Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 119 120 121 122 123 124 125 126 127 ... 203
Перейти на страницу:

‘Waarom?’ wilde Domon weten.

Cabans grijns liet te veel tanden zien. ‘Ze keken uit naar het verkeerde en vergaten wat ze zich hadden moeten herinneren.’ Met moeite kon Domon zijn ogen van de Seanchaan afwenden. De Schuimvlok gleed door de branding het kalmere water van de haven in. Ik ben een koopman en ik moet me er niet mee bemoeien. Falme rees op achter de stenen kaden langs de hellingen rond de inham die de haven vormde. Domon kon niet goed zien of die donkere stenen huizen tezamen een redelijk groot dorp of een kleine stad vormden. Hij zag er in elk geval geen enkel groot gebouw dat vergelijkbaar was met het kleinste paleis in Illian. Hij koerste de Schuimvlok naar een plekje aan een kade en vroeg zich tijdens het vastleggen van het schip af of de Seanchanen misschien een deel van het vuurwerk in zijn ruim zouden willen kopen. Ik moet me er niet mee bemoeien.

Tot zijn verrassing had Egeanin zichzelf met haar damane naar de haven laten roeien. Er was ditmaal een andere vrouw bij die de armband droeg, en ook zij droeg het rode embleem en de gespleten bliksem op haar gewaad. De damane was echter dezelfde droef kijkende vrouw die nooit opkeek, tenzij de ander haar aansprak. Egeanin liet Domon en zijn bemanning van het schip wegleiden om onder het oog van een paar soldaten op de kade te gaan zitten. Ze leek te denken dat die voldoende waren en Domon was niet van plan ruzie met haar te maken, terwijl onder haar leiding anderen de Schuimvlok afzochten. De damane nam deel aan de zoektocht. Aan het eind van de kade verscheen een ding. Domon wist geen enkel ander woord om het te beschrijven. Een beerachtig schepsel, met een leerachtig, grijsgroen vel en met een snavelbek in zijn wigvormige kop. En drie ogen. Het waggelde mee naast een man op wiens kuras drie ogen waren geschilderd. De plaatselijke bewoners, dokwerkers en zeelieden in grove hemden en lange vesten tot aan de knieën, schoven opzij toen het tweetal langskwam, maar geen enkele Seanchaan keek een tweede keer. De man scheen het beest met handgebaren te leiden.

Man en beest verdwenen tussen de gebouwen en lieten Domon met open mond en zijn bemanning mompelend achter. De twee Seanchaanse bewakers keken spottend en zwijgend toe. Ik bemoei me er niet mee, herinnerde Domon zichzelf. Zijn zaak was zijn schip. De lucht rook bekend naar zout water en pek. Hij bewoog zich ongemakkelijk op de zonverwarmde stenen en vroeg zich af wat de Seanchanen zochten. Waar de damane naar zocht. Hij vroeg zich af wat voor schepsel dat was geweest. Meeuwen krijsten en cirkelden boven de haven. Hij dacht aan de geluiden die een gekooid mens zou maken. Ik bemoei me er niet mee.

Uiteindelijk stapte Egeanin, gevolgd door de anderen, de kade op. De Seanchaanse kapitein had iets in een stuk gele zijde gewikkeld, merkte Domon behoedzaam op. Iets wat klein genoeg was om met één hand te dragen, maar wat ze zorgvuldig met twee handen vasthield. Hij kwam langzaam overeind vanwege de soldaten, hoewel in hun ogen dezelfde minachting lag als in die van Caban. ‘Hebt u het gezien, kapitein? Ik ben slechts een vreedzame koopman. Willen uw mensen misschien vuurwerk kopen?’

‘Misschien, koopman.’ Er klonk een onderdrukte opwinding in haar stem door, waardoor hij zich niet op zijn gemak voelde. Haar volgende woorden versterkten dat gevoel. ‘Jij komt met me mee.’ Ze beval twee soldaten te volgen en een van hen gaf Domon een duw om hem aan te sporen. Het was geen ruwe stoot. Domon had boeren hetzelfde zien doen bij koeien om het dier te laten lopen. Hij zette zijn tanden op elkaar en volgde Egeanin.

De kasseienstraat liep tegen de helling omhoog en ze lieten de havenlucht achter zich. De huizen met leidaken werden groter en hoger. Er bevonden zich nu meer bewoners op straat dan Seanchaanse soldaten, wat verbazingwekkend was voor een bezette stad. Nu en dan kwam er een palankijn langs, gedragen door mannen met ontbloot bovenlijf. De Falmenaren leken zich aan hun eigen werkzaamheden te wijden, alsof de Seanchanen niet bestonden. Of bijna alsof ze niet bestonden. Als er een palankijn of soldaat langskwam, boog iedereen. Zowel het arme volk in smerige kleren als de rijken in hun hemden, vesten en gewaden met ingewikkeld kleurenpatroon. Iedereen boog en bleef gebogen tot de Seanchanen voorbij waren. Ze deden hetzelfde bij Domon en zijn bewakers. Egeanin en haar soldaten keurden geen van hen een blik waardig. Domon besefte met een schok dat enkele bewoners in de straat een dolk aan de riem hadden en in enkele gevallen zelfs een zwaard. Hij was zo verbaasd dat hij zonder verder nadenken vroeg: ‘Staan sommigen van hen aan uw kant?’

Egeanin keek verbaasd om; ze begreep hem duidelijk niet. Ze liep niet langzamer maar keek naar de mensen en knikte. ‘Je bedoelt de zwaarden. Ze zijn nu ons volk, koopman. Ze hebben de geloften afgelegd.’ Ze stond onverwachts stil, wees naar een grote, breedgeschouderde man met een zwaar geborduurd vest en een zwaard dat aan een eenvoudige leren bandelier hing. ‘Jij!’ De man kwam geschrokken half omhoog uit zijn buiging en op zijn gezicht verscheen een angstige blik. Het was een harde kerel, maar het leek of hij ervandoor wilde gaan. In plaats daarvan boog hij nog dieper met de handen op zijn knieën en zijn ogen strak op haar laarzen gericht. ‘Hoe mag deze hier de kapitein dienen?’ klonk het afgemeten.

‘Je bent koopman?’ zei Egeanin. ‘Je hebt de geloften afgelegd?’

‘Ja, kapitein, ja.’ Hij bleef strak naar haar voeten staren. ‘Wat vertel je de mensen als je met je wagens door het binnenland rijdt?’

‘Dat ze moeten gehoorzamen aan de Voorlopers, kapitein, de Terugkeer afwachten en Zij die thuiskomen, moeten dienen.’

‘En speel je nooit met de gedachte om dat zwaard tegen ons te gebruiken?’

De knokkels van de handen op zijn knieën werden wit en opeens klonk de spanning door in zijn stem. ‘Ik heb de geloften gezworen, kapitein. Ik gehoorzaam, houd me gereed en dien.’

‘Zie je?’ zei Egeanin, die zich naar Domon wendde. ‘Er bestaat geen reden hun wapens te verbieden. Er moet handel zijn en kooplieden moeten zich kunnen beschermen tegen bandieten. We staan mensen toe te komen, gaan en staan waar ze willen, zolang ze gehoorzamen, gereed zijn en dienen. Hun voorvaderen braken hun geloften, maar zij hebben het beter geleerd.’ Ze liep verder de heuvel op en de soldaten gaven Domon een por.

Hij keek om naar de handelaar. De man bleef gebogen staan tot Egeanin tien stappen verder was gelopen. Toen richtte hij zich op en haastte zich de andere kant op. Hij sprong haast de hellende straat af.

Egeanin en haar soldaten keken niet op toen een bereden Seanchaanse troep hen heuvelopwaarts inhaalde. De soldaten bereden beesten die er bijna net zo uitzagen als katten, maar zo groot waren als een paard en bronskleurige hagedisschubben bezaten. Voeten met klauwen grepen de kasseien vast. Een kop met drie ogen draaide opzij en staarde naar Domon toen de troep voorbij klom. Het leek te weten hoe Domon zich voelde, struikelde en bijna viel. Overal in de straat drukten de Falmenaren zich plat tegen de gevels en sommigen deden hun ogen dicht. De Seanchanen letten niet op hen. Domon begreep waarom de Seanchanen het volk zoveel vrijheid konden toestaan. Hij vroeg zich af of hij sterk genoeg zou zijn om zich te verzetten. Damane. Monsters. Hij vroeg zich af of iets of iemand de Seanchanen kon tegenhouden als ze helemaal tot aan de Rug van de Wereld wilden oprukken. Bemoei je er niet mee, herinnerde hij zich ruw en overwoog of er niet een manier was de Seanchanen bij zijn volgende handelstochten te vermijden.

Ze bereikten de top van de helling. Hier hield de stad op en begonnen de heuvels. Er was geen stadsmuur. Voor hen lagen de herbergen voor de kooplieden die in het binnenland handeldreven, wagenerven en stallen. Hier zouden de lagere heren van Illian behoorlijke herenhuizen hebben gebouwd. Voor de grootste stond een erewacht van Seanchanen en er hing een banier met een blauwe rand waarin een gouden havik met gespreide vleugels stond. Egeanin gaf haar zwaard en dolk af voor ze Domon mee naar binnen nam. Haar twee soldaten bleven op straat staan. Domon begon te zweten. Het rook hier naar hoge heren. Het was kwaad zaken doen met een heer op zijn eigen erf.

1 ... 119 120 121 122 123 124 125 126 127 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)