Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Herrezen Draak
De Herrezen Draak - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Herrezen Draak

Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:

De Herrezen Draak
1 ... 118 119 120 121 122 123 124 125 126 ... 178
Перейти на страницу:

‘Koop iets te eten voor de kinderen,’ zei hij vlug, zich verder haastend voor ze iets kon zeggen. Hij zag Thom kijken. ‘Wat sta jij te gapen? Zolang ik iemand vind die van dobbelen houdt, is het gemakkelijk aan geld te komen.’ Thom knikte langzaam, maar Mart wist niet zeker of hij wel duidelijk genoeg geweest was. Dat rottige kindergejank begon op m’n zenuwen te werken, meer niet. Die dwaze speelman verwacht nou kennelijk dat ik goud weggeef aan iedere zwerver die ik tegenkom. Dwaas.’ Eén ongemakkelijk moment wist hij niet zeker of dat laatste Thom gold of hemzelf.

Hij vermande zich en vermeed het om gezichten langer dan noodzakelijk was aan te kijken, tot hij aan het begin van de kade het gezicht zag dat hij zocht. De helmloze krijgsman in rode jas en borstkuras die de mensen naar de stad stuurde, had het verweerde uiterlijk van een tienman, een ervaren aanvoerder van een groep soldaten. De manier waarop hij zijn ogen dichtkneep tegen de ondergaande zon, deed Mart denken aan Uno, maar deze man bezat beide ogen nog. Hij zag er bijna even moe uit als de mensen die hij opjoeg. ‘Doorlopen,’ klonk zijn schorre stem. ‘Je kunt om de donder hier niet blijven staan. Doorlopen. De stad in met jullie.’

Mart plantte zich vierkant voor de krijgsman en zette een glimlach op. ‘Vergeef me, kapitein, maar kunt u mij zeggen waar ik een beetje behoorlijke herberg kan vinden? En een stal waar ze goede paarden verkopen? We moeten morgen nog een flink eind verder.’ De krijgsman nam hem van onder tot boven op, bekeek schattend Thom in zijn speelmansmantel en liet zijn blik naar Mart terugkeren. ‘Kapitein, hè? Wel, jongen, je zult het geluk van de Duistere moeten hebben als je nog een stal voor de nacht kunt krijgen. De meesten hier slapen in de buitenlucht. En als je een paard vindt dat nog niet is opgegeten, zul je waarschijnlijk met de eigenaar op de vuist moeten gaan om hem te bewegen het te verkopen.’

‘Je paard opeten!’ mompelde Thom vol afkeer, is het aan deze kant van de rivier echt zo erg geworden? Stuurt de koningin geen voedsel?’

‘Het is erg. speelman.’ De krijgsman leek op de grond te willen spuwen. ‘Ze steken nog sneller het water over dan molens kunnen malen of wagens voedsel aan kunnen voeren. Nou ja, dat duurt niet meer zo lang. Het bevel is gekomen. Morgen laten we niemand meer over, en als ze het toch proberen, sturen we ze terug.’ Hij vervloekte de mensenmassa op de kade alsof het allemaal hun schuld was en keek Mart weer aan met dezelfde harde blik. ‘Je staat in de weg, reiziger. Doorlopen.’ Zijn stem werd weer luider, gericht op iedereen binnen gehoorsafstand: ‘Doorlopen! Je kunt hier niet blijven! Doorlopen!’ Mart en Thom voegden zich bij de dunne stroom van mensen, wagens en sleeën die naar de poorten in de stadsmuur van Aringil vloeide. De hoofdstraten waren geplaveid met vlakke grijze stenen, maar er waren zoveel mensen op straat dat ze amper de stenen onder hun eigen laarzen zagen. De meeste mensen leken geen enkel doel te hebben en nergens heen te gaan. Degene die het had opgegeven, zat moedeloos tegen de gevel gehurkt. De gelukkigen hadden hun bezittingen vóór hen liggen of hielden hun dierbaarste spulletjes in hun armen. Mart zag drie mannen die een klok vasthielden en een stuk of tien met zilveren roemers of borden. De meeste vrouwen hielden kinderen tegen hun borst geklemd. Er klonk een onophoudelijk gebrom in de straten, een laag, woordeloos en bezorgd gonzen. Mart drong zich fronsend door de menigte en keek uit naar een uithangbord van een herberg. Er waren gebouwen van elk soort: hout en baksteen en steen, alles dicht tegen elkaar aan, met daken van riet, leisteen of dakpannen. ‘Het klinkt niet als Morgase,’ zei Thom na een tijdje half in zichzelf. Zijn borstelige wenkbrauwen waren omlaag getrokken, als een witte pijl die naar zijn neus wees. ‘Wat klinkt niet als haar?’ vroeg Mart afwezig.

‘Niemand laten oversteken. Mensen terugsturen. Ze kan donderen en bliksemen, maar ze had ook altijd een warm hart voor iedereen die arm of hongerig w as.’ Hij schudde zijn hoofd.

Toen zag Mart een uithangbord; er stond De Rivierman op en het liet een halfnaakte kerel zien die blootsvoets de hop danste. Hij werkte zich ernaar toe en maakte met zijn staf ruimte in de menigte. ‘Nou, het moet toch van haar komen. Wie kan het anders zijn geweest? Vergeet Morgase, Thom. We zijn nog lang niet in Caemlin. Laten we eerst maar eens zien hoeveel goud het ons gaat kosten om vannacht een bed te krijgen.’

De gelagkamer van De Rivierman was net zo overvol als de straat, en toen de herbergier hoorde wat Mart wilde, lachte hij dat zijn kinnen ervan schudden, ik heb er nou vier in één bed. Als mijn eigen moeder zou komen, kan ik haar nog geen deken bij het vuur geven.’

‘Het moet u zijn opgevallen,’ zei Thom, en zijn stem kreeg weer die galmende klank, ‘dat ik een speelman ben. U kunt toch op z’n minst een paar strozakken in een hoekje vinden in ruil voor het vermaak van uw gasten met verhalen en kunstjes, vuur en goochelarij.’ De herbergier lachte hem in zijn gezicht uit.

Mart trok hem weer de straat op en Thom gromde met zijn gewone stem: ‘Je gaf me niet de kans naar de stal te vragen. Ik had ons op z’n minst een plekje op de hooizolder kunnen bezorgen.’ ik heb genoeg stallen en schuren gezien na ons vertrek uit Emondsveld,’ zei Mart, ‘en ook genoeg struiken. Ik wil een bed.’ Maar in de volgende vier herbergen kreeg hij van de herbergier hetzelfde te horen; de laatste twee gooiden hem er bijna hardhandig uit toen hij aanbood om een bed te willen dobbelen. En toen de eigenaar van de vijfde herberg hem vertelde dat hij nog geen strozak voor de koningin zelf had – en dat voor een gelegenheid die De Goede Koningin heette – zuchtte hij en vroeg: ‘En uw stal dan? Als we betalen, kunnen we toch wel op uw hooizolder slapen?’

‘Mijn stal is voor de paarden,’ zei de man met het bolle gezicht, ‘al zijn er niet meer zoveel in de stad.’ Hij was bezig een zilveren beker te poetsen en opende nu een deurtje van een ondiepe kast boven op een grote ladenkist. Hij zette hem bij de andere; ze waren allemaal verschillend. Een met de hand gemaakte leren dobbelbeker stond boven op de kist, waar de kastdeurtjes net niet kwamen. ‘Ik leg er niemand te slapen, anders laten ze de paarden maar schrikken, of ze gaan er misschien mee vandoor. Wie mij betaalt om hun dier te stallen, wil dat er goed voor wordt gezorgd, en ik heb er bovendien twee van mezelf in staan. Ik heb voor jullie geen bed in mijn stal.’ Mart keek nadenkend naar de dobbelbeker. Hij haalde een gouden Andoraanse kroon uit zijn zak en legde hem op de kist. De volgende munt was een zilveren Tarvalonse mark, toen een gouden en ten slotte een gouden Tyreense kroon. De herbergier keek naar de munten en likte zijn vette lippen. Mart deed er nog twee zilveren Illiaanse marken en een gouden Andoraanse kroon bij en keek de dikke man aan. De herbergier aarzelde. Mart reikte naar de munten. De hand van de herbergier was sneller.

‘Nou ja, twee man. Vooruit, jullie zullen de paarden niet al te erg storen.’

Mart glimlachte. ‘Nu we het over paarden hebben, op hoeveel komen die twee van u? Natuurlijk met zadel en tuig.’

‘Ik verkoop mijn paarden niet,’ zei de man, de munten tegen zijn borst klemmend.

Mart pakte de dobbelbeker en rammelde ermee. ‘Nog eens twee keer dat bedrag tegen paarden, zadels en tuig.’ Hij schudde aan zijn zakken om de losse munten te laten rinkelen en aan te geven dat hij bij verlies meer dan genoeg bezat. ‘Mijn ene worp tegen de beste van uw twee worpen.’ Hij lachte bijna toen het gezicht van de herbergier begerig oplichtte.

Toen Mart de stal inliep, zocht hij tussen de handvol paarden naar een stel bruine ruinen. Het waren gewone dieren, maar ze waren van hem. Ze moesten nodig geroskamd worden, maar verder zagen ze er goed uit, vooral als je bedacht dat op één na alle stalknechten ervandoor waren gegaan. De herbergier had buitengewoon minachtend gedaan over hun klacht dat zij niet meer van hun loon konden rondkomen. Hij leek het misdadig te vinden dat de laatste man zowaar de brutaliteit had om te zeggen dat hij naar huis ging, alleen maar omdat hij er genoeg van had om het werk van drie man te doen. ‘Vijf zessen,’ mompelde Thom achter hem. Rondkijkend in de stal leek hij niet erg verrukt, als je bedacht dat hij de eerste was geweest die dit had voorgesteld. Stof glinsterde in het invallende licht van de ondergaande zon achter de staldeuren, en de touwen voor het optakelen van hooibalen hingen als ranken van het hijsblok aan de nokbalk. De hooizolder was schemerig. ‘Toen hij vier zessen en een vijf bij zijn tweede worp gooide, was hij zeker dat je verloren had, net als ik. De laatste tijd stond niet elke worp op winst.’

1 ... 118 119 120 121 122 123 124 125 126 ... 178
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)