De Grote Jacht
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #2
- Год: 2005
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:
Domon liet het kijkglas zakken, maar kon zijn ogen bijna niet afwenden van dat grote, vierkante schip met zijn vreemde geribbelde
zeilen. ‘Seanchanen,’ zei hij en hij hoorde Jarin kreunen. Hij trommelde met zijn dikke vingers op de scheepsboord en beval toen de roerganger: ‘Breng ons dichter onder de kust. Dat schip zal zich niet in de ondiepten wagen waar de Schuimvlok kan zeilen.’ Jarin schreeuwde bevelen en de bemanning haastte zich de zeilen te reven, terwijl de roerganger de boeg scherp naar de kust draaide. De Schuimvlok voer langzamer met de kop in de wind, maar Domon was er zeker van dat hij het ondiepe water kon bereiken voor het andere vaartuig hem inhaalde. Zelfs met volle ruimen kon ze in ondieper water varen dan die grote kogge.
Zijn schip stak hoger uit het water dan bij zijn vertrek uit Tanchico. Een derde van zijn lading vuurwerk was verkocht in de vissersdorpen op de Kop van Toman, maar tegelijk met de vele zilverstukken had hij verontrustend nieuws opgevangen. De mensen spraken over de komst van invallers, in grote, vierkante schepen. Als de Seanchaanse schepen voor de kust voor anker lagen, werden de dorpelingen die huis en hof wilden verdedigen, getroffen door bliksems uit de hemel, waarbij de aarde onder hun voeten in vlammen uitbarstte, terwijl kleine boten steeds meer invallers aan land brachten. Domon had eerst gedacht dat dit onzin was, tot ze hem de verschroeide velden lieten zien. Die had hij al in te veel dorpen gezien om nog twijfel te koesteren. Er streden monsters mee met de Seanchaanse soldaten. Niet dat er ooit enig verzet bestond, vertelden de vissers, en sommigen beweerden zelfs dat de Seanchanen zelf monsters waren, met hoofden als enorme insecten.
In Tanchico had niemand ook maar enig idee hoe ze zichzelf noemden en de Taraboners hadden het vol vertrouwen over hun soldaten die hen terug de zee in zouden jagen. Maar in ieder kustplaatsje was het weer anders. De Seanchanen vertelden de verbijsterde mensen dat zij hun verzaakte geloften opnieuw moesten afleggen, hoewel ze nooit de moeite namen om uit te leggen wanneer ze waren verzaakt of wat de geloften inhielden. Jonge vrouwen werden stuk voor stuk meegevoerd om onderzocht te worden; sommigen waren naar de schepen gebracht en nooit meer teruggezien. Een paar oudere vrouwen, gidsen en heelsters, waren eveneens verdwenen. De Seanchanen kozen een nieuwe dorpsmeester of stadsheer en de waaghals die luidkeels bezwaar maakte over de verdwenen vrouwen of over het feit dat zij niet zelf een dorpsmeester mochten kiezen, werd opgehangen, barstte ineens in vlammen uit of werd als een grauwende hond opzij getrapt. Het viel gewoon niet te voorspellen wat er zou gebeuren totdat het te laat was.
En als de mensen grondig geknecht waren, als ze geknield hadden gezworen dat zij de Voorlopers zouden gehoorzamen, op de Terugkeer zouden wachten en met hun leven ‘Zij die thuiskomen’ zouden dienen, zeilden de Seanchanen weg om gewoonlijk nooit weer terug te keren. Men zei dat Falme de enige stad was die ze bezet hielden. In sommige dorpen die ze hadden achtergelaten, namen de mannen en vrouwen hun vroegere leven weer op. Soms werd er zelfs weer gesproken over het kiezen van een dorpsraad, maar dan schoten de meeste ogen naar de zee. Uit bleke gezichten klonk het protest dat men zich echt aan de afgelegde geloften wilde houden, ook al begreep men er niets van.
Domon was niet van plan ook maar één Seanchaan te ontmoeten als hij het kon vermijden.
Hij hief zijn kijkglas weer op om te zien of hij op het naderende dek van de Seanchanen iets kon onderscheiden, toen op nog geen honderd pas bakboord het zeeoppervlak donderend omhoog spoot en opvlamde. Voor zijn mond open kon vallen, spleet een volgende vlammenzuil de zee aan stuurboord en toen hij zich snel omdraaide om dat te zien, spoot er een derde voor de Schuimvlok omhoog. De uitbarstingen stierven even snel weg als ze waren ontstaan en het schuim waaide over hun dek. Waar de zuilen waren geweest, borrelde en dampte de zee als kokend water.
‘We... we kunnen ondiep water bereiken voor ze langszij kunnen komen,’ zei Jarin langzaam. Het kostte hem moeite niet naar het woelige water onder de stoomwolken te kijken.
Domon schudde zijn hoofd, ik weet niet wat ze deden, maar ze kunnen ons vernietigen, zelfs in de branding.’ Hij rilde en dacht aan de vlammen in de waterfonteinen en aan een ruim vol vuurwerk. ‘Het Fortuin mag me slaan; als we dat al overleven, verdrinken we.’ Hij trok aan zijn baard, wreef over zijn bovenlip en wilde eigenlijk het bevel niet geven, want het schip en de vracht waren zijn enige wereldse bezittingen. Ten slotte gaf hij moeizaam het beveclass="underline" ‘Loef haar op in de wind, Jarin, en strijk de zeilen. Vlug man, vlug! Voor ze denken dat we nog steeds willen ontsnappen!’ Terwijl de bemanning naar de driehoekige zeilen rende, draaide Domon zich om en keek naar het naderende Seanchaanse schip. De Schuimvlok verloor vaart en dook in de golven. Het andere vaartuig rees hoger boven het water uit dan Domons schip, met houten torens op boeg en steven. Mannen werkten in het want aan de vreemde zeilen en geharnaste mannen stonden boven op de torens. Een roeiboot zakte langszij omlaag en spoedde zich met tien roeiers naar de Schuimvlok. Er stonden geharnaste mannen in en – Domons wenkbrauwen schoten verbaasd omhoog – in de steven zaten twee vrouwen neergehurkt. De roeiboot bonsde tegen de romp. De eerste die omhoog klom, was een van de geharnaste mannen. Domon zag meteen waarom sommige dorpelingen hadden beweerd dat de Seanchanen zelf monsters waren. De helm leek heel veel op een monsterachtige insectenkop door de dunne rode pluimen die op voelsprieten leken. De ogen leken door insectenkaken heen te turen. De helm was beschilderd en verguld om meer indruk te maken en de rest van zijn wapenrusting was eveneens beschilderd en verguld. Overlappende zwartrode platen met gouden randen bedekten zijn borst, de buitenkant van zijn armen en de voorkant van zijn bovenbenen. Zelfs zijn stalen handschoenen waren rood met goud gekleurd. Waar geen metaal zat, waren zijn kleren van donker leer. Het tweehandige zwaard op zijn rug had een gebogen kling; de schede en het gevest waren van zwart en rood leer.
Toen nam de geharnaste man zijn helm af en Domon stond hem met open mond aan te staren. Het was een vrouw. Haar donkere haren waren kortgeknipt en haar gezicht stond hard, maar een vergissing was niet mogelijk. Hij had nog nooit van het bestaan van vrouwelijke krijgslieden gehoord, behalve bij de Aiel, en van de Aiel was bekend dat ze gek waren. Even verontrustend was het feit dat haar gezicht er niet anders uitzag zoals hij van een Seanchaan had verwacht. Weliswaar waren haar ogen blauw en was haar huid heel licht, maar dat had hij wel eerder gezien. Als deze vrouw een rok droeg, zou niemand een tweede keer naar haar kijken. Hij nam haar op en herzag zijn mening. Haar kille blik en harde kaaklijn zouden overal opvallen.
De andere soldaten kwamen na de vrouw het dek op. Toen sommigen hun vreemde helmen afnamen, zag Domon opgelucht dat dat tenminste mannen waren. Mannen met zwarte en bruine ogen die onopvallend in Tanchico of Illian konden rondlopen. Hij had al spookbeelden in gedachten van legers gewapende vrouwen met blauwe ogen. Aes Sedai met zwaarden, dacht hij, terugdenkend aan hoe de zee was opengebarsten.
De Seanchaanse liet hooghartig haar ogen over het dek dwalen en koos toen Domon uit als de schipper. Aan hun kleding te zien moest hij of Jarin het zijn. Maar omdat Jarin zijn ogen had gesloten en gebeden mompelde, keek ze zwijgend Domon aan en hield hem met haar felle ogen gevangen.
‘Is er een vrouw onder je bemanning of passagiers?’ Ze sprak wat lispelend waardoor hij haar haast niet begreep, maar er zat een harde klank in haar stem die duidelijk maakte dat ze gewend was antwoord te krijgen. ‘Spreek, man, als jij de schipper bent. Zo niet, wek dan die andere dwaas en zeg hem zijn mond open te doen.’ ik ben de schipper, zeker, mijn vrouwe,’ zei Domon behoedzaam. Hij had geen idee hoe hij haar moest aanspreken en hij wilde niet verkeerd beginnen, ik heb geen passagiers en er zijn geen vrouwen onder de bemanning.’ Hij dacht aan de meisjes en vrouwen die waren weggevoerd en niet voor de eerste keer vroeg hij zich af wat dit volk van hen wilde.