De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
Hij schudde het hoofd. Hij had geen belangstelling voor politiek. Zolang ze me maar niet proberen te vertellen dat ik een Andoraan ben vanwege de een of andere landkaart. Bloedvuur, ze zouden me misschien zelfs kunnen dwingen in hun bloedleger te vechten als deze Cairhiense kwestie uit de hand gaat lopen. Bevelen opvolgen. Licht’. Hij huiverde en draaide zich weer om naar Aringil. De zeelieden op de Grijze Meeuw maakten de meertouwen klaar om op de kaden te werpen.
Schipper Mallia stond hem bij het roer op te nemen. De kerel had zijn pogingen om bij hen in het gevlei te komen niet opgegeven. Evenmin zijn pogingen om achter de inhoud van hun belangrijke opdracht te komen. Uiteindelijk had Mart hem de verzegelde brief laten zien en hem gezegd dat hij die voor de erfdochter naar de koningin bracht. Een persoonlijke boodschap van een dochter voor haar moeder, meer niet. Mallia scheen alleen de woorden ‘koningin Morgase’ te horen. Mart grinnikte in zichzelf. Diep in zijn jaszak zaten twee beurzen die dikker waren dan toen hij aan boord was gekomen; hij had genoeg losse munten om er nog twee te vullen en dan had hij nog over. Het geluk had hem niet zo toegelachen als in die eerste, vreemde nacht, toen de dobbelstenen en al het andere gek schenen te worden, maar het was nog steeds goed genoeg. Na de derde nacht deed Mallia bij het gokken geen moeite meer om aardig te lijken, maar toen was zijn geldkist al leger geworden. Dat zou na Aringil nog erger worden. Mallia moest hier in Aringil zijn voedselvoorraad aanvullen – Mart keek naar de mensen die op de kaden krioelden – maar als er voedsel was, zou dat behoorlijk prijzig zijn.
De grijns verdween toen hij weer aan de brief terugdacht. Wat priegelwerk met een heet mes had het gouden leliezegel onbeschadigd opgelicht. Hij had niets gevonden. Elayne studeerde hard en boekte vooruitgang en was leergierig. Ze was een gehoorzame dochter en de Amyrlin Zetel had haar voor het weglopen gestraft en haar geboden er nimmer over te spreken, dus moest haar moeder begrijpen waarom ze niet meer kon schrijven. Ze schreef dat ze verheven was tot de rang van Aanvaarde, en was dat niet geweldig, zo gauw al, en nu was haar belangrijker werk toevertrouwd; ze zou Tar Valon moeten verlaten, voor een poosje maar, in dienst van de Amyrlin zelf. Haar moeder hoefde zich geen zorgen te maken.
Voor haar was het allemaal mooi en aardig om Morgase te vertellen dat ze zich geen zorgen hoefde te maken, maar daardoor had ze hém in de problemen gebracht. Vanwege deze stomme brief waren die kerels achter hem aangekomen, maar zelfs Thom had er niets uit kunnen opmaken, hoewel hij iets had gemompeld over ‘cijfers’ en ‘codes’ en ‘Spel der Huizen’.
Mart had de brief nu veilig in de voering van zijn jas zitten, met het zegel er weer op, en hij durfde te wedden dat niemand het ooit zou merken. Als iemand de brief zo graag wilde hebben dat hij bereid was Mart ervoor te doden, mochten ze dat proberen. Ik zei je dat ik hem zou afleveren, Nynaeve, en dat zal ik doen ook, wie mij ook wil tegenhouden. Hoe dan ook, hij had met die drie vervelende vrouwen de volgende keer nog een appeltje te schillen – Als dat er ooit van komt. Licht, zo heb ik er nog nooit over gedacht - en wat hij dan ging zeggen, zouden ze niet graag willen horen.
Toen de bemanningsleden de meertouwen naar de kade wierpen, kwam Thom aan dek, met de instrumentkistjes op zijn rug en zijn bundel in de hand. Ondanks zijn gehink schreed hij naar de reling, terwijl hij ervoor zorgde dat zijn mantel bewoog om de kleurige lapjes te laten wapperen; hij blies zelfverzekerd zijn lange, witte snorharen omhoog. ‘Niemand kijkt, Thom,’ zei Mart. ‘Ik denk zelfs dat ze absoluut geen speelman zien, tenzij hij voedsel in zijn handen heeft.’ Thom staarde naar de kaden. ‘Licht! Ik had gehoord dat het slecht was, maar dit had ik niet verwacht! Arme stakkers. De helft ziet eruit of ze uitgehongerd zijn. Je zou weleens een van je beurzen moeten omkeren om vanavond een kamer te krijgen. En de andere voor een maaltijd, als je van plan bent zo door te blijven schransen. Jou te zien eten maakt me bijna ziek. Als je onder de neus van die mensen daar op dezelfde manier blijft eten, zouden ze je best de hersens kunnen inslaan.’ Mart schonk hem een glimlach.
Mallia kwam plukkend aan zijn puntbaardje het dek op stampen, terwijl de Grijze Meeuw naar haar aanlegplaats werd gesleept. Schepelingen kwamen aanrennen om de loopplank uit te leggen en Sanor stond erbij op wacht met zijn zware armen voor zijn borst geslagen, voor het geval de menigte op de kade aan boord wilde komen. Niemand waagde het.
‘Dus u gaat mij hier verlaten,’ zei Mallia tegen Mart. De schipper glimlachte niet meer zo hartelijk als in het begin. ‘Weet u zeker dat ik u niet nog ergens bij kan helpen? Mijn ziel mag branden als ik ooit zo’n zooitje gezien heb. Die krijgslieden zouden de kade moeten schoonvegen – desnoods met het zwaard – zodat een goede koopman zijn zaken kan afhandelen. Misschien kan Sanor vrij baan tussen dat gepeupel voor u maken tot u in de herberg bent.’
Zodat je weet waar we verblijven? Mooi niet. ik stond er net aan te denken nog iets te eten voor we van boord gaan, en misschien een spelletje dobbelen.’ Mallia’s gezicht trok wit weg. ‘Maar ik denk dat ik bij mijn volgende maal vaste grond onder me wil voelen. Dus gaan we u nu verlaten, schipper. Het is een aangename reis geweest.’ Terwijl op het gezicht van de schipper opluchting en verwarring strijd met elkaar leverden, pakte Mart zijn spullen op. Hij gebruikte zijn vechtstaf als wandelstok en liep met Thom naar de loopplank. Mallia volgde hen tot aan het begin van de loopplank en uitte mompelend zijn spijt over hun afscheid, woorden die beurtelings gemeend en vals waren. Mart was ervan overtuigd dat de man er de pest in had dat hij zijn kans verloor om bij hoogheer Samon in het gevlij te komen. Nu kon hij geen bijzonderheden meer verstrekken over een verdrag tussen Andor en Tar Valon.
Terwijl Mart en de speelman zich door de menigte worstelden, gromde Thom: ik weet dat de man beslist niet aardig is, maar waarom moet je hem steeds maar stangen? Was het niet genoeg dat je al zijn voedsel dat tot Tyr moest reiken, hebt opgeschranst?’ ik heb de laatste twee dagen niet alles opgegeten.’ Op een morgen merkte hij tot zijn grote opluchting dat de honger gewoon was verdwenen. En daarmee had Tar Valon schijnbaar haar laatste greep op hem verloren, ik heb het meeste overboord gegooid, en ik moest nog goed uitkijken dat niemand het zag.’ Temidden van de ingevallen gezichten op de kade – velen waren kinderen – leek het niet grappig meer. ‘Mallia verdiende het te worden aangepakt. Weet je dat schip nog, gisteren? Dat op een modderbank of zoiets vastzat? Hij had kunnen stoppen om te helpen, maar hij wilde niet dichterbij komen, hoe hard ze ook schreeuwden.’ Voor hen stond een vrouw met lang, donker haar, die er aardig uit had kunnen zien als ze niet zo dodelijk vermoeid had geleken. Ze bekeek zoekend het gezicht van elke man die langs haar liep; een jongen die maar net tot haar middel kwam en twee nog kleinere meisjes klampten zich huilend aan haar vast. ‘Zijn gezeur over rivierrovers en een opgezette val. Mij leek het geen valstrik.’ Thom ontweek een kar met hoge wielen, waar op de met zeil afgedekte lading een kooi met twee krijsende varkens stond vastgesjord, en struikelde bijna over een slee die door een man en een vrouw werd getrokken. ‘En jij doet van alles om mensen te helpen, nietwaar? Gek dat me dat niet is opgevallen.’
‘Ik help iedereen die betalen kan,’ zei Mart stoer. ‘Alleen dwazen in verhalen doen iets voor niets.’
De twee meisjes snikten in hun moeders rokken, terwijl de jongen tegen zijn tranen vocht. De diepliggende ogen van de vrouw bleven even op Mart rusten, bestudeerden zijn gezicht en gleden verder; het leek of ze het liefst zou willen huilen. In een opwelling graaide hij een handvol losse munten uit zijn zak en drukte die in haar handen, zonder te kijken welke het waren. Ze schrok op en staarde verward naar het goud en zilver in haar hand, een verwarring die snel plaats maakte voor een glimlach. Ze deed haar mond open en tranen van dankbaarheid vulden haar ogen.