Een Kroon van Zwarden
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #7
- Год: 1998
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Een Kroon van Zwarden». Краткое содержание книги:
Vrouw Anan leidde hen echter een smal steegje in tussen de stal en een hoge muur, waarboven de kruinen van uitgedroogde bomen uitstaken. Ongetwijfeld iemands tuin. Een poortje aan het eind gaf toegang tot een stoffig straatje dat zo smal was dat het ochtendlicht er nog niet in verschenen was.
‘Kinderen, blijf dicht bij me, ja?’ zei de herbergierster, die het schemerige straatje in liep. ‘Als je verdwaalt, ga ik zelf naar het paleis, dat zweer ik.’
Nynaeve greep met beide handen haar vlecht vast, terwijl ze achter haar aan liep, als om te voorkomen dat ze Anan ging wurgen. Ze zou dolgraag haar eerste grijze haren willen hebben. Eerst die andere Aes Sedai, toen het Zeevolk – Licht, daar wilde ze helemaal niet aan denken! – en nu een herbergierster! Niemand zag je voor vol aan tot je minstens wat grijs in je haren had. Volgens haar bereikte je zelfs met het leeftijdloze gezicht van een Aes Sedai minder.
Elayne hield haar rok op, maar hun muiltjes veroorzaakten nog steeds wolkjes stof dat op de zoom van hun kleren belandde. ‘Laten we alles eens op een rijtje zetten,’ zéi Elayne zachtjes, strak voor zich uitkijkend. Zachtjes en koel. Heel erg koel. Ze kon iemand aan stukken scheuren zonder haar stem te verheffen. Iets wat Nynaeve zeer bewonderde. Meestal. Nu wilde ze de erfdochter slechts een draai om de oren geven. ‘We hadden al terug in het paleis kunnen zijn, blauwbessenthee drinken en genieten van een briesje, in afwachting van baas Cauton die zijn spullen overbrengt. Misschien komen Aviendha en Birgitte met iets nuttigs terug. We hadden ook eindelijk kunnen afspreken wat we nu precies met hem van plan zijn. Volgen we hem gewoon in de straten van de Rahad en zien we wat er gebeurt, of nemen we hem mee naar mogelijke gebouwen, of laten we hem zelf kiezen? We hadden deze ochtend op wel honderd verschillende manieren nuttig kunnen gebruiken. Zelfs met beraadslagen of we ooit nog naar Egwene terug kunnen keren, nadat het Zeevolk ons dat handeltje heeft afgeperst. We moeten daar vroeg of laat toch over praten; het doodzwijgen helpt niet. In plaats daarvan maken we een wandeling van wie weet hoe lang, waarbij we in de felle zon moeten kijken, om vrouwen te spreken die wegloopsters uit de Toren een hapje eten geven. Wat mij aangaat: ik heb vanochtend, of eigenlijk elke ochtend, geen zin om wegloopsters te vangen. Maar ik weet zeker, Nynaeve, dat jij het allemaal kunt uitleggen, zodat ik het kan begrijpen. Ik zou het verschrikkelijk vinden om je voor niets links en rechts het Mol Haraplein over te schoppen.’
Nynaeves wenkbrauwen knepen zich samen. Schoppen? Elayne werd warempel gewelddadig, nu ze zoveel tijd met Aviendha doorbracht. Iemand zou die twee wat gezond verstand moeten bijbrengen. ‘De zon staat nog niet zo hoog. Je hoeft je ogen niet samen te knijpen,’ mompelde ze. Dat zou echter jammer genoeg wel snel het geval zijn. ‘Denk na, Elayne. Vijftig vrouwen die kunnen geleiden, die wilders en vrouwen die uit de Toren gezet zijn, helpen.’ Soms voelde ze zich schuldig als ze het woord ‘wilder’ gebruikte; bij de meeste Aes Sedai klonk het beledigend, maar zij wilde ervoor zorgen dat het ooit als eerbewijs zou gelden. ‘En ze noemde hen de Kring. In mijn oren klinkt dat niet als een groepje vriendinnen. Dat klinkt als een genootschap.’ Het steegje kronkelde tussen hoge muren en langs de achterkanten van gebouwen. In veel muren staken de bakstenen door het pleisterwerk. Ze liepen langs paleistuinen en winkels, waarvan de open achterdeuren zilversmeden, kleermakers of houtsnijders aan het werk lieten zien. Van tijd tot tijd keek vrouw Anan over haar schouders om er zeker van te zijn dat ze haar nog steeds volgden. Telkens gaf Nynaeve haar een glimlachje en een knikje in de hoop dat ze daarmee haar gretigheid liet blijken.
‘Nynaeve, de Toren valt als een wolvenpak over zo’n genootschap heen, al bestaat het slechts uit twéé geleidsters. Hoe weet vrouw Anan trouwens of ze dat kunnen of niet? Geleidsters die geen Aes Sedai zijn, lopen er niet mee te koop, weet je. In elk geval niet zo lang. Volgens mij maakt het trouwens geen enkel verschil. Egwene mag iedere geleidster aan de Toren willen binden, maar met dat doel zijn wij niet hier, in Ebo Dar.’ Door het ijzige geduld in Elaynes stem greep Nynaeve haar vlecht nog steviger vast. Hoe kon die vrouw zo dom zijn? Ze ontblootte haar tanden weer eens voor vrouw Anan, en voorkwam nog net een boze grimas toen de herbergierster weer voor zich uit keek. ‘Vijftig vrouwen is niet hetzelfde als twee,’ fluisterde Nynaeve heftig. Ze konden geleiden. Ze móésten het kunnen; daar hing alles van af. ‘Het is geen toeval dat deze Kring bestaat in dezelfde stad als een voorraad angrealen en dergelijke dingen. Ze zullen er zeker van weten. En in dat geval’ – ze kon de zoetsappige tevredenheid niet uit haar stem houden – kunnen we de Schaal vinden zonder meester Martrim Cauton. Dan kunnen we die belachelijke beloften vergeten.’
‘Het was niet bedoeld als een goedkoop smoesje, Nynaeve,’ zei Elayne afwezig, ‘Ik hou me eraan, en jij ook, als je nog eergevoel hebt, en ik weet dat je dat hebt.’ Ze bracht veel te veel tijd door met Aviendha. Nynaeve had graag willen weten waarom Elayne nu zomaar aannam dat iedereen dat dwaze Aielse ji hoorde te volgen.
Elayne beet nadenkend op haar onderlip. Alle ijzigheid leek verdwenen; ze was kennelijk zichzelf weer. Ten slotte zei ze: ‘We zouden zonder baas Cauton nooit naar de herberg gegaan zijn, en dan nooit deze opmerkelijke vrouw Anan hebben ontmoet en naar die Kring worden gebracht. Dus als de Kring ons naar de Schaal leidt, kunnen we zeggen dat hij de aanleiding was.’
Mart Cauton. De naam alleen al sloeg vonken los. Nynaeve struikelde en liet haar vlecht los om haar rok op te tillen. De steeg was onregelmatiger dan een geplaveid plein, laat staan een paleisvloer. Soms was een boze Elayne te verkiezen boven een helder denkende Elayne. ‘Opmerkelijke vrouw,’ gromde ze. ‘Ik zal haar “opmerken” tot ze scheel ziet. Niemand heeft ons ooit zo behandeld, Elayne, zelfs niet de mensen die aan ons twijfelden, zoals het Zeevolk. De meeste mensen zouden behoedzaam opzij gaan als een tienjarige beweerde Aes Sedai te zijn.’
‘De meeste mensen weten niet echt hoe het gezicht van een Aes Sedai eruitziet, Nynaeve. Ik denk dat ze zelf een keer in de Toren is geweest; ze is op de hoogte van dingen die ze alleen op die manier kan weten.’ Nynaeve snoof en keek lelijk naar de rug van de vrouw die voor hen uit beende. Wat haar betrof, mocht Setalle Anan tienmaal naar de Toren zijn geweest, of honderdmaal, maar ze zou Nynaeve Almaeren beleefd als Aes Sedai aanspreken. En zich verontschuldigen. En leren hoe het voelde om aan je oor te worden meegesleurd! Vrouw Anan keek om en Nynaeve flitste haar een verkrampte glimlach toe en knikte alsof haar nek een scharnier was. ‘Elayne? Als die vrouwen weten waar de Schaal is... We hoeven Mart niet te vertellen hoe we hem gevonden hebben.’ Het was niet helemaal een vraag.
‘Ik zou niet weten waarom,’ antwoordde Elayne, en ze sloeg vervolgens elke hoop de bodem in door eraan toe te voegen: ‘Maar ik zal het Aviendha moeten vragen om er zeker van te zijn.’ Als ze niet had vermoed dat dat Anan-mens hen ter plekke zou hebben achtergelaten, was Nynaeve gaan gillen.
Het kronkelende steegje kwam uit op een straat, en er viel niets meer te praten. Vóór hen straalde het randje van de zon verblindend over de daken heen. Elayne beschermde haar ogen heel opzichtig met een hand. Nynaeve weigerde. Zo erg was het niet. Ze hoefde haar ogen maar een klein beetje samen te knijpen. Een helderblauwe lucht bespotte haar weergevoel, dat haar nog steeds zei dat er precies boven de stad een storm woedde.
Zelfs zo vroeg in de ochtend reden er al een paar kleurig gelakte koetsen door de kronkelige straten, en een tiental nog kleurrijker draagstoelen met twee of vier dragers op blote voeten in groen met rood gestreepte vesten. Ze holden omdat ze reizigers vervoerden, die verborgen bleven achter houten schermen. Karren en wagens hotsten over het plaveisel. Het werd steeds drukker, terwijl de winkels de deuren openden en luifels omhoog gingen. Er waren leerlingen in lange jassen die snel boodschappen deden, en mannen met grote opgerolde tapijten over hun schouders. Tuimelaars, kunstenmakers en muzikanten maakten zich klaar op goede hoeken, en straatventers liepen voorbij met bakken vol spelden of linten of overrijp fruit. De vis- en vleesmarkten waren allang in vol bedrijf; alle visverkopers en slagers waren vrouwen, behalve bij het rundvlees. Daar stonden alleen mannen.