden ze in stilte door.
De Grote Boom had het evenbeeld kunnen zijn van De Verdediger van de Drakenmuur. Het was een groot, vierkant, stenen gebouw met een gelagkamer van donker hout, met veel zilveren beeldjes en een grote, glimmende klok op de schoorsteenmantel. De waardin had Cuaals zus kunnen zijn. Vrouw Tiedra had hetzelfde, ietwat gezette postuur, dezelfde onderdanige maniertjes, dezelfde scherpe ogen en dezelfde manier van luisteren naar woorden achter de woorden. Maar Tiedra kende Verin en haar welkomstglimlach voor de Aes Sedai was warm. Ze sprak de Aes Sedai nooit hardop met haar naam aan, maar Rhand was er zeker van dat ze het wist.
Tiedra en een zwerm dienaren zorgden voor hun paarden en brachten hen naar hun kamers. Rhands kamer was even mooi als zijn vorige uitgebrande kamer, maar hij had meer belangstelling voor de koperen badkuip. Twee mannen sleurden die moeizaam de kamer in, waarna de meiden emmers dampend water uit de keuken naar boven brachten. Een blik in de spiegel boven de wastafel liet hem een gezicht zien dat leek te zijn ingewreven met houtskool en de rode wol van zijn mantel werd ontsierd door zwarte vegen. Hij kleedde zich uit en klom in de kuip, maar al de tijd dat hij in de kuip zat, dacht hij diep na. Verin was er. Een van de drie Aes Sedai die hem niet zouden stillen of zouden overdragen aan Aes Sedai die dat wel zouden doen. Die indruk had hij tenminste gekregen. Een van de drie die hem wilde doen geloven dat hij de Herrezen Draak was, die hem als valse Draak wilde gebruiken. Zij is Moiraines oog dat mij bespiedt, Moiraines band die aan mijn touwtjes wil trekken. Maar ik heb de touwtjes doorgesneden.
Zijn zadeltassen waren naar boven gebracht, samen met een pak schone kleren dat op een pakpaard met Ingtar was meegekomen. Hij droogde zich af, maakte het pak open en zuchtte. Hij was vergeten dat zijn twee andere mantels al even deftig waren als die hij over een stoelrug had gegooid, zodat een dienstmeisje hem kon schoonmaken. Hij aarzelde even en koos toen de zwarte mantel, omdat die bij zijn stemming paste. Op de hoge kraag stonden zilveren reigers, en zilveren watervallen stroomden over zijn mouwen; water dat tegen rotspieken tot schuim sloeg.
Hij bracht zijn spullen over van de vuile naar de schone mantel en vond toen de perkamenten. Terwijl hij Selenes twee brieven nalas, stopte hij verstrooid de uitnodigingen in zijn zak Hij vroeg zich af hoe hij zich zo stom had kunnen gedragen. Zij was de knappe jonge dochter van een hoog Huis. Hij was een schaapherder die de Aes Sedai probeerden te gebruiken, een man die tot krankzinnigheid gedoemd was, als hij al niet eerder zou sterven. Maar hij kon haar aantrekkingskracht nog steeds voelen enkel door naar haar briefjes te kijken. Hij kon haar geur bijna ruiken.
‘Ik ben schaapherder,’ zei hij tegen de brieven, ‘geen groot man, en als ik met iemand trouw, is het met Egwene. Zij wil echter Aes Sedai worden en hoe kan ik trouwen, van een vrouw houden, als ik krankzinnig word en haar misschien dood?’
Maar de woorden konden zijn herinnering aan Selenes schoonheid niet verdrijven, of aan hoe ze naar hem keek en zijn bloed sneller deed stromen. Het leek bijna of ze in deze kamer was en hij haar rook. Hij keek rond en lachte toen hij zag dat hij alleen was. ‘Dat soort dromerij brengt me slechts meer in de war,’ bromde hij. Abrupt schoof hij het lamphuisje naast het bed open en hield de brieven in de vlam. De wind zwol buiten de herberg bulderend aan, kroop door de luikkieren en wakkerde de vlammen rond het perkament aan. Haastig gooide hij de brandende brieven in de koude haard voordat hij zijn vingers brandde. Hij wachtte tot de laatste verkoolde krullen waren gedoofd voor hij zijn zwaard omgespte en de kamer verliet.
Verin had een aparte eetkamer genomen, waar op planken nog meer zilver stond dan in de gelagkamer. Mart jongleerde met drie gekookte eieren en probeerde er onbekommerd uit te zien. Ingtar staarde diep fronsend in de koude haard. Loial had nog steeds enkele boeken uit
Fal Dara in zijn mantelzak en zat nu naast een lamp te lezen. Perijn zat in elkaar gedoken aan de tafel en keek naar zijn verstrengelde handen op het blad. Hij ving de geur op van de bijenwas waarmee de houten panelen werden ingewreven. Hij was het, dacht hij. Rhand is de Schaduwdoder. Licht, wat gebeurt er met ons allemaal? Zijn handen balden zich tot vuisten, groot en vierkant. Deze banden waren bedoeld voor een smidshamer, niet voor een strijdbijl. Hij keek op toen Rhand binnenkwam. Perijn vond dat hij er vastberaden uitzag, alsof hij al een plan had uitgestippeld. De Aes Sedai wees Rhand een stoel met een hoge rug tegenover haar. ‘Hoe gaat het met Hurin?’ vroeg Rhand terwijl hij zijn zwaard zo verschikte dat hij kon zitten. ‘Hij rust nu?’
‘Hij stond erop uit te gaan,’ zei Ingtar. ‘Ik heb hem gezegd het spoor zo ver te volgen tot hij Trolloks kon ruiken. Vanaf dat punt kunnen we het morgen volgen. Of wil je vannacht nog achter ze aan?’
‘Ingtar,’ zei Rhand niet op z’n gemak, ‘ik was echt niet van plan om het bevel op me te nemen. Ik dacht gewoon niet na.’ Maar hij is er niet zo zenuwachtig over als vroeger, dacht Perijn. Schaduwdoder. We veranderen allemaal.
Ingtar gaf geen antwoord maar bleef in de haard staren. ‘Er zijn een paar dingen waar ik heel veel belangstelling voor heb, Rhand,’ zei Verin rustig. ‘Allereerst: hoe je zonder een spoor uit Ingtars kamp kon verdwijnen. En hoe je een week voor ons in Cairhien kon aankomen. Die schrijver bij de poort was daar erg duidelijk over. Je moet hebben gevlogen.’
Een van Marts eieren viel op de vloer en barstte open. Maar hij keek er niet naar. Hij keek naar Rhand, en Ingtar had zich omgedraaid. Loial deed net of hij nog zat te lezen, maar hij keek bezorgd en zijn oren leken tot aan de harige toefjes gespitst.
Perijn besefte dat hij eveneens strak naar Rhand zat te kijken. ‘Nou, gevlogen heeft hij niet,’ zei hij. ‘Ik zie geen vleugels. Misschien heeft hij ons iets belangrijks te vertellen.’ Verin schonk hem even al haar aandacht. Het lukte hem haar recht in de ogen te kijken, maar hij was de eerste die de ogen neersloeg. Aes Sedai. Licht, waarom zijn we ooit zo stom geweest met een Aes Sedai mee te gaan? Rhand keek hem ook aan, dankbaar, en Perijn schonk hem een grijns. Hij was niet de Rhand van vroeger. Hij scheen gegroeid te zijn in die fraaie mantel die nu bij hem leek te horen, maar hij was nog steeds de jongen waarmee Perijn was opgegroeid. Schaduwdoder. Een man waar