Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 118 119 120 121 122 123 124 125 126 ... 203
Перейти на страницу:

De twee vrouwen die gekleed waren als vrouwen, kwamen uit de roeiboot. Met knipperende ogen zag Domon hoe de ene vrouw de andere meevoerde aan een lijn van zilverkleurig metaal toen ze aan boord stapten. De riem liep van de armband van de eerste vrouw naar een halsband rond de nek van de tweede. Hij kon niet zien of de riem gevlochten was of geklonken – het kon allebei zijn – maar hij bestond van armband tot en met de halsband duidelijk uit een stuk. De eerste vrouw rolde de lijn op toen de ander aan boord kwam. De aangelijnde vrouw was in simpel donkergrijs gekleed, hield haar handen gevouwen en keek strak naar de dekplanken. De ander was in het blauw en had op de borst rode emblemen met gevorkte zilveren bliksems, net als op de zijkant van haar rok, die vlak boven de enkels van haar laarzen eindigde. Domon voelde zich niet op zijn gemak toen hij de vrouwen opnam.

‘Praat langzaam, man,’ eiste de blauwogige vrouw in haar lispelende spraak. Ze liep over het dek naar hem toe, ging pal voor hem staan, keek hem recht in de ogen en leek op de een of andere manier langer en groter dan hij. ‘Je bent nog moeilijker te verstaan dan de anderen in dit door het Licht verzaakte land. En ik ben niet van het Bloed. Ik maak daar geen aanspraak op. Nog niet. Na de Corenne... Ik ben kapitein Egeanin.’

Domon herhaalde wat hij had gezegd, probeerde langzaam te spreken en voegde eraan toe: ik ben echt een vredelievende koopman, kapitein. Ik wil u niet te na komen en sta buiten uw oorlog.’ Onwillekeurig dwaalden zijn ogen weer naar de twee vrouwen die door de lijn waren verbonden.

‘Een vredelievende koopman?’ peinsde Egeanin. ‘In dat geval ben je vrij om te gaan zodra je opnieuw trouw hebt gezworen.’ Ze ving zijn blik op en wendde zich glimlachend tot de vrouwen met de trotse houding van een eigenares. ‘Bewonder je mijn damane? Ze heeft me veel gekost, maar ze was iedere munt waard. Behalve de adel bezitten slechts weinigen een damane en de meesten zijn eigendom van de troon. Ze is sterk, koopman. Ze had je hele schip kunnen versplinteren als ik dat gewild had.’

Domon staarde naar de vrouwen met de zilveren riem. Hij had gemeend dat de vrouw met de bliksems de woeste waterkolommen had veroorzaakt en dus een Aes Sedai was. De opmerking van Egeanin liet zijn hoofd tollen. Niemand kan dat een... is zij een Aes Sedai?’ vroeg hij ongelovig.

De achteloze klap met de rug van haar gehandschoende hand zag hij niet eens aankomen. Hij struikelde achteruit toen de stalen handschoen zijn lip spleet.

‘Sommige woorden worden nooit hardop gezegd,’ zei Egeanin gevaarlijk zachtjes. ‘Er zijn slechts damane, de beteugelden, en nu dienen ze zowel naar de geest als in werkelijkheid.’ Vergeleken met haar ogen was ijs warm.

Domon slikte wat bloed weg en drukte zijn hand stevig tegen zijn dij. Zelfs met een zwaard in de hand zou hij zijn bemanning niet door een handvol geharnaste soldaten laten afslachten, maar het was een hele inspanning om nederig iets te zeggen, ik beoogde geen minachting, kapitein, maar ik weet niets van u of van uw manieren. Als ik u beledig, is het onwetend en niet opzettelijk.’ Ze keek hem aan en zei toen: ‘Jullie zijn allemaal onwetend, kapitein, maar jullie zullen de schuld van je voorvaderen betalen. Dit land was van ons en zal ons weer toebehoren. Na de Terugkeer zal het ons weer toebehoren.’ Ze bedoelt toch niet dat dat gezever over Artur Haviksvleugel waar is? Domon wist niet wat hij moest zeggen en hield dus zijn mond stijf dicht. ‘Vaar uw schip naar Falme.’ Hij wilde protesteren, maar haar boze blik bracht hem tot zwijgen. ‘Daar zullen jullie en dit schip onderzocht worden. Als je niet meer bent dan een vredelievende koopman, zoals je beweert, zal het je worden toegestaan je eigen weg te gaan nadat jullie de geloften hebben afgelegd.’

‘Geloften, kapitein? Welke geloften?’

‘Gehoorzaamheid, gereedheid en dienstbaarheid. Jullie voorvaderen hadden ze moeten onthouden.’

Kapitein Egeanin ging haar mensen voor en liet een man achter van lage rang, zoals zijn eenvoudige wapenrusting en zijn diepe buiging voor haar bewezen. Toen voer hun roeiboot weer weg naar het grotere schip. De achtergebleven Seanchaan gaf geen bevelen, maar zat enkel met gekruiste benen op het dek en begon zijn zwaard te wetten, terwijl de bemanning de zeilen hees en naar de kust voer. Hij leek helemaal niet bevreesd dat hij alleen was. Ondanks dit gegeven zou Domon persoonlijk elk bemanningslid overboord hebben gegooid die hem wilde neerslaan. De Schuimvlok werd immers op weg langs de kust gevolgd door het Seanchaanse schip, dat verder buiten de kust in dieper water voer. De afstand tussen de twee vaartuigen bedroeg zeker een span, maar Domon besefte dat er geen enkele hoop op ontsnapping bestond. Hij wilde de man weer even veilig bij kapitein Egeanin afleveren als een kind in de armen van zijn moeder. Het was een lange tocht naar Falme en Domon wist ten slotte aan de Seanchaan een paar woorden te ontlokken. Het was een man van middelbare leeftijd, met donkere ogen; hij had een oud litteken boven zijn ogen en nog een op zijn kin. Hij heette Caban en hij minachtte iedereen aan deze kant van de Arythische Oceaan. Dat bracht Domon een poos tot zwijgen. Misschien zijn ze echt die... Nee, dat was echt waanzin. Caban sprak even lispelend als Egeanin, maar bij haar klonk het als zijde die over metaal gleed en bij hem als leer over steen. De man wilde eigenlijk alleen maar verhalen kwijt over veldslagen, drinken en vrouwen die hij had gekend. De helft van de tijd wist Domon niet zeker of de man het over het hier en nu had of over die onbekende plaats waar hij vandaan kwam. De man sprak zeker niet vrijuit over alles wat Domon wilde weten. Eenmaal vroeg Domon naar de damane. Caban stak zijn arm uit vanwaar hij zat – voor de roerganger – en zette de punt van zijn zwaard tegen Domons keel. ‘Pas op wat je tong verlaat, anders raak je hem kwijt. Dat zijn zaken van het Bloed en die gaan jouw soort niet aan. Het mijne evenmin.’ Hij grijnsde erbij en toen hij klaar was, ging hij door met het wetten van de sterke gebogen kling. Domon veegde het bloeddruppeltje weg dat boven zijn kraag opwelde en besloot dat hij dat in ieder geval nooit meer zou vragen. Hoe dichter ze bij Falme kwamen, hoe meer hoge, hoekige Seanchaanse schepen ze passeerden. Sommige waren onder zeil, maar er lagen er nog meer voor anker. Elk schip had een stompe boeg en torens en Domon had nooit grotere gezien, zelfs niet bij het Zeevolk. Enkele plaatselijke zeilschepen met scherpe boegen en driehoekige zeilen schoten over de groene golven. Die aanblik gaf hem het vertrouwen dat Egeanin de waarheid over zijn vrijlating had gesproken. Toen de Schuimvlok het vasteland naderde waar Falme lag, stond Domon versteld van het aantal Seanchaanse schepen dat buiten de haven voor anker lag. Hij probeerde ze te tellen, maar gaf het op bij honderd, en toen had hij nog niet eens de helft geteld. Hij had weleens meer zoveel schepen bij elkaar gezien in Illian, Tyr en zelfs Tanchico, maar daar waren ook veel kleinere vaartuigjes bij geweest. Terwijl hij mistroostig in zichzelf liep te mopperen, stuurde hij de Schuimvlok de haven in, onder de hoede van haar grote Seanchaanse waakhond.

Falme lag op een landtong op de uiterste punt van de Kop van Toman. Verder naar het westen lag niets, behalve de Arythische Oceaan. Hoge rotswanden rezen aan beide zijden op en boven op een hoogte, waar ieder binnenlopend schip langs moest, stonden de torens van de Wakers over de Golven. Uit een van de torens hing een kooi waarin een troosteloze man zat die zijn benen tussen de tralies door liet bungelen. ‘Wie is dat?’ vroeg Domon.

Caban was eindelijk met het wetten van zijn zwaard gestopt. Domon had zich afgevraagd of hij zich er soms mee wilde scheren. De Seanchaan keek naar wat Domons vinger aanwees. ‘O, dat is de Eerste Waker. Natuurlijk niet de man die op de stoel zat toen we hier landden. Iedere keer als hij sterft, kiezen ze een nieuwe en stoppen wij hem in de kooi.’

1 ... 118 119 120 121 122 123 124 125 126 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)