Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Grote Jacht
De Grote Jacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Grote Jacht

Электронная книга - «De Grote Jacht». Краткое содержание книги:

De Grote Jacht
1 ... 115 116 117 118 119 120 121 122 123 ... 203
Перейти на страницу:

‘Treft uw hand mij nu? Een oude voorspelling zegt dat als we ooit de Aes Sedai wederom beschamen, zij ons zullen treffen. Ik weet dat uw macht groter is dan die van de Wijzen.’ De Aiel lachte opeens, vreugdeloos. Er danste een wild licht in zijn ogen. ‘Breng uw bliksems, Aes Sedai. Ik zal met hen dansen.’

De Aiel dacht dat hij ging sterven en hij was niet bang. Perijn besefte dat hij met open mond stond toe te kijken en deed hem snel dicht. ‘Wat zou ik er niet voor geven,’ mompelde Verin, die naar Urien opkeek, ‘jou in de Witte Toren te hebben. Of alleen al bereid om te praten. O, wees stil man. Ik doe je geen kwaad. Tenzij je van plan bent mij kwaad te doen, met je gepraat over de dans.’ Urien leek verbijsterd. Hij keek naar de Shienaranen die overal in het rond te paard zaten, alsof hij een of andere list verwachtte. ‘U bent geen Speervrouw,’ zei hij langzaam. ‘Hoe kan ik een vrouw aanvallen die niet gebonden is aan de speer? Het is verboden, behalve om levens te redden, en dan nog zou ik wonden aanvaarden om het te vermijden.’

‘Waarom ben je hier, zo ver van je eigen land?’ vroeg ze. ‘Waarom ben je naar ons toe gekomen? Je had tussen de rotsen kunnen blijven en we zouden nooit hebben geweten dat je daar was.’ De Aiel aarzelde en Verin voegde eraan toe: ‘Vertel me alleen wat je bereid bent te zeggen. Ik weet niet wat jullie Wijzen doen, maar ik zal je geen kwaad doen of proberen je tot iets te dwingen.’

‘Dat zeggen de Wijzen ook,’ zei Urien droogjes, ‘maar toch moet zelfs een stamhoofd een sterke maag hebben om niet te doen wat ze willen.’ Hij scheen zijn woorden zorgvuldig te kiezen, ik ben op zoek naar... iemand. Een man.’ Zijn ogen gleden langs Perijn, Mart, de Shienaranen, en wees ze allen af. ‘Hij die komt met de Dageraad. Het staat geschreven dat er bij zijn komst grote tekenen en voortekenen zullen zijn. Door de wapenrusting van uw begeleiders zag ik dat u uit Shienar komt en u ziet eruit als een Wijze; dus meende ik dat u kennis kon hebben van grote gebeurtenissen, de gebeurtenissen die hem mogelijk aankondigen.’

‘Een man?’ De stem van Verin was zacht, maar haar ogen leken wel twee dolken. ‘Wat zijn deze tekenen?’

Urien schudde het hoofd. ‘Er wordt gezegd dat wij ze zullen kennen als we ze horen, zoals we hem zullen kennen als we hem zien, want hij zal getekend zijn. Hij zal komen uit het westen, van achter de Rug van de Wereld, maar van ons bloed zijn. Hij zal naar Rhuidean gaan en ons uit het Drievoudige Land leiden.’ Hij nam een speer in zijn rechterhand. Leer kraakte en metaal kraste toen de krijgslieden naar hun zwaarden grepen. Perijn besefte dat hij zijn bijl weer vast had, maar Verin maande allen met een geërgerde blik tot kalmte. Urien schraapte met zijn speerpunt een cirkel in het stof en trok er toen een kronkellijn in. ‘Het wordt gezegd dat hij onder dit teken zal veroveren.’

Ingtar keek nadenkend naar het teken, hij herkende het duidelijk niet, maar Mart mompelde zacht iets grofs en Perijn voelde zijn mond droog worden. Het oeroude teken van de Aes Sedai. Verin veegde met haar voet het teken weg. ‘Ik kan je niet vertellen waar hij is, Urien,’ zei ze, ‘en ik heb niet gehoord van enig teken of voorteken om je naar hem te leiden.’

‘Dan zal ik mijn speurtocht voortzetten.’ Het was geen vraag en toch bleef Urien wachten tot ze een knikje gaf voordat hij de Shienaranen trots en uitdagend aankeek en hen toen zijn rug toekeerde. Hij liep lenig weg en verdween zonder eenmaal om te kijken tussen de rotsen. Enkele krijgslieden begonnen te mopperen. Uno zei iets over ‘stomme, dwaze Aiel’ en Masema gromde dat ze de Aiel voor de raven achter hadden moeten laten.

‘We hebben kostbare tijd verspild,’ verkondigde Ingtar luid. ‘We zullen nog sneller moeten rijden om het in te halen.’

‘Ja,’ zei Verin. ‘We moeten sneller rijden.’

Ingtar wierp haar een blik toe, maar de Aes Sedai stond naar de omwoelde grond te kijken, waar haar voet het teken had weggeveegd. ‘Afstappen,’ beval hij. ‘Wapenrusting op de pakpaarden. We zijn nu in Cairhien. We willen niet dat de Cairhienin denken dat we voor de strijd komen. Doe het snel.’

Mart boog zich naar Perijn toe. ‘Denk je...? Denk je dat hij over Rhand stond te praten? Het is gek, weet je, maar zelfs Ingtar denkt dat Rhand een Aiel is.’

‘Ik weet het niet,’ zei Perijn. ‘Alles is idioot geweest sinds we met Aes Sedai te maken kregen.’

Zachtjes, alsof ze in zichzelf stond te praten, zei Verin terwijl ze naar de grond bleef kijken: ‘Het maakt er deel van uit, maar hoe? Weeft het Rad des Tijds draden in het Patroon waar we niets van weten? Of beroert de Duistere het Patroon opnieuw?’ Perijn voelde hoe hij huiverde.

Verin keek op naar de soldaten, die hun wapenrusting opborgen. ‘Opschieten!’ beval ze nog bitser dan Ingtar en Uno samen. ‘We moeten opschieten.’

29

Seanchan

Geofram Bornhald negeerde zowel de stank van brandende huizen als de lichamen die overal in de stoffige straat verspreid lagen. Byar en een witgemantelde garde van honderd man reden vlak achter hem aan het dorp in; de helft van de groep die hij had meegenomen. Zijn legioen was naar zijn zin te veel uitgedund en de Ondervragers hadden het te veel voor het zeggen, maar het bevel aan hem was duidelijk geweest: gehoorzaam de Ondervragers.

Er was hier maar weinig weerstand geboden. Slechts uit een handvol woonhuizen kringelde nog rook. De herberg stond er nog, zag hij. Witgepleisterde steen, zoals bijna ieder gebouw op de Vlakte van Almoth.

Voor de herberg trok hij de teugels aan en zijn ogen gleden over de gevangenen die vlak bij de dorpsput door zijn soldaten werden bewaakt en langs de hoge galg die de dorpsbrink verpestte. Die was haastig opgericht, slechts een lange balk op staanders, maar er hingen dertig lijken aan en hun kleren rimpelden in de wind. Kleine lijfjes zwaaiden tussen hun ouders mee. Zelfs Byar zat er ongelovig naar te staren.

‘Muadh!’ brulde hij. Een grijsharige man kwam uit de groep gevangenbewakers aanhollen. Muadh was ooit in de handen van Duistervrienden gevallen. De littekens op zijn gezicht joegen zelfs de moedigsten angst aan. ‘Komt dit alles door jou, Muadh, of door de Seanchanen?’

‘Geen van beiden, kapiteinheer.’ Muadhs stem was een schor, gefluisterd gegrom, nog een geschenk van de Duistervrienden. Hij zei verder niets.

Bornhald fronste. ‘Dat stel heeft het zeker niet gedaan,’ zei hij, naar de gevangenen wijzend. De Kinderen zagen er niet meer zo netjes uit als toen hij ze door Tarabon had gevoerd, maar ze leken klaar voor een wapenschouw vergeleken met de zwervers die onder hun waakzame ogen neergehurkt zaten. Versuft kijkende mannen, gekleed in lompen en stukken wapenrusting. Overlevenden van het leger dat Tarabon tegen de invallers op de Kop van Toman had ingezet. Muadh aarzelde en zei toen voorzichtig: ‘De dorpelingen zeggen dat ze de mantels van Taraboners droegen, kapiteinheer. Er was een grote man bij, met grijze ogen en een lange snor, die een tweelingbroer lijkt van Kind Earwin, en een jonge kerel die een aardig gezicht probeerde te verbergen achter een blonde baard en met zijn linkerhand vocht. Klinkt bijna als een beschrijving van Kind Wuan, kapiteinheer.’

‘Ondervragers,’ vloekte Bornhald. Earwin en Wuan hoorden bij de groep die hij onder het bevel van de Ondervragers had moeten plaatsen. Hij had al eerder de gevolgen van hun daden gezien, maar dit was voor het eerst dat hij bij kinderlijkjes stond. ‘Als de kapiteinheer het zegt.’ Muadh liet het klinken als vurige bijval.

‘Snij ze los,’ zei Bornhald vermoeid. ‘Snij ze los en zorg er in ieder geval voor dat de dorpelingen weten dat er niet meer gemoord zal worden.’ Tenzij een of andere dwaas besluit dapper te zijn omdat zijn vrouw staat te kijken, want dan moet ik een voorbeeld stellen. Hij steeg af en zijn blikken gleden opnieuw over de gevangenen, terwijl Muadh zich roepend om ladders en messen wegrepte. Hij had andere zorgen dan het fanatisme van de Ondervragers; hij wilde eigenlijk liever nooit meer over Ondervragers nadenken. ‘Ze stellen niet veel voor in de strijd, kapiteinheer,’ zei Byar. ‘Of het nou Taraboners zijn of de laatste Domani. Ze bijten als ratten in het nauw, maar slaan op de vlucht zodra je terugbijt.’

1 ... 115 116 117 118 119 120 121 122 123 ... 203
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)