De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Zarine. ‘Je raakt gespannen. Het voelt aan alsof ik me aan een rots vastklamp.’
‘Er is iets mis,’ zei hij. ‘Ik weet niet wat, maar er iets mis.’ Loial knikte mistroostig en mompelde iets over hoe zij hem konden dwingen terug te gaan.
De bouwstijl begon te veranderen toen ze verder gingen en over nog meer bruggen reden om de andere kant van Illian te doorkruisen. Zowat de helft van de stenen was ruw in plaats van gepolijst. De torens en paleizen verdwenen, om plaats te maken voor herbergen en pakhuizen. Op straat hadden veel mannen, en een paar vrouwen, een vreemde deinende gang; ze waren allemaal blootsvoets, waardoor hij aan zeelieden dacht. In de lucht hing een sterke geur van teer en hennep, en van hout, net gezaagd en bewerkt, en daarover de lucht van zure modder. De kanalen roken ook anders en hij trok zijn neus op. Pispotten, dacht hij. Pispotten en stilletjes. Zijn maag draaide ervan om.
‘De Bloemenbrug,’ kondigde Lan aan toen ze weer een lage brug passeerden. Hij snoof diep. ‘En nu zijn we in het Geurende Kwartier. De Illianers zijn een dichterlijk volkje.’ Achter Perijns rug smoorde Zarine een lachje.
En toen, alsof hij opeens genoeg had van de Illiaanse traagheid, leidde de zwaardhand hen snel door de straten naar een herberg, een gebouw van twee verdiepingen, opgetrokken uit ruwe, groendooraderde steen en met een dak van bleekgroene tegels. De avond viel en het licht werd zachter toen de zon onderging. Het gaf enige opluchting, maar niet veel. Er zaten jongens op stijgstenen voor de herberg, die opsprongen om hun paarden weg te brengen. Een zwartharige jongen van een jaar of tien vroeg Loial of hij een Ogier was, en toen Loial dat bevestigde, zei de jongen met een zelfverzekerd knikje: ‘Dat dacht ik al.’ Hij nam Loials grote paard mee, terwijl hij de van Loial ontvangen koperen munt opgooide en weer opving.
Perijn keek nadenkend naar het uithangbord voor hij de anderen naar binnen volgde. Een witgestreepte das danste op zijn achterpoten met een man die een zilveren spade droeg. ‘Kalmeer de Das’ stond er. Het moet een verhaal zijn dat ik niet ken.
In de gelagkamer lag zaagsel op de vloer en de lucht was zwaar van tobaksrook. Het rook er ook naar wijn, naar het bereiden van vis in de keuken en naar een zwaar soort reukwater. De open balken van de hoge zoldering waren grof bewerkt en donker van ouderdom. Zo vroeg in de avond was niet meer dan een kwart van de stoelen en banken bezet. De gasten waren gekleed in gewone werkmansjassen en vesten, en sommigen waren blootsvoets als zeelieden. Ze zaten bijna op elkaars schoot rond een tafel waarop een aardig donkerharig meisje zong en danste. Zij had rijkelijk gebruik gemaakt van het reukwater en haar rokken zwierden vrolijk rond op het getokkel van een twaalfsnarige hanou. Haar witte blouse hing los en was heel laag uitgesneden. Perijn herkende het wijsje als Dansmarije, maar de woorden die het meisje zong waren anders.
‘Een meisje uit Lugard wou het allemaal zien, met een knip van haar oog en een lach op haar lip, ving ze daar een jongen of drie, een jongen of drie. Met een enkel zo slank en een wasbleke huid, ving ze de schipper van een schuit, een schuit. Met een zachte zucht en een lachje zo blij, maakte ze zich zo vrij, zo vrij, zo vrij.’
Ze begon aan een nieuw vers en toen die woorden tot Perijn doordrongen, werd hij pioenrood. Hij had gedacht dat niets hem meer van zijn stuk kon brengen nadat hij ketellappermeisjes had zien dansen, maar die hadden slechts dingen laten doorschemeren. Dit meisje noemde die dingen bij hun naam.
Zarine knikte op de maat van de muziek en grinnikte. Haar grijns werd breder toen ze naar hem keek. ‘Nou, boerenknul, ik geloof niet dat ik ooit een man van jouw leeftijd heb zien blozen.’ Hij keek haar woest aan en kon zich nauwelijks inhouden. Hij had bijna een opmerking gemaakt die naar hij wist stom zou zijn. Dat bloedmens laat me schrikken voor ik het weet. Licht, ik wed dat ze denkt dat ik nog nooit een meisje heb gekust! Hij probeerde niet meer te luisteren naar wat het meisje zong. Als hij bleef blozen, zou Zarine het zeker verder uitbuiten.
Toen ze binnenkwamen, schoot er een trek van verbazing over het gezicht van de herbergierster. Ze was een grote, ronde vrouw met de haren in een dikke wrong in haar nek, en ze verspreidde een sterke zeepgeur. Ze onderdrukte snel haar verrassing en haastte zich naar Moiraine.
‘Vrouw Mari,’ zei ze, ‘ik had nooit gedacht u vandaag hier te zien.’ Ze aarzelde en nam Perijn en Zarine op. Even keek ze naar Loial, maar minder onderzoekend dan bij Perijn en Zarine. Haar ogen begonnen zowaar te stralen toen ze de Ogier ontwaarde, maar haar werkelijke aandacht lag helemaal bij ‘vrouw Mari’. Ze liet haar stem zakken. ‘Zijn mijn duiven niet veilig aangekomen?’ Lan vond ze blijkbaar bij Moiraine horen.
‘Ik weet zeker dat ze zijn aangekomen, Nieda,’ zei Moiraine. ‘Ik ben weg geweest, maar ik weet zeker dat Adine alles heeft opgeschreven wat je ons hebt bericht.’ Ze keek naar het zingende meisje op de tafel maar toonde geen spoor van afkeuring. ‘De vorige keer dat ik hier was, was de Das een heel stuk rustiger.’
‘Zeker, vrouw Mari, dat was zo. Maar die pummels zijn de winter nog niet vergeten, schijnt het. Ik had in geen tien jaar een vechtpartij in de Das gehad, tot we het staartje van deze winter kregen.’ Ze knikte naar de enige man die niet bij de zangeres zat, een kerel die nog groter dan Perijn was. Hij stond tegen de muur geleund met zijn gespierde armen over elkaar en tikte met zijn voet de maat mee. ‘Zelfs Bili kon ze slechts met moeite kalm houden, dus heb ik een meisje ingehuurd om hun kwade gedachten te verjagen. Ze komt van ergens uit Altara.’ Ze hield haar hoofd schuin en luisterde eventjes. ‘Aardige stem, maar ik zong het beter – ik weet zeker dat ik het ook beter danste – toen ik haar leeftijd had.’
Perijns mond viel open bij de gedachte dat deze enorme vrouw op een tafeltje had rondgehuppeld en dat liedje had gezongen – hij ving een zin op: ‘En ik had er niets onder. Niets onder.’ – tot Faile hem hard in de ribben porde. Hij gromde.
Nieda keek zijn kant op. ‘Ik zal wat honing en zwavel voor je keel mengen, jongen. Jij wilt geen kou vatten voordat het warmer wordt, niet met zo’n aardig meisje aan je arm.’
Moiraine gaf hem een blik die zei dat hij stoorde. ‘Vreemd, dat je last van vechtpartijen hebt,’ zei ze. ‘Ik herinner me nog goed hoe jouw neef er een eind aan maakte. Is er iets gebeurd waardoor de mensen zo snel op de vuist gaan?’
Nieda dacht even na. ‘Misschien. Is moeilijk te zeggen. Er komen altijd jonge heren naar de haven om achter de rokken aan te zitten en te brassen, wat ze niet ongestraft kunnen doen in wijken waar de lucht schoner ruikt.’ Perijn vroeg zich af of ze daarmee de andere kant van de stad bedoelde. ‘Misschien komen ze nu vaker na die winterkou. Misschien. En anderen snauwen elkaar ook meer af. ’t Is een harde winter geweest. Maakt mannen bozer en vrouwen ook. Al die regen en kou. Allemachtig, ik werd twee ochtenden wakker en vond ijs in mijn waskom. Natuurlijk niet zo koud als de vorige winter, maar dat was ook een winter van eens in de duizend jaar. Een mens zou nog haast die reisverhaaltjes gaan geloven, over bevroren water dat uit de hemel valt.’ Ze giechelde om te laten zien hoe weinig ze dat geloofde. Het was een vreemd geluid voor zo’n omvangrijke vrouw. Perijn schudde het hoofd. Ze gelooft niet in sneeuw? Maar als ze dacht dat dit weer koel was, kon hij dat best geloven. Moiraine keek nadenkend naar de vloer. De kap hield haar gezicht in de schaduw. Het meisje op de tafel begon aan een nieuw vers en Perijn merkte dat hij onwillekeurig luisterde. Hij had nog nooit gehoord dat een vrouw dat soort dingen deed, maar het klonk belangwekkend. Hij merkte dat Zarine hem zag luisteren en deed alsof hij dat niet had gedaan.