De Herrezen Draak
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #3
- Год: 1996
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Herrezen Draak». Краткое содержание книги:
‘Ik win genoeg.’ Mart was opgelucht dar niet elke worp won. Geluk was één ding, maar iedere keer als hij aan die avond in Tar Valon dacht, liepen de rillingen over zijn rug. En toch, heel even, had hij bij het schudden van de beker geweten welke ogen hij zou gooien. Toen hij de vechtstaf op de hooizolder gooide, rommelde buiten de donder. Hij klauterde de ladder op en riep naar Thom: ‘Dit was een goed idee. Je mag wel blij zijn dat je vannacht uit de regen bent.’ Het meeste hooi stond in balen tegen de achtermuur gestapeld, maar op de vloer lag meer dan genoeg voor een bed, met zijn mantel eroverheen. Thom verscheen boven aan de ladder en haalde twee broden en een stuk groendooraderde kaas uit zijn tas. De herbergier, die Jeral Florre heette, had afstand gedaan van het voedsel voor niet meer geld dan de prijs van een paard in vrediger dagen. Ze aten terwijl de regen op het dak trommelde en spoelden het eten weg met water uit hun veldflessen; Florre had geen wijn, voor al het goud niet. Toen ze klaar waren, haalde Thom zijn tondeldoos te voorschijn, stopte zijn pijp vol tobak en leunde behaaglijk achterover.
Mart lag op zijn rug, staarde naar de schaduwen van het dak en vroeg zich af of de regen voor de ochtend zou ophouden – hij wilde die brief zo snel mogelijk kwijt – toen hij in de stal een as hoorde piepen. Hij rolde naar de rand van de zolder en tuurde naar beneden. Het schemerde nog voldoende om wat te zien.
Een slanke vrouw richtte zich op tussen de bomen van de hoogwielige wagen die ze zojuist uit de regen naar binnen had getrokken. Ze trok haar mantel uit en schudde mopperend het regenwater eraf. Haar haren waren in een heleboel kleine vlechtjes gevlochten, en haar zijden jurk – hij meende bleekgroen – had een bewerkelijk geborduurd lijfje. De jurk was ooit heel mooi geweest, maar nu gerafeld en besmeurd. Ze strekte haar rug, terwijl ze nog steeds bijna onhoorbaar in zichzelf praatte, haastte zich naar de staldeuren en tuurde de regen in. Even haastig dook ze weer terug en sloot de grote deuren; de stal hulde zich in duisternis. Er klonk wat geritsel, getinkel en geschraap, en plotseling bloeide er een lichtschijnsel op in de lantaarn in haar handen. Ze keek om zich heen, vond een haak aan een staldeur, hing de lantaarn eraan en begon onder het met touw vastgemaakte zeil van haar wagen te rommelen.
‘Dat deed ze snel,’ zei Thom zacht, met de pijp in zijn mond. ‘Ze had de stal in brand kunnen steken met in het donker vuur te slaan.’ De vrouw kwam met een stuk brood onder het zeil vandaan, waaraan ze begon te knabbelen of het steenhard was en ze daar door haar honger niets om gaf.
‘Is er nog wat van die kaas over?’ fluisterde Mart. Thom schudde zijn hoofd.
De vrouw begon te snuiven en Mart besefte dat ze waarschijnlijk Thoms tobak rook. Hij wilde juist opstaan en hun aanwezigheid kenbaar maken, toen een van de staldeuren opnieuw openging. De vrouw dook ineen, klaar om weg te rennen, toen vier mannen vanuit de regen naar binnen liepen. Ze ontdeden zich van hun natte mantels en onthulden jassen in bleke kleuren met wijde mouwen en borduurwerk over de voorkant, en pofbroeken die langs de buitennaad ook geborduurd waren. Hoewel hun kleren er elegant uitzagen, waren het allemaal grote kerels met grimmige gezichten. ‘Zo, Aludra,’ zei een man in een gele jas, ‘je hebt niet zo hard gerend als je dacht, hè?’ Zijn stem had in Marts oren een vreemde klank. ‘Tammuz,’ zei de vrouw, en het klonk als een vloek. ‘Het is niet genoeg dat ik door jouw fouten uit het Gilde gezet werd, stom rund, maar nou zit je me ook al achterna.’ Haar manier van spreken klonk al even vreemd als die van de man. ‘Denk je dat ik blij ben om je zien?’ De man die Tammuz genoemd werd, lachte. ‘Je bent een grote dwaas, Aludra, dat heb ik altijd al geweten. Als je gewoon vertrokken was, had je ergens op een rustig plekje lang kunnen leven. Maar je kon de geheimen in je hoofd niet vergeten, hè? Geloofde je nu echt dat wij niet zouden horen dat je probeert aan de kost te komen met dingen die alleen door het Gilde gemaakt mogen worden?’ Plotseling lag er een mes in zijn hand. ‘Ik zal je met veel plezier de keel doorsnijden, Aludra.’
Mart was er zich niet eens van bewust dat hij was opgestaan, tot hij een takeltouw in zijn handen had en hij zichzelf van de zolder had geslingerd. Drakenbloed, stomme dwaas!
Hij had slechts tijd voor die ene haastige gedachte, voordat hij door de mannen ploegde en hen omkegelde. Het touw glipte door zijn hand en hij rolde over de vloer met stro verder tot aan een staldeur, waarbij de munten uit zijn zak vlogen. Toen hij overeind krabbelde, kwamen de vier mannen ook al overeind. En ze hadden allemaal een mes in hun handen. Lichtverblinde dwaas! Drakenvuur! Drakenvuur! ‘Mart!’
Hij keek op en Thom wierp hem zijn vechtstok toe. Hij graaide de stok uit de lucht, net op tijd om het mes uit Tammuz’ vuist te slaan en hem een felle klap tegen de zijkant van zijn hoofd te verkopen. De man zakte in elkaar, maar de drie anderen sprongen toen meteen op hem af. Mart had het even moeilijk, hij liet zijn stok zo snel mogelijk rond wervelen om de messen te weren. Snel achter elkaar sloeg hij tegen knieën, enkels en ribben, tot hij een van de hoofden goed kon raken. Toen de laatste man viel, bleef hij even naar hen kijken en richtte toen een nijdige blik op de vrouw. ‘Waarom moest je nou net deze stal kiezen om je om zeep te laten brengen?’
Ze stak een slanke dolk terug in een schede aan haar riem. ‘Ik had je best willen helpen, maar ik was bang dat je mij met zo’n mes voor een van die gekken zou houden. En ik heb deze stal gekozen, omdat regen nat is, en ik ook, en niemand deze plaats bewaakte.’ Ze was ouder dan hij had gedacht, tenminste tien of vijftien jaar ouder dan hij, maar ze was nog steeds knap, met grote, donkere ogen en een kleine, volle mond die bijna pruilde. Of klaar voor een kus. Hij lachte even en leunde op zijn staf. ‘Nou ja, wat gebeurd is, is gebeurd. Ik denk niet dat je ons moeilijkheden wilde bezorgen.’ Thom klom van de zolder naar beneden; het ging wat onhandig vanwege zijn been. Aludra keek van hem naar Mart. De speelman had zijn mantel weer omgedaan; hij vertoonde zich zelden aan iemand zonder mantel, vooral niet als dat voor het eerst was. ‘Dit is net een legende,’ zei ze. ‘Ik word gered door een speelman en een jonge held’ – ze keek nadenkend naar de mannen die roerloos op de stalvloer lagen – ‘van die zwijnenzonen.’
‘Waarom wilden ze je doden?’ vroeg Mart. ‘Hij zei iets over geheimen.’
‘Het geheim van vuurwerk maken, tenzij ik het mis heb.’ zei Thom, bijna alsof hij iets voordroeg. ‘Je bent lid van het Vuurwerkersgilde, nietwaar?’ Hij maakte een hoffelijke buiging met een grootse zwaai van zijn mantel, ik ben Thom Merrilin, een speelman, zoals je gezien zult hebben.’ En alsof het net bij hem opkwam, voegde hij eraan toe: ‘En dit is Mart, een jongeman met een talent voor het vinden van moeilijkheden.’
‘Ik was een Vuurwerker,’ zei Aludra stijfjes, ‘maar dit stomme varken Tammuz verknoeide een voorstelling voor de koning van Cairhien en verwoestte ook nog bijna het gildehuis. Maar ik was meesteres van het gildehuis, dus werd ik door het Gilde verantwoordelijk gesteld.’ Ze leek zich te verdedigen. ‘Ik verklap geen geheimen van het Gilde, wat Tammuz ook beweert, maar ik wil niet verhongeren als ik vuurwerk kan maken. Ik ben niet langer lid van het Gilde, dus gelden de Gilde-wetten niet voor mij.’