De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Is er in Illian onlangs nog iets ongewoons gebeurd?’ vroeg Moiraine ten slotte.
‘Ik denk dat u de verheffing van heer Brend tot de Raad van Negen eigenaardig zou kunnen noemen,’ zei Nieda. ‘Het Fortuin hale me, ik kan me niet herinneren vóór de winter zijn naam ooit gehoord te hebben, maar hij kwam naar de stad – de geruchten gaan dat hij van ergens bij de Morlandse grens komt – en werd binnen een week verheven. Ik moet zeggen dat hij goed is, de beste van de Negen; ze doen allemaal wat hij zegt, hoor ik, hoewel hij de nieuwste is en onbekend. Maar soms krijg ik vreemde dromen over hem.’ Moiraine wilde wat zeggen – Perijn dacht dat ze Nieda wilde vragen of ze de laatste paar nachten bedoelde – maar ze aarzelde en zei toen: ‘Wat voor vreemde dromen, Nieda?’
‘Ach, dwaasheid, vrouw Mari. Alleen maar dwaasheid. Wilt u het echt horen? Dromen over heer Brend in vreemde plaatsen, en op loopbruggen die in de lucht hangen. Allemaal vage dromen, maar ze komen bijna elke nacht. Hebt u ooit zoiets gehoord? Dwaasheid, het Fortuin hale me! Maar het is toch vreemd. Bili zegt dat hij dezelfde dromen heeft. Ik denk dat hij mijn dromen hoorde en ze nadroomt. Bili is soms niet al te snugger, denk ik.’
‘Misschien doe je hem wel onrecht,’ zei Moiraine heel zacht. Perijn staarde naar haar donkere kap. Ze klonk geschokt, veel meer dan die keer dat ze het gerucht over een nieuwe valse Draak in Geldan hoorde. Hij kon geen angst ruiken, maar... Moiraine was bang. Die gedachte joeg hem veel meer angst aan dan een boze Moiraine. Haar woede kon hij zich voorstellen; haar angst kon hij niet bevatten. ‘Gut, ik blijf maar kletsen,’ zei Nieda, en klopte de wrong in haar nek goed. ‘Alsof mijn dwaze dromen belangrijk zijn.’ Ze giechelde weer, kort, want dit was toch minder dwaas dan in sneeuw geloven. ‘U klinkt vermoeid, vrouw Mari. Ik breng u naar uw kamers. En dan een goed maal met verse roodstreep.’
Roodstreep! Moet een vissoort zijn, dacht hij; hij kon de vis ruiken. ‘Kamers,’ zei Moiraine. ‘Ja. We zullen kamers nemen. Het eten kan wachten. Schepen. Nieda, welke schepen varen uit naar Tyr? Vroeg in de ochtend. Wat ik moet doen, moet ik vannacht doen.’ Lan keek haar fronsend aan.
‘Naar Tyr, vrouw Mari?’ lachte Nieda. ‘Allemachtig, er gaat er geen een naar Tyr. De Negen hebben vorige maand elk schip verboden naar Tyr te varen, en er mag geen schip uit Tyr afmeren, al geloof ik dat het Zeevolk er zich niks van aantrekt. Maar er ligt ook geen enkel Zeevolkschip in de haven. Gek eigenlijk. Zo’n bevel van de Negen, bedoel ik, en de koning houdt zijn mond, terwijl hij toch meestal zijn stem verheft als ze ook maar één stap doen zonder zijn goedkeuring. Of misschien ligt het toch weer anders. Al dat gepraat over oorlog met Tyr, maar volgens de bootslui en wagenmenners die voorraden naar de legers vervoeren, kijken alle krijgslieden naar het noorden, naar Morland.’
‘De paden van de Schaduw zijn een doolhof,’ zei Moiraine strak. ‘We zullen doen wat we moeten doen. De kamers, Nieda. En daarna zullen we die maaltijd nemen.’
Perijns kamer was gezelliger dan hij verwacht had, als hij het met beneden en de gangen vergeleek. Het bed was breed, de matras zacht. In de deur zaten schuine latjes en toen hij de ramen opende, kwam er een briesje de kamer in dat de geur van de haven meedroeg. En ook iets van de kanalen, maar het werd gelukkig koeler. Hij hing zijn mantel aan een haak, samen met zijn pijlkoker en bijl, en zette zijn boog in een hoek. Al het andere liet hij in de zadeltassen en dekenrol. De nacht kon wel eens minder rustig worden.
Moiraine had aanvankelijk bevreesd geklonken, maar dat was niets vergeleken met haar opmerking dat er vannacht iets gedaan moest worden. Heel even had hij angst bij haar geroken, zoals bij een vrouw die verkondigde dat ze haar hand in een horzelnest ging steken om ze met haar blote handen fijn te knijpen. Wat is ze in Lichtsnaam van plan! Als Moiraine bang is, zou ik verstijfd van angst moeten zijn. Maar hij was het niet, besefte hij. Niet verstijfd van angst, niet eens bang. Hij voelde zich... opgewonden. Klaar voor iets wat te gebeuren stond, verlangend bijna. Vastberaden. Hij herkende die gevoelens. Zo voelden wolven zich vlak voor ze gingen vechten. Bloedvuur, ik ben liever bang!
Op Loial na was hij de eerste die in de gelagkamer terug was. Nieda had voor hen een grote tafel klaargemaakt, met lattenstoelen in plaats van banken. Ze had zelfs een stoel gevonden die groot genoeg was voor Loial. Het meisje aan de andere kant van de ruimte zong een lied over een rijke koopman die zojuist zijn span paarden op een onwaarschijnlijke manier verloren had en besloot de koets zelf te gaan trekken. De luisterende mannen om haar heen brulden van het lachen. Toen hij naar de vensters keek, zag hij dat het sneller donker was geworden dan hij verwacht had. De lucht rook alsof er regen in aantocht was.
‘Deze herberg heeft een Ogierkamer,’ zei Loial toen Perijn ging zitten. ‘Kennelijk heeft iedere herberg in Illian er een, in de hoop Ogier te trekken als de steenvoegers komen. Volgens Nieda brengt het geluk als je een Ogier onderdak biedt. Ik denk niet dat ze er veel krijgen. De voegers blijven altijd bij elkaar als ze voor werk naar Buiten gaan. Mensen zijn zo haastig, en de Ouderen zijn altijd bang dat de gemoederen verhit raken en iemand een lange steel aan zijn bijl bevestigt.’ Hij nam de mensen rond de zangeres op alsof hij hen daarvan verdacht. Zijn oren hingen weer slap.
De rijke koopman was onder veel gelach bezig zijn rijtuig kwijt te raken. ‘Ben je nog te weten gekomen of er Ogier van stedding Shangtai in Illian zijn?’
‘Ze zijn hier geweest, maar Nieda heeft gezegd dat ze in de winter zijn vertrokken. Ze vertelde dat ze hun werk niet af hadden. Ik begrijp er niets van. De steenvoegers zouden nooit onafgemaakt werk achterlaten, tenzij ze niet betaald zouden worden, en Nieda zei dat dat niet zo was. Op een morgen waren ze zomaar vertrokken, al zag iemand ze ’s nachts over de Maredodijk lopen. Perijn, ik houd niet van deze stad. Ik weet niet waarom, maar ik voel me hier... niet op mijn gemak.’
‘Ogier,’ zei Moiraine, ‘zijn gevoelig voor sommige zaken.’ Ze hield haar gezicht nog steeds verborgen, maar Nieda had kennelijk iemand erop uitgestuurd om een lichte mantel van donkerblauw linnen voor haar te kopen. De geur van vrees was verdwenen, maar haar stem klonk strak en beheerst. Lan schoof haar stoel aan en in zijn ogen lag een bezorgde blik.
Zarine was als laatste beneden. Ze ging met haar vingers door het pas gewassen haar. De kruidengeur van haar haar was sterker dan tevoren. Ze staarde naar het bord dat Nieda op tafel had gezet en mompelde zachtjes: ik haat vis.’
Nieda had hun voedsel binnengebracht op een klein wagentje met bladen boven elkaar; op sommige plekjes was het nog stoffig, alsof het ter ere van Moiraine haastig uit de opslagkamer was gehaald. Het servies was van Zeevolkporselein, zij het hier en daar geschilferd. ‘Eet,’ zei Moiraine en keek Zarine recht in de ogen. ‘Bedenk dat elke maaltijd je laatste kan zijn. Het was jouw keus met ons mee te reizen, dus vanavond eet je vis. Morgen kun je sterven.’ Perijn kon de bijna ronde witte vis met de rode strepen niet thuisbrengen, maar hij rook lekker. Hij legde er met een vork twee op zijn bord en grinnikte Zarine met volle mond toe. Ze smaakten ook goed, heel licht gekruid. Eet je vieze vis, valk, dacht hij. Hij meende dat Zarine hem aankeek of ze hem wilde bijten.
‘Wilt u dat het meisje ophoudt met zingen, vrouw Mari?’ vroeg Nieda. Ze zette kommen met erwtjes en een of andere stijfgeklopte gele moes op tafel. ‘Zodat u rustig kunt eten?’ Moiraine staarde naar haar bord en leek het niet te horen. Lan luisterde even – de koopman had achtereenvolgens zijn rijtuig, zijn mantel, zijn laarzen, zijn goud en zijn kleren verloren en kon voor zijn maaltijd alleen nog maar met een varken worstelen – en schudde zijn hoofd. ‘Ze stoort ons niet.’ Hij leek bijna even te glimlachen, voor zijn blik weer op Moiraine viel. Toen keerde zijn bezorgde blik terug. ‘Wat is er mis?’ vroeg Zarine. Ze had geen vis genomen, ik weet dat er iets is. Sinds ik je heb ontmoet, steengezicht, heb je nog nooit zoveel uitdrukking vertoond.’