De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Domon haalde diep adem en begon zich een weg uit Falme te liegen.
30
Daes Dae’mar
In de kamer die Hurin en Loial samen deelden, tuurde Rhand door het raam naar de nette lijnen en terrassen van Cairhien, de stenen gebouwen en de leien daken. Hij kon het gildehuis van de Vuurwerkers niet zien. Zelfs als de enorme torens en de grote herenhuizen er niet waren geweest, zouden de stadswallen het hebben verhinderd. De Vuurwerkers waren het gesprek van de dag, hoewel het alweer enkele dagen geleden was dat ze zo vroeg in de avond één nachtbloem de lucht in hadden geschoten. Een tiental verschillende verhalen deed de ronde, zonder de kleinere varianten te tellen, maar geen benaderde de waarheid.
Rhand draaide zich om. Hij hoopte dat er niemand gewond was geraakt bij de brand. Over wat er binnen de gildevesting was gebeurd, hielden de Vuurwerkers hun mond stijf dicht. ‘Ik neem de volgende wacht,’ zei hij tegen Hurin, ‘zodra ik terug ben.’
‘Dat is niet nodig, mijn heer.’ Hurin boog even diep als een Cairhienin. ‘Ik kan de wacht wel houden. Echt, mijn heer hoeft geen moeite te doen.’
Rhand haalde diep adem en wisselde een blik met Loial. De Ogier trok slechts zijn schouders op. Iedere dag dat ze langer in Cairhien waren, werd de snuiver vormeiijker. De Ogier maakte met zijn gebaar duidelijk dat de mens zich vaak vreemd gedroeg. ‘Hurin,’ zei Rhand. ‘Je hebt me tot dusver heer Rhand genoemd en dan maakte je er niet iedere keer dat ik keek een buiging bij.’ Ik wil dat hij zich ontspant en me weer heer Rhand noemt, dacht hij verbijsterd. Heer Rhand! Licht, we moeten maken dat we hier wegkomen, voordat ik ook nog wil dat hij buigingen maakt. ‘Wil je alsjeblieft gaan zitten? Je maakt me al moe als ik naar je kijk.’ Hurin stond stijf rechtop, gereed voor iedere taak die Rhand hem zou willen opdragen. Hij ging niet zitten en hij ontspande zich niet.
‘Het zou niet juist zijn, mijn heer. We horen deze Cairhienin te tonen dat we net zo nauwkeurig en goed weten als...’
‘Wil je daarmee ophouden!’ schreeuwde Rhand. ‘Zoals u wenst, mijn heer.’
Met moeite voorkwam Rhand een volgende diepe zucht. ‘Hurin, het spijt me. Ik had niet tegen je moeten schreeuwen.’
‘Het is uw goed recht, mijn heer,’ zei Hurin eenvoudig. ‘Als ik niet doe wat u wenst, hebt u het recht te schreeuwen.’ Rhand wilde naar de snuiver toe stappen met de bedoeling hem bij de kraag te pakken en flink door elkaar te schudden. Een klopje op de tussendeur deed het drietal verstijven, maar Rhand zag tot zijn genoegen dat Hurin niet eerst om toestemming vroeg voor hij zijn zwaard oppakte. Het reigerwapen hing aan Rhands zij. Terwijl hij naar de deur liep, voelde hij aan het gevest. Hij wachtte tot Loial op zijn lange bed zat, met zijn benen goed en de lange jaspanden netjes geschikt, zodat de met een deken bedekte kist onder Loials bed onzichtbaar was. Toen gooide hij de deur open. Daar stond de herbergier, op en neer wippend van opwinding, die Rhand zijn dienblad voorhield. Op het blad lagen twee verzegelde perkamenten. ‘Vergeef me, mijn heer,’ zei Cuaal buiten adem. ‘Ik kon niet wachten tot u beneden kwam, en toen was u niet in uw kamer, en... en... Vergeef me, maar...’ Hij bewoog het blad op en neer. Rhand griste de uitnodigingen weg. Er waren er al zoveel geweest. Hij keek er niet naar, maar pakte Cuaals arm en schoof hem in de richting van de gang. ‘Dank u, baas Cuaal, voor de moeite. Als u ons nu alleen wilt laten...’
‘Maar, mijn heer,’ protesteerde Cuaal, ‘deze zijn van...’
‘Dank u.’ Rhand duwde de man de gang in en trok de deur stevig dicht. Hij gooide de perkamenten op tafel. ‘Dat heeft hij nog nooit gedaan. Loial, denk je dat hij aan de deur stond te luisteren voor hij aanklopte?’
‘Je gaat al net zo denken als die Cairhienin,’ lachte de Ogier, maar zijn oren bewogen nadenkend en hij voegde eraan toe: ‘Maar het is Cairhiens, dus misschien deed hij dat ook wel. Ik dacht niet dat we iets zeiden dat hij niet mag horen.’
Rhand probeerde het zich te herinneren. Geen van hen had de Hoorn van Valere genoemd, of Trolloks of Duistervrienden. Toen hij merkte dat hij zich stond af te vragen wat Cuaal had kunnen opmaken uit wat ze hadden gezegd, vermande hij zich. ‘Deze stad werkt op je
zenuwen,’ mompelde hij in zichzelf.
‘Mijn heer?’ Hurin had de verzegelde perkamenten opgepakt en stond met grote ogen naar de zegels te staren. ‘Mijn heer, deze zijn van heer Barthanes, Hoogzetel van Huis Damodred, en van...’ – hij begon van ontzag te fluisteren – ‘... van de koning.’
Rhand wuifde ze weg. ‘Ze gaan de haard in, net als de andere. Ongeopend.’
‘Maar, mijn heer!’
‘Hurin,’ zei Rhand geduldig, ‘jij en Loial samen hebben me dat Grote Spel ruimschoots uitgelegd. Als ik op elke uitnodiging inga, zullen de Cairhienin er iets uit opmaken en denken dat ik deel uitmaak van iemands plannen. Als ik niet ga, leggen ze ook dat weer op hun eigen manier uit. Als ik een antwoord terugstuur, zullen ze diep gaan peinzen wat daar de bedoeling van is, en hetzelfde gebeurt als ik niet antwoord. Aangezien de helft van Cairhien de andere helft bespioneert, weet iedereen wat ik doe. Ik heb de eerste twee verbrand en dat doe ik met deze ook, net als alle andere.’ Op een dag had hij een stapel van twaalf met onverbroken zegels in de haard van de gelagkamer gesmeten. ‘Wat ze er ook uit opmaken, het is tenminste voor iedereen hetzelfde. Ik wil niemand in Cairhien helpen en ik wil hier niemand tegen de haren in strijken.’
‘Ik heb geprobeerd het uit te leggen,’ zei Loial. ‘Ik vermoed dat het zo niet werkt. Wat je ook doet... Cairhienin zullen er altijd een of ander plannetje achter vermoeden. Dat zei Ouder Haman tenminste altijd.’
Hurin hield Rhand de verzegelde perkamenten voor alsof hij hem goud aanbood. ‘Mijn heer, deze hier draagt Galdrians persoonlijke zegel. Zijn persoonlijke zegel, mijn heer. En dit is het persoonlijke zegel van heer Barthanes, die bijna even machtig is als de koning. Mijn heer, als u deze verbrandt, dan maakt u hen de machtigste vijanden die u zich maar kunt voorstellen. Het verbranden heeft tot nog toe goed gewerkt, omdat de andere Huizen allemaal afwachten om te zien wat u van plan bent. Ze denken dat u wel machtige bondgenoten zult hebben door ze zo te beledigen. Maar heer Barthanes! En de koning! Beledig hen en ze zullen zeker iets ondernemen.’ Rhand streek door zijn haar. ‘En als ik ze allebei afsla?’
‘Dat helpt niet, mijn heer. Bijna ieder Huis heeft u momenteel een uitnodiging gezonden. Als u deze afwijst, tja... het is wel zeker dat minstens een van de andere Huizen zal bedenken dat u zich dus niet hebt verbonden met de koning of met heer Barthanes, zodat ze uw belediging kunnen vergelden. Mijn heer, ik heb gehoord dat de Huizen in Cairhien tegenwoordig moordenaars gebruiken. Een mes op straat. Een pijl van een dak. Vergif in uw wijn.’
‘Je kunt ze allebei aannemen,’ stelde Loial voor. ‘Ik weet dat je het niet wilt, Rhand, maar het zou ook nog best leuk kunnen zijn. Een avondje in het huis van een grote heer, of zelfs in het koninklijk paleis. Rhand, de Shienaranen geloofden ook in je.’ Rhand grimaste. Hij wist dat het toeval was geweest dat de Shienaranen dachten dat hij een heer was. Het toevallige al in zijn naam, een gerucht onder de dienaren en vervolgens Moiraine en de Amyrlin die het vuurtje nog sneller hadden verspreid. Maar Selene had het ook geloofd. Misschien hoort ze bij een van deze Huizen. Hurin stond echter heftig zijn hoofd te schudden. ‘Bouwer, je kent Daes Dae’mar niet zo goed als je denkt. Niet zoals ze het momenteel in Cairhien spelen. Voor de meeste Huizen zou het geen verschil maken. Zelfs als ze elkaar tot het bloedige einde bestrijden, doen ze in het openbaar toch of ze dat niet doen. Deze twee echter niet. Huis Damodred bezette de troon tot Laman die verloor en ze willen hem terug. De koning zou hen verpletteren als ze niet bijna even machtig waren als hij. Er zijn geen verbetener rivalen dan Huis Riatin en Huis Damodred. Als mijn heer beide aanneemt, zullen beide Huizen het weten zodra hij zijn antwoord heeft gezonden en zullen ze beide denken dat heer Rhand met de ander heeft samengezworen. Ze zullen mes of vergif gebruiken voor je het goed en wel beseft.’ ik veronderstel,’ bromde Rhand, ‘dat als ik er een aanneem, de ander zal denken dat ik me verbonden heb met dat Huis.’ Hurin knikte. ‘En dan zullen ze me mogelijk willen vermoorden om het plan waar ik bij betrokken lijk, te dwarsbomen.’ Hurin knikte weer. ‘Heb je dan een voorstel hoe ik beide mogelijkheden die tot mijn dood leiden, kan omzeilen?’ Hurin schudde zijn hoofd, ik wou maar dat ik die eerste twee nooit had verbrand.’