De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
‘Inderdaad, mijn heer, maar het zou niet veel verschil hebben gemaakt, vermoed ik. Welke u ook had aangenomen of afgewezen, deze Cairhienin zouden het op hun manier hebben uitgelegd.’ Rhand stak zijn hand uit en Hurin legde er de twee opgevouwen perkamenten in. De een was niet met de boom en kroon van het Huis Damodred verzegeld, maar met het aanvallende everzwijn van Barthanes. De ander toonde Galdrians hertenbok. Persoonlijke zegels.
Blijkbaar was hij erin geslaagd door helemaal niets te doen tot in de hoogste stand belangstelling op te wekken.
‘Die mensen zijn gek,’ zei hij en probeerde een oplossing te vinden. ‘Ja, mijn heer.’
‘Ik ga me in de gelagkamer vertonen met deze hier,’ zei hij langzaam. Wat ’s middags in de gelagkamer werd gezien, was voor de avondschemer bekend in tien Huizen en bij de dageraad in alle Huizen, ik verbreek de zegels niet. Op die manier zullen ze weten dat ik ze allebei nog niet heb beantwoord. Zolang ze wachten om te zien welke kant ik kies, kan ik misschien nog enkele dagen voor onszelf winnen. Ingtar moet snel komen. Dat moet.’
‘Goed, mijn heer, dat is denken als een Cairhienin,’ zei Hurin grijnzend.
Rhand keek hem zuur aan en propte toen de perkamenten in zijn zak, boven op Selenes briefjes. ‘Laten we gaan, Loial. Misschien is Ingtar aangekomen.’
Toen hij en Loial de gelagkamer in stapten, keek niemand van de aanwezigen naar Rhand. Cuaal was een zilveren dienblad aan het poetsen of zijn leven ervan afhing. De dienstmeisjes haastten zich tussen de tafels door alsof Rhand en de Ogier niet bestonden. Iedereen zat in zijn of haar beker te staren, alsof er machtige geheimen in de wijn en het bier zaten verborgen. Niemand zei iets. Een ogenblik later trok hij de twee uitnodigingen uit zijn zak, bekeek de zegels en stopte ze toen terug. Cuaal schrok een beetje toen Rhand in de richting van de deur liep. Nog voor die achter hem dichtviel, hoorde hij de gesprekken weer losbarsten. Rhand beende zo snel de straat door dat Loial niet eens kleinere passen hoefde te nemen om bij te blijven. ‘We moeten een manier vinden om de stad uit te komen, Loial. Dat handigheidje met de uitnodigingen werkt niet langer dan een dag of twee, drie. Als Ingtar er dan nog niet is, moeten we in ieder geval vertrekken.’
‘Vind ik ook,’ zei Loial. ‘Maar hoe dan?’
Loial begon alles op zijn dikke vingers op te sommen. ‘Fajin is daar ergens, anders waren er geen Trolloks in Voorpoort verschenen. Als we wegrijden, vallen ze ons aan zodra we uit het zicht van de stad zijn. Als we met een handelskaravaan meereizen, zullen ze die zeker aanvallen.’ Geen enkele koopman heeft meer dan vijf of zes bewakers en die gaan er meteen vandoor zodra ze een Trollok zien. ‘Wisten we maar hoeveel Trolloks en Duistervrienden Fajin heeft. Je hebt het aantal Trolloks verminderd.’ Hij had het niet over de Trollok die hijzelf had gedood, maar uit zijn frons waardoor zijn lange wenkbrauwen op de wangen hingen, bleek dat hij er wel aan liep te denken. ‘Het doet er niet toe hoeveel hij er heeft,’ zei Rhand. ‘Tien is even slecht als honderd. Als tien Trolloks ons aanvallen, denk ik niet dat we kunnen ontsnappen.’ Hij vermeed elke gedachte over hoe hij misschien, heel misschien tien Trolloks kon verslaan. Het had immers ook niet gewerkt toen hij probeerde Loial te helpen, ik denk ook niet dat we dat kunnen. Ik denk niet dat we het geld hebben voor een lange bootreis. Maar dan nog, als we proberen op een kade in Voorpoort te komen... Nou ja, Fajin zal wel Duistervrienden op de uitkijk hebben staan. Als hij veronderstelt dat we ons zouden inschepen, zou het hem niet kunnen schelen of iemand de Trolloks ziet. En als we nog een andere weg naar buiten vinden, zouden we zeker de stadswachten tekst en uitleg moeten geven en die zullen niet geloven dat we de kist niet kunnen openen, dus...’
‘We laten die kist aan geen enkele Cairhienin zien, Loial.’ De Ogier knikte. ‘En de stadskaden zijn ook van weinig nut.’ De stadskaden werden vrijgehouden voor de graanschepen en de plezierboten van de adel. Niemand kon er zonder toestemming komen. Je kon ze van de stadsmuur af zien liggen, maar die was te hoog om vanaf te springen; zelfs Loial zou daarbij zijn nek breken. Loial wriemelde met zijn duim alsof hij probeerde ook daarvoor iets te bedenken. ‘Ik neem aan dat het heel jammer is dat we stedding Tsofu niet kunnen bereiken, want daar komen nooit Trolloks. Maar ik denk ook dat ze ons niet zo ver laten komen zonder aan te vallen.’ Rhand antwoordde niet. Ze waren aangekomen bij het grote wachthuis net binnen de poort waardoor ze voor het eerst Cairhien waren ingekomen. Buiten de poort kolkte en ziedde Voorpoort terwijl enkele schildwachten alles in de gaten hielden. Rhand meende een man te zien, gekleed in wat vroeger goede Shienaraanse kleren waren geweest, die toen hij hen zag in de menigte onderdook, maar hij wist het niet zeker. Er waren te veel mensen in kledij uit allerlei landen en allen hadden haast. Hij liep de treden van het wachthuis op, voorbij de wachten met de borstkurassen aan weerszijden van de deur. De grote wachtkamer had harde houten banken voor mensen die zaken kwamen afhandelen. Er zat voornamelijk bescheiden en geduldig volk te wachten. Ze waren gekleed in de eenvoudige, donkere kleding van arme en gewone mensen. Er waren een paar Voorpoorters bij. Rhand zag het aan hun sleetse, kleurige kleding. Zij hoopten ongetwijfeld op toestemming voor werk binnen de stadsmuren. Rhand liep naar de lange tafel achter in de kamer. Er zat een man achter, geen soldaat, met een groene baan schuin op zijn jas. Het was een plompe kerel wiens huid te strak leek te zitten; hij rangschikte zijn documenten op tafel en verzette de inktpot tweemaal voor hij met een valse glimlach opkeek naar Rhand en Loial. ‘Hoe mag ik u helpen, mijn heer?’
‘Op dezelfde manier als ik hoopte dat u me gisteren kon helpen,’ zei Rhand met meer geduld dan hij voelde, ‘en eergisteren, en de dag daarvoor. Is heer Ingtar aangekomen?’
‘Heer Ingtar, mijn heer?’
Rhand haalde diep adem en liet die langzaam ontsnappen. ‘Heer Ingtar van Huis Shinowa, uit Shienar. Dezelfde man waarnaar ik iedere dag sinds mijn aankomst heb gevraagd.’
‘Niemand met die naam is de stad binnengekomen, mijn heer.’
‘Bent u er zeker van? Moet u niet tenminste uw lijsten nazien?’
‘Mijn heer, de lijsten van vreemdelingen die naar Cairhien zijn gekomen, worden uitgewisseld tussen de wachthuizen bij zonsopgang en zonsondergang. Ik kijk ze na zodra ze voor me liggen. Er is al geruime tijd geen enkele heer uit Shienar in Cairhien aangekomen.’
‘En vrouwe Selene? Voor u het opnieuw vraagt: ik weet niet van welk Huis. Maar ik heb u haar naam gegeven en ik heb haar al driemaal beschreven. Is dat niet genoeg?’
De man stak zijn handen op. ‘Het spijt me, mijn heer. Dat ik haar Huis niet weet, maakt het erg moeilijk.’ Er lag een nietszeggende blik op zijn gezicht. Rhand vroeg zich af of hij het zou vertellen als hij iets wist.
Een beweging bij een deur achter de schrijftafel deed Rhand opkijken – een man die van plan was de voorkamer in te stappen, trok zich haastig terug. ‘Mogelijk kan kapitein Caldewin mij helpen,’ vertelde Rhand de schrijver. ‘Kapitein Caldewin, mijn heer?’